Trainingen NVS-NVL Academie

Jongeren succesvol begeleiden naar hun optimale toekomst binnen de maatschappij van de toekomst. Wij geloven dat alleen professionele begeleiders hiertoe in staat zijn; begeleiders die blijven groeien in hun vak en in hun rol. Begeleiders die er gezamenlijk voor gaan om begeleiding steeds weer naar een hoger niveau te tillen. Met ons cursusaanbod helpen we begeleiders om constant het beste uit zichzelf, uit de school en uit hun leerlingen en studenten te halen.

Ons aanbod bestaat uit cursussen, trainingen, congressen en maatwerk voor begeleiders en begeleiding in het VO en MBO. Wij stimuleren onze achterban om een professional te worden en te blijven. Wij helpen individuele begeleiders, teams en zelfs hele scholen om van en met elkaar te leren.

Je kunt ook bij ons terecht voor cursussen, (online)trainingen, workshops, intervisie en coaching on the job. Bijna al ons aanbod kan ook op maat worden gemaakt voor jouw team, kring, SWV of de hele school. Meer info? Mail naar academie@nvs-nvl.nl


Mensen en hun talenten

De NVS-NVL heeft een nieuwe coördinator voor de Academie: Kristella Hak. Vanuit haar achtergrond, ervaring en belangstelling was deze functie voor haar een logische stap. Daarover vertelt ze in dit interview.

Per april is Kristella Hak de coördinator van de NVS-NVL Academie. Zij volgt Ellen Rozeman op, die de Academie in 2016 met veel enthousiasme opzette. Waarom solliciteerde ze op deze functie? Hak: ‘Onderwijs en het begeleiden van mensen vind ik interessant. Ik ben zelf bezig geweest met het maken, geven en coördineren van trainingen, ook op het gebied van loopbaanbegeleiding. Ik heb ervaring met HR in het bedrijfsleven. Ik wilde graag meer richting werk met een maatschappelijke betekenis, wat het onderwijs bij uitstek is. Er is nu, na de startjaren, veel te doen om de Academie verder uit te bouwen en af te stemmen met het aanbod van de Academie van de VvSL waarmee de NVS-NVL fuseert. 

‘Samen verder werken aan nieuwe ontwikkelingen’

Ik vind het ontzettend leuk om hier samen met anderen aan te werken. Ik ontmoet collega’s met zo veel kennis, ervaring en vooral passie voor loopbaanbegeleiding en het ondersteunen van leerlingen. Dat inspireert me enorm.’ Hiernaast werkt ze ook nog bij European Leadership University, een online universiteit waar ze samen met trainers programma’s maakt voor mensen in het bedrijfsleven. ‘Het gaat daar vooral over tech skills waar op de arbeidsmarkt te kort van is.’

Uitzoomen

Hak vertelt dat haar belangstelling uitgaat naar leren en onderwijs. ‘Terugkijkend zie ik dat ik steeds stappen maak op dat gebied, vooral richting talentontwikkeling. Ik vind het mooi om te zien als mensen ‘het beste uit zichzelf halen’. Mensen vind ik interessant, dat staat bij mij centraal.’ Na het vo ging ze Taal- en Cultuurstudies studeren. ‘Dat is een brede opleiding waarbij je voor een groot deel je eigen programma samenstelt, je kunt je in van alles ontwikkelen, dat past bij mijn nieuwsgierigheid en brede interesses.’ Als meisje wilde ze juf worden. Toch heeft ze niet voor werk in het onderwijs zelf gekozen. Daarover denkt ze even na. ‘Ik denk dat ik beter ben in kaders of voorwaarden maken voor anderen waarmee ze zelf verder kunnen. Ik zit liever aan het systeem dan in het systeem, beschouwend en uitzoomend. In een gesprek bijvoorbeeld doe ik mee, maar na een tijdje stap ik eruit en ga ik kijken, denken, analyseren: Wat doen we eigenlijk? Wat is er nodig? Hoe verder? En ook nog verder: Hoe zou het moeten zijn? Dus moet ik niet zelf in een klas aan de slag. Wel, zoals met deze baan, in de voorwaardenscheppende sfeer. Ik ben ook geen specialist, meer een generalist.‘

