De ‘basis-op-orde’ in de klas: kansrijk omgaan met verschillen

11935355 l 1

‘Hoe kan ik nou al die leerlingen met een ondersteuningsvraag helpen?’

‘Ik wil niemand te kort doen!’

‘Dit kan ik als docent niet allemaal uitvoeren!’

‘Moet ik nu met ondersteuningsplannen gaan werken?’

Hoor je deze opmerkingen van de docenten in jouw school? Zijn dit issues waar je mee te maken hebt? Het doel van alle scholen is het aanbieden van kwalitatief goed onderwijs. En iedere docent wil goed onderwijs geven. Maar passend onderwijs roept veel vragen op: ‘Waar haal ik de tijd vandaan? Kan ik mijn kennis nog wel overdragen? Ik kan toch niet voor iedere leerling een ander plan maken?’

Sinds de invoering van passend onderwijs wordt de term basisondersteuning in de school veel gebruikt. Basisondersteuning is het geheel van preventieve en lichte curatieve interventies die binnen de onderwijs-ondersteuningsstructuur van de school planmatig en op een overeengekomen kwaliteitsniveau wordt uitgevoerd. Dit eventueel in samenwerking met ketenpartners. Deze interventies worden op de school uitgevoerd, onder regie en verantwoordelijkheid van de school.

‘De volgorde van de pijlers is niet willekeurig’

Veel scholen en samenwerkingsverbanden leggen de nadruk op een goede basisondersteuning, zodat meer leerlingen een passende plaats krijgen in het regulier onderwijs. Het kwaliteitsniveau is vooraf bepaald door de onderwijsinstelling of door het samenwerkingsverband. Belangrijke aspecten zijn de preventieve inzet van de interventies, de samenstelling en werkwijze van het onderwijs-ondersteuningsteam en het planmatig werken. De resultaten en opbrengsten worden geëvalueerd en de interventies worden indien nodig bijgesteld.

Vaak wordt gekeken naar wat de school kan bieden buiten de lessen om, bijvoorbeeld remedial teaching, dyslexie-begeleiding, ondersteuning bij plannen en organiseren, huiswerkbegeleiding en allerlei trainingen als faalangstreductie, sociale vaardigheden, weerbaarheid en examenvrees. Maar, de basisondersteuning begint in de klas.

Vier pijlers

Door de ‘basis-op-orde’ te hebben, heeft de docent meer tijd, energie en gelegenheid om aandacht aan alle leerlingen te besteden en niet alleen aan leerlingen met een ondersteuningsvraag. Als we aan de ‘basis-op-orde’ denken, gaan we uit van vier pijlers: klassenmanagement, pedagogisch klimaat, didactiek en handelingsgericht werken. De volgorde van de pijlers is niet willekeurig. Voor een goed pedagogisch klimaat is klassenmanagement een voorwaarde. Daarna kan er gewerkt worden aan didactiek en differentiëren en vervolgens is het mogelijk om handelingsgericht te werken.

De eerste pijler: Klassenmanagement

Met klassenmanagement bedoelen we de organisatie van alles wat in de klas plaatsvindt, inclusief de vormgeving van de verschillende rollen van de docent. Klassenmanagement is op orde als er een duidelijke, herkenbare structuur is die consequent gehanteerd wordt. Structuur is aan verschillende aspecten te herkennen: duidelijkheid, voorspelbaarheid, eenduidigheid, grenzen en vrijheid. De gezamenlijke afspraken in een school over de te hanteren structuur geeft leerlingen duidelijkheid en voorkomt voortdurend gediscussieer over de gang van zaken in de school. Naast regels en afspraken hoort ook lesopbouw en docentgedrag bij structuur. Belangrijke vragen zijn: welke regels hanteren we als docenten? Welke routines hebben we? Welke afspraken hebben we op schoolniveau gemaakt en welke afspraken heb ik met de klas gemaakt? Hebben mijn lessen een duidelijke structuur met een begin en een eind? Ben ik alleen de didacticus of maak ik gebruik van meerdere rollen?

