Schurende kwesties: hoe faciliteren we een loopbaangerichte leeromgeving

In deel 1 van het drieluik ‘LOB: Hoe staat het ermee?’ schetste decaan en beleidsmedewerker Marc Drenth de situatie en de positie van LOB binnen het Nederlandse onderwijs aan de hand van drie recente onderzoeken en inventarisaties. Hij concludeert: het is zeker niet fantastisch. In dit tweede deel gaat Drenth in op schurende kwesties rondom de gewenste toekomst van LOB en de weg ernaar toe.

Op een paar ouderwetse eerstegraadsdocenten havo/vwo na, erkent bijna iedereen in het onderwijs het belang van LOB. Het verbaast mij dan ook steeds weer hoe fragiel LOB kan zijn in de handen van de politiek, hoe afhankelijk het is van een handjevol politici of zelfs een enkele politicus. Zo riep CDA-Kamerlid Michel Rog bij de invoering van Curriculum.nu dat persoonsvorming en LOB riekten naar staatspedagogiek. Vervolgens zijn de ontwikkelteams voor Persoonsvorming en LOB simpelweg geschrapt. Dat je persoonsvorming en LOB als staatspedagogiek bestempelt, zegt mij dat je de inhoud van deze termen niet begrijpt. Hoe kun je LOB en de ontwikkeling van jezelf in het worden tot de persoon die je zou willen zijn bestempelen als staatspedagogiek? Ieder individu is uniek en heeft dus ook andere kwaliteiten, wensen, normen en waarden. Maar, alle specialisten op het gebied van persoonsvorming, LOB en brede vaardigheden werden aan de zijlijn geparkeerd.

Prominenter in het curriculum

Het laat zich raden: nu de eerste fase van Curriculum. nu is afgerond, wordt er aanbevolen dat LOB een prominentere plek moet hebben en dat we het moeten borgen. De ambivalente houding van de overheid ten  aanzien van LOB tekent zich in optima forma in de oprichting van het Expertisepunt LOB. Deze organisatie werd voor veel geld opgetuigd, met als opdracht om LOB een betere en prominentere plek in het onderwijs te geven! Enerzijds worden ontwikkelteams voor persoonsvorming en LOB geschrapt en anderzijds komt er alsnog veel aandacht hiervoor. Gelukkig maar dat de roep om aandacht voor LOB een belangrijk advies is voor het vervolg van  Curriculum.nu dit keer.

Juist degenen om wie LOB uiteindelijk draait – de leerlingen – vragen om een actueel en betekenisvol curriculum met betere LOB. Zij willen geen standaard testjes, maar programma’s op maat, waarbij het gaat om ervaren, beleven en daarop reflecteren. Ze vragen om integratie met schoolvakken, het mentoraat en de echte wereld om de school heen. Wie zijn wij om hen te negeren? Nederlandse leerlingen blijken de minst gemotiveerde leerlingen van de hele wereld volgens onderzoek van het OESO. De LAKS monitor laat daarnaast zien dat een kwart van de leerlingen geen idee heeft waarom ze het curriculum moeten volgen en waartoe het leidt. We hebben leerlingen tot volgzame objecten gemaakt die de doorgeslagen toetscultuur aflopen. Andreas Schleicher, directeur van het OESO en maker van de bekende PISA-ranglijst die de kwaliteit van het onderwijs mondiaal rangschikt, verwoordt het treffend: ‘Onderwijs dreigt zijn relevantie te verliezen. Wanneer we niet oppassen, dan leiden we onze leerlingen op voor het verleden in plaats van de toekomst.’ Ook Pieter Lossie, voorzitter van het LAKS, doet een stevige duit in het zakje: ‘De jeugd heeft de toekomst, maar scholieren hebben het verleden.’

Aansluiten bij de belevingswereld

In de hoorzittingen met betrekking tot Curriculum. nu die in februari plaatsvonden, werd het probleem van ons onderwijs zichtbaar duidelijk. Twee soorten experts en onderzoekers rolden over elkaar heen om hun gelijk te behalen. Aan de ene kant experts die zeggen dat kennis de basis is en dat vaardigheden daaraan ondergeschikt zijn. Aan de andere kant de experts die uitgaan van ontwikkeling, vaardigheden en competenties. Toch zijn ze het vervolgens over veel zaken ook weer eens. Ze spreken over ‘backcasting’ en andere ingewikkelde termen, maar geen van allen formuleert de essentie van (de staat van het) onderwijs. Daarvoor hebben we een leerling nodig. In mijn ogen beschrijft Lossie het probleem het meest treffend tijdens een hoorzitting.

Lossie noemde in zijn metafoor voor het probleem in het onderwijs een school. In de buurt van die school werd een muziekwinkel geplaatst. Er komt echter geen enkele leerling in die muziekwinkel, omdat hij net te ver weg is en de weg erheen te lang en saai. De oplossing die wij in het onderwijs dan bedenken is om de collectie van de muziekwinkel te vergroten en de muziekwinkel uit te breiden. Maar daardoor komen er nog steeds geen leerlingen. We moeten de weg erheen aantrekkelijker maken en/of de winkel dichterbij de school halen. Dat kunnen we doen door de kennis beter te laten aansluiten bij de belevingswereld van de leerlingen en de relevantie daarvan in de praktijk te laten zien en ervaren. Als de route aantrekkelijker, korter en relevanter wordt, neemt de motivatie toe.

