#MeToo tijdens begeleiding in het onderwijs

Hoe om te gaan met #MeToo in het onderwijs? Wat als een aantrekkelijke adolescent zich iets te vrijpostig opstelt? Of wat als je beschuldigd wordt van een of ander? Beroepskeuze-adviseur Theo Grevers gaat dieper in op dit onderwerp en deelt daarbij ook verhalen uit zijn eigen beroepspraktijk.

De afgelopen tijd is #MeToo geregeld in het nieuws. Het lijkt haast overal flink mis te zijn. Sportclubs, scouting, universiteiten, scholen, kunstopleidingen, filmindustrie, overheid, geloofsgroeperingen, de medische wereld en ga zo maar door: overal waar mannen werken – meestal zijn het mannen – én waar sprake is van machtsongelijkheid, blijven de verhalen opduiken. Goed dat het naar buiten komt, want daarmee kan erger mogelijk worden voorkomen, al krijgt het soms het karakter van ‘veroordeling door de media’.

Hoe zit het binnen de schoolmuren? Ik merk af en toe angst onder mannelijke professionals die persoonlijke gesprekken met leerlingen (vaak samen in een kamertje) moeten aangaan. Zo heb ik al diverse keren gehoord: ‘Met ‘die-en-die’ ga ik voor geen goud samen in een aparte ruimte zitten!’

Maar wees niet te bang voor zo’n tweegesprek. Want wat er als een informeel en ontspannen gesprek uit kan zien – en uit moet zien – is in feite een methodisch gesprek, met van uw kant een duidelijk plan van aanpak en een helder doel voor ogen. U bent op twee niveaus tegelijkertijd aan het werk: u voert een natuurlijk gesprek, maar in uw hoofd bent u zich er voortdurend van bewust waar u naar toe wilt, hoe u dat gaat aanpakken, of het werkt en of u moet bijsturen. Iedere actie (verbaal of non-verbaal) zet u in om het einddoel te bereiken.

‘Geduld, warmte en begrip’

Terwijl u dus een gesprek voert met de leerling, bent u in uw hoofd met van alles bezig. Maar niet alleen met de feitelijke voortgang in het gesprek, want ook registreert u wat er op relatie- en gevoelsniveau gebeurt: hoe voelt de leerling zich bij u en hoe voelt u zich bij de leerling? Bij u kunnen gevoelens de kop opsteken die het doel van het gesprek niet dienen: u zit geregeld tegenover een aantrekkelijke adolescent waarvoor u warme gevoelens kunt krijgen. En ook u kunt dit soort gevoelens bij de leerling oproepen omdat u rust, geduld, warmte en begrip uitstraalt: allemaal vormen van aandacht die in het dagelijks leven kunnen ontbreken en waar een adolescent net behoefte aan kan hebben. Het kenmerk van een professioneel tweegesprek is dat u deze gevoelens in het gesprek waarneemt en bij uzelf herkent. Dan blijft natuurlijk de vraag hoe u ermee moet omgaan. Ik zie veel mogelijkheden – en ik denk u ook – maar van dat ene, die grens overgaan, weten we allemaal dat u dat nooit moet doen. Nog afgezien van de beroepsethische regels die u overtreedt, maakt ook de machtsongelijkheid dat tot een foute situatie. Machtsongelijkheid is er niet alleen doordat u docent bent, maar alleen al doordat u ouder bent en meer levenswijsheid bezit. Zelfs al gaat een leuk pubermeisje met een lekker brutale kop en een uitdagend naveltruitje recht tegenover u als mannelijke begeleider zitten, is het nog steeds een ongelijkwaardige situatie en is haar beleving van de affectieve situatie nog steeds volkomen anders dan die van u.