Samen verder

Er moet de komende tijd voor de Academie heel wat gebeuren. ‘Heel belangrijk natuurlijk: verder gaan met de positionering van alles op de scholen dat niet vakinhoudelijk is. Dus het begeleiden en ondersteunen van leerlingen op alle gebieden, loopbaanontwikkeling, passend onderwijs, keuzes maken. Hierbij helpen wij professionals in de scholen om dat te kunnen doen door ondersteuning en scholing te bieden. Dat ik zelf niet uit het onderwijs kom heeft ook voordelen. Die expertise is in beide verenigingen volop aanwezig en ik kijk daarnaar met een onbevangen blik.’ Als tweede benoemt Hak de fusie met de VvSL. ‘De twee academies van de verenigingen gaan samen verder, er is overlap, we moeten dingen afstemmen en samen verder werken aan nieuwe ontwikkelingen, passend bij de toekomst van het onderwijs. We gaan kijken hoe we dat gaan doen. Daarvoor gaan we op zoek naar een gezamenlijke identiteit.’

Weten wie je bent

Net als in het bedrijfsleven heeft het onderwijs te maken met een snel veranderende wereld. ‘Daar moeten we zo snel mogelijk op inspelen: Wat gebeurt er en wat komt er aan? Juist voor het onderwijs is dat essentieel,’ geeft Hak nadrukkelijk aan, ‘want daar zitten de mensen voor de toekomst. Je moet er vooral voor zorgen dat je wendbaar bent. Corona is een goed voorbeeld van de noodzaak om snel te kunnen veranderen en hoe belangrijk flexibiliteit is.’ Wat zijn volgens haar belangrijke skills voor de toekomst? ‘Skills benoemen voor de toekomst is moeilijk en een valkuil. Het belangrijkste is dat je kunt omgaan met veranderingen, daarin moet het onderwijs voorop lopen. Daar hoort veerkracht bij, dat heb je nodig als alles anders gaat dan je verwacht. In een omgeving waar veel gebeurt en verandert kun je verdrinken. Het is dan vooral belangrijk dat je uitgaat van jezelf en weet wat je wilt. Dus is het nodig om te leren wie je bent, wat je kan en wat je drijft. Dit alles als een basis voor jezelf, een zekerheid om te leven en werken in een voortdurend veranderende samenleving.’

‘Leren wie je bent, wat je kan en wat je drijft’

Kristella Hak

Hak vertelt nog even over haar inzet voor ‘AM Talent dat het maakt’, een community voor jong vrouwelijk talent in Nederland. ‘Dat doe ik naast het werk. We zetten ons in voor een gezondere en veiligere werkvloer voor vrouwen die daarin verder kunnen groeien. We willen er voor zorgen dat alle vrouwen volwaardig mee kunnen doen in de maatschappij en dat het bedrijfsleven hier een representatieve afspiegeling van is. Dat doen we onder andere met trainingen en netwerkbijeenkomsten. Dit onderwerp gaat ook over gelijke kansen voor jongeren en hoe je keuzes maakt in het leven, ook een LOB-onderwerp.’ 

Ze heeft het gevoel dat de functie van coördinator van de Academie bij haar past als persoon. ‘Ik ben dankbaar voor deze rol en het fijne team en kijk uit naar de komende periode. Zo wens ik dat ook voor anderen. Met dit werk zet ik me daar graag voor in.’


Durf te experimenteren

Hoe een innovatielab leerlingen voorbereidt op de toekomst

De afdeling PIE (Produceren, Instaleren en Energie) van het Pantarijn in Wageningen heeft als eerste in Nederland een Makeblock Innovation Space geopend. Een innovatielab met als doel om leerlingen beter voor te bereiden op de toekomstige arbeidsmarkt door ze de juiste 21e -eeuwse vaardigheden en kennis aan te bieden.