Loopbaangerichte leeromgeving

Een jaar geleden stelde Marinka Kuijpers in haar  artikel ‘Loopbaangericht opleiden: een cultuurverandering?’: ‘Welke school heeft ‘de leerling centraal’ niet in het beleid staan? Maar wat betekent dat? Vanuit loopbaanperspectief zouden we zeggen dat de ervaringen en keuzes van de leerling centraal staan. Dat wil zeggen dat ze in het onderwijs hun eigen ervaringen opdoen, daarop reflecteren en eigen keuzes maken en daarbij begeleiding krijgen. Zo kunnen ze leren kiezen en ‘loopbaankeuzecapaciteit’ opbouwen.

Uitgaan van de loopbaanontwikkeling van leerlingen vraagt om keuzes. Dit brengt dilemma’s met zich mee. Mensen in het onderwijs, van leerling tot minister, worden afgerekend op cijfers. Belangrijk is dan om te doen wat je al weet en wat je al kan kan om een goed cijfer te halen. Maar als je je wilt ontwikkelen, dan moet je juist iets doen wat je nog niet kunt, maar waar je wel nieuwsgierig naar bent. Het risico om slechte cijfers te halen, staat de ontwikkeling in de weg. Loopbaangericht opleiden is niet eenvoudig te realiseren en het vergt meer dan loopbaanlessen of instrumenten. Als je als school wilt inzetten op het leren kiezen in plaats van het laten kiezen van leerlingen, dan vraagt dat een duidelijke en gezamenlijke visie op LOB in school, die bijdraagt aan doorlopende groei van de loopbaancapaciteit van de leerling, over de grenzen van opleidingen en opleidingsjaren, werk en privé heen. Een loopbaangerichte leeromgeving is zo ingericht dat jongeren loopbaancompetenties kunnen ontwikkelen. Kenmerken van een loopbaangericht leeromgeving zijn:

1.  Praktijkgericht (ervaren)

2.  Dialogisch (kunnen praten over ervaringen en keuzes)

3.  Vraaggericht (oefenen om kleinere keuzes te maken)

Dat het moeilijk is zo’n loopbaangerichte leeromgeving neer te zetten, beschreef ik in het eerste deel van deze reeks. Het vraagt een heel andere basishouding: niet langer is het curriculum het uitgangspunt, maar de leerling. Dat lijkt logisch en vanzelfsprekend, maar in de realiteit is daaraan lastig vorm te geven. Gedragsverandering is moeilijk te realiseren, zeker voor docenten die al lang volgens een voor hen beproefd stramien werken en teamleiders en directeuren die niet goed weten hoe sturing te geven aan dit proces. Dit beeld krijg ik tijdens de werkbezoeken aan verschillende scholen in het land. Het vraagt bestuurlijke commitment om veranderingen duurzaam en betekenisvol te maken. Voor een goede uitvoering van je LOB-beleid, heb je in de eerste plaats een gedegen visie op LOB nodig. Onderzoek laat zien dat het van belang is dat de visie bekend is bij al het personeel. Hierin hebben directeuren en teamleiders een belangrijke rol: zij moeten betrokken zijn bij de ontwikkel- en implementatiefase van het LOB-beleid. Daarnaast is hun rol cruciaal in het nodige collectieve leerproces van de docenten. Dat is een van de belangrijke uitkomsten van het onderzoek van Anniek Draaisma, waarover ik in het eerste deel schreef.

De mentor

Een ander groot probleem waar bijna alle scholen tegenaan lopen, is dat de mentor niet goed in positie staat. Kijk eens eerlijk naar de situatie in je eigen school:

1.  Is er een duidelijk beleid voor mentoren/integrale leerlingbegeleiding?

2.  Heef de mentor een duidelijke taakomschrijving? Weet de mentor wat men van hem verwacht?

3.  Vindt er regelmatig professionalisering plaats op het gebied van bijvoorbeeld coachingsvaardigheden, loopbaangesprekken, LOB, de Meldcode, enz.?

4.  Is er een begeleidingstraject voor beginnende mentoren?

5.  En tot slot is er genoeg ruimte voor de mentor om ook daadwerkelijk met al zijn leerlingen loopbaangesprekken te voeren?

In de praktijk ken ik vrijwel geen enkele school die alle bovenstaande items of zelfs maar enkele daarvan op orde hebben. Het Technasium is een mooi voorbeeld dat goed laat zien hoe een loopbaangerichte leeromgeving eruit kan zien: een groep enthousiaste docenten die hiervoor gefaciliteerd worden en ook kunnen samenwerken met andere collega’s in hun regio. Elke regio heeft een coördinator en landelijk zijn er ook weer vele initiatieven om de ontwikkeling en uitvoering te verbeteren en zorg te dragen voor de borging.  Gelukkig zien we steeds meer aandacht binnen de politiek en bij de landelijke beleidsmakers voor draagvlak voor LOB en integrale leerlingbegeleiding. Uiteindelijk is het de bedoeling dat we steeds meer verschuiven van ’moetivatie’ naar ‘motivatie’ bij de leerlingen. Het is een kwestie van tijd tot de leerlingen krijgen wat ze in mijn ogen verdienen. Is het dan op korte termijn helemaal niet te doen? Zeker wel, in het laatste artikel lees je hoe jij een start kan maken met een loopbaangerichte leeromgeving, goede leerlingbegeleiding en een toekomstbestendige school.