Red de leerling uit de kloof tussen zorg en onderwijs

Leerling in put webDoor: Pim Wijers

‘Er is te weinig samenwerking tussen zorgcoördinatoren en wijkteams. Hulpbehoevende leerlingen vallen daardoor tussen wal en schip.’ Bij de Les spreekt Cherifa Hendriks, zorgcoördinator in Nijmegen en lid van de Taskforce Zorgcoördinator binnen de NVS-NVL. Hendriks: ‘Door decentralisatie is het probleem op landelijk niveau minder goed zichtbaar geworden.’

 

Laten we bij het begin beginnen: wat gaat er mis tussen onderwijs en jeugdhulp?

Op scholen zitten leerlingen die hulpverlening nodig hebben, maar er is te weinig wisselwerking tussen school en de gemeentelijke hulpverlening. School is er namelijk vooral voor het onderwijs en hulpverlening is er voor de zorg. Op dit moment zijn die werelden nog te gescheiden van elkaar.

En tussen die twee werelden in strandt de leerling momenteel.

Je moet het zien als een kloof, ja. Die is sinds januari groter geworden. Daarvoor bestond het probleem ook wel, maar de decentralisatie heeft op regionaal niveau voor veel verandering gezorgd. En elke regio heeft die veranderingen anders doorgevoerd, waardoor het probleem op landelijk niveau minder duidelijk is geworden. En dan zijn de zorgregio’s ook nog anders dan onderwijsregio’s, wat voor nog meer knelpunten zorgt: binnen het onderwijs zijn er gemeente-overschrijdende samenwerkingsverbanden, terwijl de zorg juist wel binnen de gemeente is georganiseerd. Momenteel wordt er vanuit de zorg weinig contact gezocht met het onderwijs en soms wordt onderwijs niet eens toegelaten aan de gesprekstafel.

‘Nu zien we vaak dat er gescheiden trajecten worden ingezet’

Hoe komt de zorgcoördinator alsnog aan de gesprekstafel met ouders en hulpverlening?

De zorgcoördinator moet als verbindingsofficier worden ingezet: als een zorginstelling betrokken is bij een hulpbehoevende jongere, dan moet contact met de zorgcoördinator de eerste stap in het protocol zijn. De vraag moet uiteraard wel gesteld worden of die zorgcoördinator dan betrokken moet blijven bij het hulpverleningstraject, want dat verschilt per leerling. Maar wat de uitkomst van die vraag ook is: er moet afstemming plaatsvinden. Een kanttekening is overigens dat er in sommige regio’s wel heel goed wordt samengewerkt hoor, maar in de regel vaak niet.

Kun je stellen dat het probleem dan eigenlijk afhankelijk is van welke mensen er per regio met hun voeten in de klei staan?

Het is inderdaad erg afhankelijk van individuen. En het is voor een groot deel afhankelijk van je netwerk. Mijn gemeente is bijvoorbeeld onderverdeeld in vijftien sociale wijkteams. Daarboven hangen nog vijf of zes regieteams, die het overnemen als het voor wijkteams te complex wordt. Met één regieteam heb ik een goede werkrelatie. Zij kennen mij en onderhouden goed contact over leerlingen. Bij de andere zitten we niet aan tafel. We kennen elkaar niet en ze benaderen ons ook niet.

Wat zijn de redenen voor het gebrek aan communicatie?

Soms denk ik weleens dat onderwijs als minder belangrijk wordt gezien. We zijn geen hulpverleners, dus waarom zou onderwijs mee moeten praten? In zo’n geval wordt vergeten dat we een signalerende functie hebben en een goede bron van informatie zijn. En ook al bieden we geen hulpverlening, we begeleiden en ondersteunen ook. Dat moet afgestemd worden met de zorg, anders kun je elkaar gigantisch in de wielen rijden. En daar wordt de leerling de dupe van. Een tweede reden is een lastige kwestie: privacy. Daar beroepen veel organisaties zich op. Informatie over een leerling mag alleen gedeeld worden met toestemming van ouders, maar in veel gevallen wordt die toestemming niet gegeven. Een laatste reden kan onbekendheid zijn: hulpverlening weet wellicht niet dat er een zorgcoördinator is. Er wordt dan een mentor gebeld, die veel over leerlingen weet, maar minder over stappen, protocollen en procedures.

Die tweede reden lijkt me lastig op te lossen.

Dat klopt, maar uiteindelijk is het allemaal in het belang van het kind. Nu zien we vaak dat er gescheiden trajecten worden ingezet. Of dat onderwijs de hulpverlening niet op gang krijgt, omdat de zorg zegt dat er bij de ouders en/of het kind geen hulpvraag leeft. Op school signaleren we vaak dat het mis gaat, maar dat die hulpvraag nooit zal komen. Sociale wijkteams pakken in zulke gevallen ook niet altijd door richting het gedwongen kader, zoals jeugdbescherming of een regieteam. Vaak legt jeugdhulpverlening problemen dan zelfs terug bij ons, terwijl wij als onderwijs geen hulpverlening kunnen bieden. Momenteel levert dat veel ruis op in ons werkveld.

Wat gaat er vanuit het onderwijs mis?