De Makeblock Innovatie Space is tot stand gekomen door een samenwerking tussen Makeblock, RSG Pantarijn en Techni Science. Hiermee kun je  binnen de doorlopende leerlijn een centrale plek creëren waar alle middelen voorhanden zijn om leerlingen met nieuwe en bestaande technologieën goed voor te bereiden op hun toekomst. De banen van nu vragen om andere vaardigheden en eigenschappen van de leerlingen dan we voorheen gewend waren. In de Makeblock Innovation Space krijgen leerlingen de mogelijkheid deze vaardigheden op te doen. Programmeren, robotica, lasersnijden, 3D printen en andere nieuwe technologieën worden op een laagdrempelige manier aangeboden. Joost Tax van RSG Pantarijn is docent techniek en de kartrekker van dit project. Ik heb met hem gesproken over het tot stand komen van de Makeblock Innovation Space. 

Wie is Joost Taks en wat heb je als kartrekker gedaan om dit project te realiseren?

Nou, ik moet eerlijk zeggen dat ik kartrekker ben, maar dat we het techniekonderwijs als team hebben vormgegeven. Elke schakel binnen ons team heeft zijn eigen kwaliteit. De laatste jaren hebben we een enorme ontwikkeling doorgemaakt op ons techniekplein. De laatste ontwikkeling is het supermooie nieuwe innovatielab, de eerste Makeblock Innovanion Space (MIS) van Europa. Drie jaar geleden zijn we begonnen om het techniekplein te reorganiseren. We startten met de werkplekken overzichtelijker in te richten, we hebben oude machines vervangen en nieuwe keuzevakken vormgegeven zoals domotica, automatisering en duurzame energie. Verder hebben we het gehele onderbouwprogramma op de schop gegooid en veranderd zodat het beter aansluit op het profielvak PIE en op de vernieuwde technologieën. Dit gaan we onder andere vormgeven in het innovatielab waar we ook basisscholen gaan ontvangen om de leerlingen kennis te laten maken met techniek. Kortom, we hebben veel aangepast met als doel het Techniekonderwijs binnen Pantarijn aantrekkelijk en kwalitatief te innoveren. 

Waarom zet jij je zo in voor vernieuwing in het onderwijs?

Door het sterk techniekonderwijs komen er middelen vrij, die je goed kunt gebruiken om meer mensen warm te maken voor techniek in de breedste zin. Om nu de jeugd te enthousiasmeren voor techniek, vind ik het belangrijk om met de nieuwe technieken mee te gaan. 

Hoe zet je de MIS in de praktijk in?

In de praktijk willen we de Innovation Space breed gaan inzetten. Er is een centrale plek gecreëerd waar alle middelen voorhanden zijn om leerlingen met nieuwe en bestaande technologieën goed voor te bereiden op hun toekomst. De banen van nu vragen om andere vaardigheden en eigenschappen van de leerlingen dan we voorheen gewend waren. In de Innovation Space krijgen leerlingen de mogelijkheid deze vaardigheden op te doen. Voor leerlingen die vanuit het po naar het vo gaan. werken we met een speciaal programma. De leerlingen van groep 8 krijgen hiervoor een uitnodiging en komen een middagje op locatie. Binnen het vmbo gaan we lessen verzorgen van klas 1 tot en met 4 en we gaan daarin ook de samenwerking aan met het mbo om voor een goede doorstroom te kunnen zorgen naar het mbo. 

Kun je wat meer vertellen over je ervaringen met de producten van Makeblock? 

Mijn eerste kennismaking met Makeblock was de M-Bot. Met deze robot maakten we kennis tijdens de ExPIErience 2019 van Platform PIE. We hebben er toen een aantal van aangeschaft om meer met robotica in de onderbouw te kunnen doen en ook leerlingen van het basisonderwijs hiermee in aanraking te laten komen. Gaandeweg hebben we onze plannen meer vorm gegeven en gingen we in gesprek met de directie om een innovatielab te creëren. Om het innovatielab ook een goede didactische invulling te kunnen geven, kwamen we in contact met Techni Science. Na een presentatie waren we verkocht en kwamen we met heel veel verschillende super gave producten in aanraking. 

STEAM-onderwijs verovert langzaam maar zeker een plek in de klas. STEAM is een afkorting van Science, Technology, Engineering, Art en Mathematics. Hoe belangrijk is voor jullie het STEAM-onderwijs en hoe pas je dat toe?

