Meidenvenijn: wees er als de kippen bij

iStock 82342945 LARGEdoor Anke-M. Visser

Onderhuidse persterijen en machtige meiden: Anke Visser legt uit hoe je de hegemonie van venijnige meiden moet breken, om orde op school te herstellen.

 

Postvak In

28 februari 2016

Geachte mevrouw Visser, ik ben docent in het mbo en begeleid sinds september een klas van dertien meiden. Ze worden opgeleid tot secretarieel medewerker. De sfeer in de klas is niet goed en wordt steeds slechter. Er wordt geroddeld, gevochten, er zijn kampjes etc.

Vals
Voor Bij de Les schreef ik al een aantal artikelen over meidenvenijn in de klas, maar meidenvenijn blijft een actueel thema. Daarmee bedoel ik niet catfights, bitch-fights of girl-fitties, waarbij meisjes elkaar letterlijk op de huid zitten, maar de onderhuidse variant. De term heb ik in 2006 bedacht om het subtiel kwetsen door meisjes van andere meisjes bondig te omschrijven. De term ‘meidenvenijn’ is nog niet opgenomen in een woordenboek. De dikke Van Dale kent wel ‘venijn’, met als beschrijving: verborgen, scherpe woede. De verborgenheid is een belangrijk kenmerk van meidenvenijn. Het blijft meestal lang onder de radar van docenten. Soms zelfs zo lang dat het conflict pas op het kookpunt, een girl-fittie, aan de oppervlakte komt. Een openlijke meidenclash wordt vaak vooraf gegaan door venijnig gedrag onder de radar: valse blikken, roddels, gemene appjes, negeren... kortom: meidenvenijn. Hoewel een catfight (letterlijk) pijnlijk is voor alle betrokkenen, wordt de agressie zichtbaar. De school kan hierop direct ingrijpen. Uit de berichten in de media is duidelijk dat scholen precies weten wat hen te doen staat na een escalatie: schorsen, aangifte, afspraken over gedrag of zelfs verwijderen. Dat is voor vechtende meisjes niet anders dan voor jongens.

Juni 2016

Scholengemeenschap X stuurt na een grote vechtpartij vier van de zes betrokken leerlingen van school. Dat zegt een woordvoerder van X. Het gaat om vier meisjes. De twee andere meisjes zijn geschorst. Bovendien doet de school aangifte van mishandeling bij de politie. 

Toch wordt er, ondanks de drie emancipatiegolven, op de meeste scholen toch nog steeds vreemd opgekeken wanneer meisjes met elkaar vechten. Als meisjes iets niet bevalt, zoeken ze meestal niet de directe confrontatie, zoals jongens dat doen. Ze hebben generaties lang hun eigen alternatieve agressie ontwikkeld, bestaande uit buitensluiten, manipuleren, konkelen, enzovoorts. Vaak wordt dit gedrag door docenten bestempeld als ‘typisch meiden’. Het voordeel van deze vorm van agressie is dat meisjes kunnen zeggen: ‘Ik doe toch niets, wat is je punt?’ of ‘Dat is dan jouw probleem’. Ze blijven ogenschijnlijk onschuldig. Maar deze subtiele acties zijn wel degelijk gericht op het ondermijnen van het zelfvertrouwen van andere meisjes.

Vormen
Meidenvenijn is het middel voor meisjes om de rangorde te bepalen én te bewaken. Het is tegelijkertijd een machtsmiddel en een sociaal experiment in populariteit. Meidenvenijn neemt allerlei vormen aan. Met hun sociale gerichtheid passen smartphone en sociale media perfect in de meisjes-modus. Meisjes communiceren onderling graag en veel; iedere docent zal dat herkennen. Valse berichtjes of elkaar negeren op sociale media zijn super-tools voor meidenvenijn. Want sommige meisjes raken compleet van de kook als hun BFF hen niet meteen terug-appt of als vriendinnen een post niet liken.

Spanning
Meidenvenijn in welke vorm dan ook, veroorzaakt uiteindelijk spanningen in de klas. Spanningen die de sfeer en het lesklimaat verstoren. ‘De sfeer is niet goed en wordt steeds slechter’, mailde de docente mij. Meidenvenijn kan een poos onder de oppervlakte schuilgaan, maar zodra er signalen zijn, vraagt dit van de mentor/slb-er/coach van de klas én alle docenten om in te grijpen. En dat begint al bij zuchten, snuiven, gnuiven, rollen met de ogen, onderling blikken wisselen als een klasgenootje iets zegt of bij nare appjes en negatieve FB-berichten. Om meidenvenijn in te dammen moet je er als de kippen bij zijn. Het vraagt ogen en oren op steeltjes.

Mentor: ‘Ze kwam halverwege het jaar in de klas, na een verhuizing. Een leuk, lief meisje, mooi en getalenteerd; ze turnt op hoog niveau. Ze werd meteen opgenomen, maar een paar weken later werd ze door datzelfde groepje meisjes buitengesloten, uitgelachen. Ik heb haar naar de zorgcoördinator gestuurd. Die moet maar met haar praten’.

Coach/slb-er: ‘Ik ben met de vertrouwenspersoon bezig het meidenvenijn in kaart te brengen. Zij voert gesprekken met de leerlingen om helder te krijgen waar de schoen wringt.’

