Beweging in het loopbaanlandschap van decaan en mentor

Het loopbaanlandschap van leerlingen is in beweging. Maar dat van docenten ook. Niet iedere mentor past de taak van het voeren van loopbaangesprekken als een jas. Overdenkingen van een decaan uit Zeeland.

Lerarenbeurs in trek'. 'Startende leerkrachten dreigen onderwijs massaal te verlaten.' 'Vrouwelijke schoolleiders beter dan mannen'? 'Doorwerken, lust of last'. Zomaar wat kreten uit de onderwijsbladen die ik onder ogen kreeg. Daaruit blijkt dat leerkrachten nadenken over hun eigen loopbaan. Over hun drijfveren, motivatie en kwaliteiten. Een drijfveer voor het onderwijs is misschien de interesse voor natuurkunde geweest. Of het werken met jongeren. Of passie voor talen op jongeren overbrengen. Met enthousiasme weten veel docenten dat op een boeiende manier over te brengen. Vakmensen met hart voor de leerlingen.

In de praktijk blijkt dat van een docent veel verschillende competenties worden verwacht. Werkweken en excursies, gesprekken met leerlingen, vergaderingen, contacten met ouders, buitenschoolse activiteiten, mentoraat, en het rijtje is vast nog veel langer. Niet alles sluit aan bij de drijfveren om in het onderwijs te gaan werken. En er is nog een nieuw item aan dit rijtje toe te voegen: het voeren van loopbaangesprekken.

Loopbaanlandschap van leerlingen en mentoren
Het loopbaanlandschap van leerlingen is in beweging. Ook hier in de provincie Zeeland. Naar aanleiding van een advies van de Zeeuwse Onderwijs Autoriteit werken scholen samen om in de provincie een gezamenlijk kader voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding neer te zetten. De loopbaancompetenties staan centraal. Vakdocenten en mentoren gaan toekomstgerichte loopbaangesprekken voeren met leerlingen.

Als ik in de handboeken voor mentoren kijk komen daar nog nauwelijks reflectiegesprekken in voor. In de boeken en instructies voor mentoren vind ik weinig over toekomstgerichte gesprekken. Vaak zijn de gesprekken productgericht: wat gaat nu goed, wat gaat niet goed. Hoe kan het verbeteren. Daarnaast krijgt het groepsgebeuren veel aandacht. Een rondgang langs scholen leert dat in
de huidige situatie vooral decanen het loopbaanbeleid op vmbo-niveau uitvoeren, daarbij in meer of mindere mate versterkt door het werk en de gesprekken van de mentoren en/of vakdocenten.

Geef scholen tijd en middelen om aan de slag te gaan

In Zeeland werken alle scholen inmiddels met het Digitale Doorstroomdocument, wat bij aanmelding voor een vervolgopleiding ingevuld wordt door de leerling en de mentor. Ook de Zeeuwse Code voor doorstroom van mavo naar havo stelt als voorwaarde voor de leerling een motivatiebrief te schrijven, en een gesprek over zijn keuze te voeren met decaan of mentor.

Mentoren werken dus wel degelijk ook toekomstgericht. Welke sector, leerweg, vervolgopleiding? De loopbaandialoog vraagt echter om specifieke gesprekstechnieken. Oplossingsgericht, reflectief of gericht op ervaringen. Door ervaringen met de leerling in verband te brengen met andere ervaringen (bijvoorbeeld opgedaan op school, stage, sportclub of thuis) kan er betekenis aan worden gegeven
in het kader van de loopbaan. Deze methode kan in de bestaande gesprekken worden ingebouwd, maar vraagt meer dan alleen een gesprek over de al gemaakte keuze.

Loopbaanlandschap van decaan en mentor
Niet iedereen zal direct enthousiast zijn over deze ontwikkeling. Maar zoals Socrates al aangaf: Laat degene die de wereld in beweging wil zetten, eerst zelf in actie komen. Dat betekent in dit geval: uitvinden of de functie van mentor, decaan of loopbaancoach bij je past. Wat we van onze leerlingen vragen kunnen we zelf ook toepassen. Vanuit onze ervaringen onze loopbaan vormgeven en onze eigen competenties en motivatie onder de loep nemen.

De taak van de decaan van vroeger is in de loop van de jaren veranderd. De decaan die alleen brochures uitdeelt bestaat inmiddels niet meer. De decaan als loopbaancoach vraagt uiteraard andere competenties dan de decaan als vraagbaak binnen de school. De huidige ontwikkelingen vereisen een professionaliseringstraject van decanen, mentoren en vakdocenten. Loopbaanoriëntatie en –begeleiding van de leerling staat straks in de taakomschrijving van de docent. Het is volgens mij niet meer de vraag óf mentoren en vakdocenten reflectie- en loopbaangesprekken gaan voeren, maar hoe. De methode kan worden aangeleerd, maar zal wellicht niet bij iedere docent passen.

In Zeeland worden binnenkort de eerste loopbaancoaches getraind. Deze loopbaancoaches verspreiden vervolgens de methodieken verder in de scholen. Als loopbaancoach enthousiasmeer je het team van docenten en mentoren voor het loopbaanleren. Door te ervaren en toe te passen bewijst de methode zichzelf en overtuigt hopelijk de afwachtende rest. Succesfactoren zijn de drive van de loopbaancoach, de ondersteuning door de directie en het management en last but not least: faciliteiten vanuit de overheid. Het stimuleringsplan LOB is een geweldig plan, veel scholen zullen een flexibele school willen worden, waarin iedereen betrokken is bij de loopbaan van de leerling. Dat gaat niet zomaar.

Mentoren van verschillende scholen geven aan op dit moment al veel uren te besteden aan het mentoraat. Zij zien het passend onderwijs en LOB-beleid eraan komen en vrezen niet meer tijd te krijgen om hier een goede invulling aan te geven.

Door een breed gedragen LOB-beleid binnen de vo- en mbo-scholen wordt de uitval door een verkeerde keuze beperkt. Dat is voor leerling, onderwijs en overheid een win-win-winsituatie. Om dit te realiseren is, behalve het enthousiasme en de professionaliteit van de LOB-coördinator, ook tijd (en tijd is geld) nodig voor de in- en uitvoering. Geef scholen tijd en middelen om met deze methode aan de slag te gaan! In Zeeland gaan we in ieder geval van start.

Anne-Marie Verburg is decaan voor de bovenbouw van het vmbo en de mavo van de Christelijke Scholengemeenschap Walcheren in Middelburg en voorzitter van de vmbo-decanenkring Zeeland.

Dit artikel is eerder verschenen in Bij de Les, jaargang 10, nummer 6