De tweede pijler: Pedagogisch klimaat

Pedagogisch klimaat gaat vooral over relatie. Begrippen als communicatie, feedback, interactie, groepsvorming, sanctioneren en belonen, sociale veiligheid en vertrouwen horen daarbij. De school is een kleine maatschappij, waarin de leerlingen zich voorbereiden op hun plek in de grote maatschappij. Door rust en veiligheid te creëren verlopen de lessen beter. Daarnaast is het belangrijk om aandacht te besteden aan gedrag en orde. Hoe ga ik als docent met orde verstorend gedrag om? En welke afspraken hebben we hierover met elkaar gemaakt? Vanuit welk perspectief kijk ik naar het gedrag van leerlingen? Wat zijn mijn persoonlijke grenzen, wat accepteer ik wel of juist niet van leerlingen? Zijn de leerlingen mede-eigenaar van onze regels en afspraken?

De derde pijler: Didactiek

Als de eerste twee pijlers op orde zijn, is er ruimte voor didactiek: hoe geef ik alle leerlingen de kans om hun talenten te ontwikkelen? Naast instructie zijn ook doelen stellen, zelfstandig werken, werkvormen, feedback, differentiatie en evaluatie aspecten van didactiek. Leerlingen gebruiken verschillende leerstijlen en docenten gebruiken verschillende doceerstijlen. Door verschillende instructiemodellen en werkvormen toe te passen, sluit de docent aan bij de leerbehoefte van de leerlingen. Docenten kunnen zichzelf de volgende vragen stellen: geef ik altijd op dezelfde manier les of wissel ik af in instructie- en werkvormen? Stel ik de juiste vragen en geef ik feedback? Waar houd ik rekening mee als ik wil differentiëren? Op welke manieren differentiëren we in onze school?

De vierde pijler: Handelingsgericht weken

Handelingsgericht werken is een planmatige en cyclische werkwijze om individuele onderwijsbehoeften van leerlingen te ontdekken, waardoor er aan de leerlingen een juiste ondersteuning geboden kan worden. De planmatige aanpak geeft structuur bij het omgaan met de verschillen in ondersteuningsbehoeften van de leerlingen in de klas. Handelingsgericht werken begint met observeren en interpreteren. Daar hoort bij: registreren en rapporteren, oplossingsgericht werken, kennis van psychopathologie en ondersteunings- en groepsplannen maken. De docent verzamelt relevante gegevens door te kijken naar het gedrag van leerlingen, maar ook door de resultaten van toetsen en opdrachten te interpreteren. En heel belangrijk: door feedback te vragen aan leerlingen. Vragen die hierbij horen zijn: interpreteer ik leerlinggedrag en leerresultaten? Hoe maak ik of maken wij met elkaar een goed uitvoerbaar plan, zonder dat het veel tijd kost? Pakken we problemen op een oplossingsgerichte manier aan?

‘Waar staan we nu en waar willen we naartoe?’

Elke pijler roept natuurlijk nog meer vragen op. Door samen als team antwoorden te verzamelen wordt het huidige niveau van de basisondersteuning duidelijk. Door als team samen te reflecteren wordt het helder wat goed gaat en welke aspecten nog aandacht vragen. Door elkaar letterlijk een spiegel voor te houden, wordt antwoord gegeven op de volgende vragen: waar staan we nu en waar willen we naartoe? Wanneer vinden wij onze ‘basis-op-orde’? Vaak wordt er gedacht dat de ‘basis-op-orde’ is, maar is dat werkelijk het geval? Door er samen naar te kijken wordt ook duidelijk waar de kracht van het team ligt, welke expertise er in het team aanwezig is en hoe collega’s van elkaars expertise gebruik kunnen maken.

Wanneer in de school de ‘basis-op-orde’ is, dan heeft elke leerling daar profijt van, ook de leerling met een ondersteuningsbehoefte. Zo kun je in de klas kansrijk omgaan met verschillen. Een voorbeeld: door een leerling met AD(H)D een goede structuur te bieden, is zijn gedrag minder storend voor andere leerlingen en voor de docent. Bovendien krijgen andere leerlingen de kans om ook van de duidelijke structuur te profiteren. Daardoor heeft de docent ruimte om zijn aandacht te verdelen over de hele klas en zal hij niet slechts met individuele leerlingen bezig zijn. Een groot deel van de verschillende ondersteuningsbehoeften is vaak oplosbaar door dezelfde aanpassingen. Het is de kunst om uit te gaan van overeenkomsten in behoeften en daarna in de klas uit te voeren wat praktisch haalbaar is.

Hanny Stoffelen M SEN (ambulant begeleider en trainer) en drs. Janine Jansen (orthopedagoog en locatieleider) zijn beide werkzaam bij Triade Scholing & Advies.

Dit artikel staat in Bij de Les van juni 2016