Begeleiding
In veel kwesties rondom meidenvenijn waarin ik om advies gevraagd werd, was er sprake van wegzetten: meisjes die slachtoffer waren van meidenvenijn werden doorverwezen voor een gesprekkenserie naar de leerling-/cursistenbegeleiding, de zorgcoördinator. Deze beslissing nam een mentor/slb-er/coach uit ongemak, uit onbekendheid met het verschijnsel meidenvenijn, uit betrokkenheid met een beschadigde leerling. Alle goede bedoelingen ten spijt haalt individuele leerlingbegeleiding niet de angel uit het meidengedoe. Sterker nog: door de individuele gesprekken bij de vertrouwenspersoon groeide de onderlinge achterdocht: ‘Wat werd daar gezegd?’. Het meidenvenijn werd steeds heftiger.

‘Naast groepsvorming is begrenzen pure noodzaak’

Meidenvenijn is een groepsprobleem, een kluwen. Om die te ontwarren moeten alle meiden uit de war. Aan één draadje trekken heeft geen zin, dan raakt de boel nog meer in de knoop. Bij meidenvenijn moet oplossing gezocht worden ín en gevonden worden mét de groep. Het aloude cliché ‘voorkomen is beter dan genezen’ gaat ook op voor meidenvenijn. Positieve groepsvorming waarin naast samenwerkingsopdrachten, ruimte is voor ieders eigen aardigheden en eigenaardigheden is ook een probaat middel. Naast groepsvorming is begrenzen pure noodzaak. Klassenregels met de klas (met de meiden) vaststellen is een klassieker en niet voor niets. Als die regels er eenmaal zijn, is het zaak dat de docent/mentor/slb-er deze bewaakt en overtredingen onmiddellijk bestraft. Met name venijnige meisjes hebben de neiging de regels en (mannelijke) docenten naar hun hand te zetten. Als de docent de veiligheid in de klas niet bewaakt, bepalen bazige meisjes wat er inde klas gebeurt.

De kern van de problematiek is dat de meisjes in de klas elkaar niet (meer) vertrouwen. Bij alles gaan ze er van uit dat de ander negatieve intenties heeft. Ze zijn constant op hun hoede.

Doorpakken
Mocht meidenvenijn toch de sfeer in de klas vergiftigen, dan is het feit dat leerlingen daar allemaal last van hebben een goed startpunt om er met elkaar iets aan te doen. De oplossingsgerichte aanpak is daarvoor bij uitstek geschikt met vragen als: Waar staan we nu? Waar kunnen we komen? Wat doen we dan (niet meer)? Wat is jouw persoonlijke bijdrage aan onze vernieuwde klas? De jongens in de klas kunnen met rake voorstellen komen! Mentoren/leerlingbegeleiders die bekend zijn met de oplossingsgerichte aanpak kunnen deze inzetten om zo de sfeer in de klas te verbeteren.

Als de oplossingsgerichte aanpak geen resultaat heeft, oftewel: als het antwoord op meidenvenijn niet uit de groep komt, dan is het de hoogste tijd voor autoriteit. Docenten die de venijnige meisjes les geven maken en handhaven consequent een set regels om sociale veiligheid in de (meiden)groep te herstellen. Dat vraagt met name krachtig leiderschap van docenten en streng begrenzen van valse dames.

April 2016

Telefoontje:

‘Mevrouw Visser u spreekt met de zorgcoördinator van het X-college. Wij worstelen als team al het hele schooljaar met een klas meiden. Het meidenvenijn loopt echt de spuigaten uit. Ik vind nu dat het tijd is voor een externe. Al googelend kwam ik bij uw website.’


Moraal
Venijnige meisjes die de macht hebben gegrepen, laten deze zelden los. Zeker niet als ze deze macht maandenlang hebben kunnen uitoefenen. Of na zoveel maanden van meidendictatuur het inschakelen van een externe gaat helpen, zoals de zorgcoördinator voorstelde, is voor mij zeer de vraag. Als het goedschiks niet lukt met een oplossingsgerichte aanpak, dan moet de macht van de venijntjes gebroken worden. Daartoe stelt de school hen (en hun ouders) een ultimatum: stoppen of vertrekken (naar een andere school). Doorpakken heet dat. Met als bijkomend effect dat veel achterblijvers opgelucht adem zullen halen.

‘Mean girls blijven mean girls’

Ik geef deelnemers aan mijn cursussen over meidenvenijn altijd een kopie mee van ‘Mean girls in the retirement home’, een artikel uit de Sunday Times. De journalist beschrijft in het artikel hoe haar oma op 97-jarige leeftijd verhuist naar een verzorgingshuis. Oma is kwiek, charmant en een vervaarlijke bridgepartner. Maar het lukt haar als nieuwkomer niet om aansluiting te vinden bij de bewoonsters. De residerende dames blokkeren stoelen met hun handtassen, zodat oma er niet bij kan komen zitten. Met bridge mag ze niet meedoen en niemand maakt een praatje met haar. Ze is te charmant, te kwiek en daarmee bedreigend. Het is het schoolplein all over again. Mean girls blijven mean girls, maar dan met kunstgebit en steunkousen. De moraal: meidenvenijn indammen is niet een kwestie van een les of een project. Meidenvenijn ligt altijd op de loer. Meidenvenijn vraagt alertheid en snel ingrijpen van iedere mentor/slb-er/coach en docent, het hele schooljaar lang!

Anke Visser houdt zich sinds 2004 bezig met meidenvenijn in het onderwijs. Na 25 jaar APS werkt ze nu vanuit www.ankevisserschoolveiligheid.nl. Ook voor de NVS-NVL verzorgt ze cursussen over meidenvenijn: ’Leerlingbegeleiding en meidenvenijn in het vo’ op 10 november of 26 januari en ‘Leerlingbegeleiding en meidenvenijn in het mbo’ op 15 november of 7 januari.

Dit artikel staat in Bij de Les nummer 3 van jaargang 13 (november 2016)