Het is lastige voor de hulpverlening is dat de zorgcoördinator per school of schoolsoort een heel andere positie en rol heeft. Op sommige scholen kan de zorgcoördinator nog een ondergeschoven kindje zijn, waardoor er vanuit het onderwijs weinig gebeurt zodra wijkteams aankloppen. Daarnaast worstelt onderwijs nog erg met de vraag: hoe ver kunnen we gaan met ondersteuning bieden, en wanneer wordt ons ingrijpen hulpverlening? Dat is een lastig te bepalen grens.

Als we op basis van dit gesprek een voorzichtige conclusie mogen trekken, dan lijkt het alsof het probleem op papier niet moeilijk is op te lossen. Er is een communicatieprobleem en misschien een kennisprobleem over de taken en verdelingen binnen het onderwijs.

En een privacy-probleem. Daar moeten goede afspraken over worden gemaakt in het belang van de leerling. Het zou voor het totaalplaatje goed zijn als we elkaar opnemen in onze protocollen, zodat we standaard contact met elkaar opnemen om kennis en ervaring uit te wisselen. Dan is het ook niet meer persoonsafhankelijk. Gelijk weer een probleem bij deze oplossing: vanwege de decentralisatie richt elke gemeente de jeugdhulp anders in.

We bestempelen de kloof tussen zorg en onderwijs in dit gesprek als probleem. Is die term gechargeerd, of dekt het woord helaas toch de lading?

Dat is een goede vraag, maar ik vind eigenlijk dat je het wel zo mag noemen. Leerlingen worden hier namelijk de dupe van en daarom vind ik het een probleem.

 

De Kloof – Deel 1
Dit is het eerste stuk uit een reeks artikelen over de samenwerking tussen zorg en onderwijs. Bij wijze van een good practice kijken we in de volgende editie van Bij de Les mee met een wijkteam dat goed samenwerkt met zorgcoördinatoren en andere instanties.

 ‘Hij zwijgt alle docenten, begeleiders, leerplicht, moeder én klasgenoten dood’ 

Casus 1

H. is een leerling op het praktijkonderwijs. In zijn vroege jeugd is zijn gezin mishandeld door vader. Toen H. zes jaar was, is moeder met vier kinderen gevlucht naar een blijf-van-mijn-lijf-huis. Na een therapeutisch traject ging het lange tijd goed met H., maar nu hij zestien is trekt moeder bij school aan de bel: ze maakt zich zorgen. H. heeft last van nachtmerries en opgekropte woede. Moeder denkt dat het traumatisch verleden niet verwerkt is. H. zelf wil er niet over praten. Hij zegt niets meer van de mishandeling te weten. Na screeningsonderzoek verwijst school naar de huisarts voor een PMT-traject. Moeder pakt dit op, maar H. verzet zich en in korte tijd escaleert het verzet van H. Hij weigert naar stage te gaan en niet lang daarna weigert hij te praten. Hij zwijgt vanaf dat moment alle docenten, begeleiders, leerplicht, moeder én klasgenoten dood. Moeder zit met haar handen in het haar, huilt de hele dag en kan het leven niet meer aan. School doet een spoedaanmelding bij het SWT, met daarbij de hulpvraag voor H.. Vanaf dat moment komt H. niet meer naar school. SWT reageert traag en niet adequaat, legt de vraag en verantwoordelijkheid terug bij school, evenals de vraag rondom H.. SWT zet pas na een maand specialistische jeugdhulpverlening in. H. reageert niet op contactverzoeken van de hulpverlener en is niet thuis bij huisbezoeken. Het duurt uiteindelijk drie maanden voordat het SWT doorpakt richting jeugdbescherming. H. is nog steeds niet op school.

‘Ouders willen J. behoeden voor een vergelijkbaar traject’

Casus 2

J. is een leerling van veertien uit het praktijkonderwijs. Thuis spelen er al lange tijd problemen in haar gezin met zes kinderen. Tussen ouders speelt huiselijk geweld. Financieel heeft het gezin het zwaar: ze gaan wekelijks naar de voedselbank. Oudste zoon kampt met verslaving, depressie en gedragsproblemen. Ouders willen J. behoeden voor een vergelijkbaar traject. Er zijn twee gezinsvoogden die samen verantwoordelijk zijn voor alle kinderen. Daarnaast is er gezinsbegeleiding en opvoedondersteuning die 3 keer in de week thuis komen. Vanwege ruzie tussen ouders en buurtbewoners is het gezin naar een andere wijk verplaatst. Dit is goed geweest voor J., omdat de buurtruzie tussen de volwassenen tot op kindniveau op school werd uitgevochten. Bij de aanmelding van J. in het praktijkonderwijs heeft de school een preventief ondersteuningstraject ingezet. Op school werd het gedrag goed in de gaten gehouden door middel van observaties en evaluaties. Dit werd structureel besproken met J., ouders en voogden. Aanvankelijk ging het erg goed met J. en bloeide ze op. Na een half jaar kwam er een terugval en werd het overleg uitgebreid met leerplicht en de gezinsbegeleider. Na een jaar intensieve begeleiding komt de school erachter dat het gezin ook wordt besproken in het regieteam van de gemeente, al jaren. De voogden hebben hier nooit iets van gezegd en school is ook nooit benaderd door het regieteam.