Het is wel plezierig, om niet te zeggen noodzakelijk, dat u dergelijke ervaringen met collega’s kunt delen en dat de directie vertrouwen in u heeft en achter u blijft staan, mocht dit op enigerlei wijze nodig blijken te zijn. Ook ik heb natuurlijk met dergelijke situaties te maken. Als mannelijke studie- en beroepskeuze-adviseur werk ik immers dagelijks met jonge vrouwen en door de persoonlijke en diepgaande gesprekken is er sprake van een in zekere zin ‘intieme’ relatie, waarin ik na een paar uur vaak meer over iemand weet dan diens vrienden en familie. Ik heb gelukkig nooit teruggekregen dat iemand zich bij mij ongemakkelijk of geïntimideerd heeft gevoeld, maar ik herinner me wél een situatie waarin ik zelf in verlegenheid werd gebracht.

Zoenen

Jaren geleden, toen ik nog een betrekkelijk onervaren studiekeuze-adviseur was, had een decaan van een mbo-college gevraagd of ik een onderzoek kon doen bij een vrouw van twintig die in haar laatste jaar SPW was vastgelopen in haar stage. Er waren vanuit haar stageadres ernstige twijfels over haar inlevend vermogen – uiteraard een doodzonde in dit vakgebied – en omdat haar vorige stage ook al op dit punt was misgelopen, was haar aangeraden een andere opleiding te kiezen. Ik zou haar hierbij helpen. Ik trof een in mijn ogen knap meisje (kort strak truitje, leren broek, blote voeten), een vriend en vader. Alle drie waren ze al negatief en wantrouwend voordat het gesprek begon, omdat ze mij als verlengstuk van de opleiding zagen. Nu had  ik dit meisje liever al in haar eerste jaar in plaats van in het examenjaar gezien, maar ten eerste kon ik dat niet helpen en ik vond het ook terecht dat de school het alsnog aankaartte in plaats van passief toe te zien. Ik ging er dan ook bij het gesprek vol in en al snel bleek dat het meisje veel conflicten had waarbij de ander het altijd gedaan had. Op haar eigen bijdrage hieraan had zij maar nauwelijks zicht. Het werd geen fijn gesprek en maakte pijnlijk duidelijk dat haar gevoelswereld voor woonbegeleider of activiteitenbegeleider tekortschoot en dat ze zou moeten uitzien naar een alternatief. Opeens nodigde ze haar vriendje uit om bij haar op schoot te komen zitten waarna de twee vlak voor mijn neus gingen zoenen. Vader keek bij deze demonstratie weg en zelf keek ik maar gauw omlaag. Met mijn ervaring van nu was ik direct weggegaan, maar destijds ontbrak het mij aan die assertiviteit. Na een week lag er een klacht bij de decaan, zonder afschrift naar mij: ik zou naar haar borsten hebben zitten gluren.

Hiertegenover staan veel verhalen waaruit blijkt dat je als mannelijke adviseur wél warm kunt omgaan met jonge vrouwen, zonder angstig of krampachtig te gaan werken. Zo kan ik mij een eindgesprek herinneren bij ouders thuis in een sfeervolle kamer. Ik wilde een test bespreken van een achttienjarig meisje aan de hand van een resultatenformulier. Ze kwam naast mij zitten op de bank en schoof dicht tegen mij aan met de woorden: ‘Leuk naar de resultaten kijken.’ Ik voelde mij er niet gemakkelijk bij en vond het te intiem. Maar later fluisterde haar moeder (een huisarts, die mijn ongemak blijkbaar wel aanvoelde) mij in: ‘Laat haar maar, ze vindt je gewoon aardig en ze is blij met je hulp.’ Mij helpt het dat ik een prettige collega heb met wie ik altijd even op zo’n situatie kan terugkijken en die niet aarzelt wat terug te zeggen.

Het blijft al met al een lastig onderwerp. Laten we er vooral over in gesprek blijven met als inzet dat openheid van zaken het aantal vrouwelijke (en natuurlijk ook mannelijke) slachtoffers tot nul reduceert en dat hulpverleners professioneel hun werk kunnen doen zonder dat ze vormen van affectie bij de ander of zichzelf negeren en als een soort robot te werk gaan