Tegen pubers moet je niet preken

Foto Frans OttenhofIn het Nederlandse voortgezet onderwijs werken zo'n 77.000 docenten en minstens de helft daarvan is ook mentor. Frans Ottenhof, onderwijsman in hart en nieren, is er zo één. Hij vertelt vanuit zijn ervaring en kennis over de rol van de mentor in school en hoe mooi, soms ook hoe lastig, dat kan zijn.

 

Aanleiding voor het gesprek is het door Ottenhof gemaakte Mentorboekje, een persoonlijk en handig zakboekje voor mentoren, te gebruiken in de dagelijkse praktijk. Voor zijn mentorklassen heeft Ottenhof altijd een klein boekje bij de hand (Ottenhof, ironisch: 'Frans weer met z'n boekje') waarin hij alles opschrijft over zijn leerlingen, de mentorlessen die hij maakt, verbeteringen daarvan voor de volgende keer, bronnen die hij gebruikt en anekdotes uit de praktijk. Ottenhof: 'Ik dacht: zoiets ga ik voor anderen maken.' Hij vulde het aan met actuele kennis over pubers, tips over hoe om te gaan met ouders en interviews met andere leerlingbegeleiders. Het boekje heeft een jaarplanning, is geschikt om twee jaar achter elkaar met dezelfde mentorklas te gebruiken en het heeft ruimte voor aantekeningen.

Docent en mentor
Ottenhof vindt de combinatie van rol als docent en mentor geweldig. 'Je ziet je leerlingen in het mentoruur en in de lessen van je vak. Je ziet ze dus veel in de week. Je ziet hoe ze werken, hoe ze met elkaar omgaan en er is voldoende gelegenheid om contact met ze te hebben. Als je alleen mentor zou zijn, nodig je een leerling voor een gesprek uit als er wat aan de hand is. Als docent kun je altijd met een leerling een gesprek beginnen over de resultaten. Dat is laagdrempelig. Langzamerhand kan het gesprek dan opschuiven naar andere zaken als dat nodig is. Belangrijk is dat je onderscheid maakt tussen 'wie de leerling is' en 'wat de leerling doet'. Als ik me alleen richt op de cijfers, dus wat hij doet, werkt de begeleiding niet. Ik moet ook weten wat hem bezighoudt, wat zijn zorgen zijn. Vorig schooljaar had ik al drie keer met een jongen gesproken omdat hij dreigde te zakken. Het hielp niet. Ik zat te wachten op een doorbrekend zinnetje. Die kwam toen ik vroeg wat zijn ouders van zijn resultaten vonden. Hij zei: "mijn vader heeft wel wat anders aan zijn hoofd". En daarmee startte het gesprek.'

Onderscheid maken tussen 'wie de leerling is' en 'wat de leerling doet'

Belang van mentoraat
'Leerlingen in het voortgezet onderwijs zijn op een leeftijd dat ze behoorlijk veranderen. In dat proces speel je als mentor een rol. Voor ouders is dat soms moeilijk, ze zijn partij, ze zijn bezorgd, soms zijn er conflicten. Jongeren behoren zich geleidelijk van hun ouders los te maken. Ze hebben nu ook andere mensen met ervaring nodig, met soms een andere kijk op de zaak. Ik vind het zo'n ontzettende leuke leeftijdsgroep, pubers kunnen zo interessant denken. De kleintjes op de basisschool zitten nog erg in de groep. Volwassenen vertonen ook weer aangepast gedrag. Opgroeiende jongeren conformeren zich niet, ze zoeken, twijfelen, zijn creatief, willen hun eigen gang gaan. Dat mag jij als mentor begeleiden.' Ottenhof noemt de komende verplichting om een antipestprogramma in te voeren. 'Ik betwijfel of het invoeren van een programma of een methode een grote kwestie als pesten zal stoppen. Je lost niet alles op met regelgeving of verplichtingen stellen. Investeren in een goed mentoraat lijkt me beter. Mentoren zien en horen veel, kennen de kinderen en zijn als eerste in staat iets te doen dat helpt.'

Het verschil maken
Als mentor 'maak je het verschil' legt Ottenhof uit. 'Jongeren moeten ontzettend veel keuzes maken. Niet alleen voor een vakkenpakket of vervolgopleiding. Het gaat ook over wie je bent en voortdurend daaraan gekoppeld wat je wel en niet wilt. Het is moeilijk om keuzes te maken die zo fundamenteel zijn in je leven. Je ziet heel vaak volwassenen preken tegen een puber. Dan zie je dat de jongere zichzelf uitzet, voor zich uit gaat staren, onderuit gezakt, niet meer aanwezig. Met echte belangstelling die voortkomt uit pure nieuwsgierigheid maak je contact. Door de juiste vragen te stellen ontstaat een wisselwerking en help je ze met nadenken. Je zet dan als het ware hun hersenen aan.'

Lastig
Ottenhof benadrukt dat als je echt en oprecht belangstelling hebt, de leerlingen er voor je zijn en je veel terugkrijgt. 'Maar je moet je wel realiseren dat het niet om jou gaat. Dat is soms lastig. Je hebt dat bijvoorbeeld als een leerling kattig of boos tegen je is. Ik had eens een meisje dat me verweet dat ik nogal eens wat vergat. 'Oei', dacht ik, 'dat kan wel, ik word ouder.' En ik trok me dat een beetje aan.

Met echte belangstelling die voortkomt uit nieuwsgierigheid maak je contact

Later bleek dat dat het punt niet was. Ze wilde contact met me, maar het lukte haar niet om dat op zo'n manier te doen zoals ze dat zelf graag zou willen. Daarover hebben we het gehad. Het ging niet om mij of wat ik daarbij dacht, het ging over haar eigen frustratie.' Veel mentoren klagen over te weinig tijd. Ottenhof herkent dat. 'Je doet het binnen je functie als docent en je hebt veel leerlingen om te begeleiden. Het hoort gewoon bij je werk. Maar het is wel een hele grote klus. En een mooie. Het belangrijkste voor de leerling, trouwens voor iedereen, is dat iemand hem ziet en hoort. Als dat niet het geval is, krijg je het gevoel dat je niet iemand bent. Aan het einde van elk schooljaar ben ik altijd een beetje bang dat ik iemand over het hoofd heb gezien. Het is zo erg voor een leerling als je op school vergeten wordt.'

Truda Zijp is redactielid van Bij de Les.
Frans Ottenhof is docent biologie bij het Da Vinci College (havo-vwo) van de Purmerendse ScholenGroep, mentor van een havo 5 klas, onderwijsadviseur en columnist/auteur.

Dit artikel komt uit Bij de Les jaargang 10, nummer 7.