Laten we voorop stellen dat STEAM-onderwijs voor ons een nieuwe manier van werken is. En het is de perfecte manier om de huidige leerlingen te benaderen. Onderwijs en leerlingen veranderen continu. Zelf kom ik uit de generatie Y, maar de leerlingen van nu zijn van generatie Z. Daar zitten wezenlijke verschillen in. 

‘Leerlingen vinden hun antwoorden door te googelen’

Deze leerlingen vinden hun antwoorden door te googelen. Een groot verschil met vroeger is dat de leerlingen sneller afhaken als het ze niet interesseert. Daarom is het belangrijk dat leerlingen eigenaar worden van hun eigen leerproces door ontdekkend en ontwerpend te leren. Het mooie van deze manier van lesgeven is, dat het niet alleen voor techniek toepasbaar is. Je kunt STEAM bij alle vakken toepassen. Als docent moet je je onderwijs anders gaan organiseren en inrichten. Voor onze school zou ik dan ook graag zien dat we dit breed gaan inzetten. Zowel door middel van vakoverstijgend werken als STEAM inzetten bij andere vakken. Op het techniekplein zullen we met STEAM-onderwijs starten bij het aanbieden van wetenschap en technologieprogramma’s voor de basisscholen en klas 1 en 2 in het huidige geüpdatet programma. Wanneer dit draait gaan we het proberen door te voeren bij klas 3 en 4. 

Wat zijn je ambities rondom het vernieuwende onderwijs?

Door het vernieuwde onderwijs willen we meer leerlingen enthousiast maken voor techniek. Door een mooi programma neer te zetten voor de po-scholen en klas 1 tot en met 4 op het vmbo willen we zorgen dat er meer leerlingen gaan doorstromen naar het mbo binnen het techniekonderwijs. Verder hopen we dat we als school een voorbeeldfunctie mogen hebben voor de regio, waar andere scholen hun voordeel mee kunnen doen.


Zichtbare en onzichtbare zorgen van scholieren

Veerkrachtstraining voor jonge mantelzorgers

Voor jonge mantelzorgers is een veerkrachtstraining ontwikkeld. Deelnemers en trainers vertellen over de eerste ervaringen, dat is om te beginnen het belang van lotgenotencontact.

Scholieren die thuis een ziek familielid of een familielid met een verslaving of beperking hebben, maken zich vaak zorgen. Ook leveren zij dikwijls een bijdrage in de zorg voor hun zieke familielid of andere broertjes en zusjes. Vorig schooljaar deelden we in Bij de Les januari dat jongeren vooral het zorgen maken om een ziek familielid als zwaar ervaren. In Bij de Les april gaven we tips van experts over hoe je jonge mantelzorgers op school kunt ondersteunen, bijvoorbeeld door het thema bespreekbaar te maken tijdens een gastles of het toepassen van bestaande vormen van ondersteuning, zoals bij topsporters. In dit artikel beschrijven we de eerste ervaringen met een in co-creatie ontwikkelde veerkrachtstraining (ME-WE model: ·Mentaal-Welbevinden) voor jonge mantelzorgers. De training is getest op scholen en bij steunpunten mantelzorg. Trainers en deelnemende jonge mantelzorgers vertellen in dit artikel over hun ervaringen. 

‘Het staat gewoon niet op de agenda’

Zelfde schuitje

Eerste inzichten uit het onderzoek laten zien dat veel deelnemende jonge mantelzorgers het contact met andere jonge mantelzorgers erg waarderen. Door vergelijkbare situaties thuis was er begrip en herkenning: ‘Fijn dat ik nu weet dat er meer op school zijn die dezelfde zorgen hebben als ik heb’. Ook de trainers van scholen of steunpunten mantelzorg merkten op dat het ‘lotgenotencontact’ jongeren veel steun gaf: ‘Wat ik in het ME-WE-project met name zag is een soort lotgenotengroep waarin je gewoon je verhaal kwijt kan [...]. Ik merk dan bij die leerlingen dat ze daar heel veel aan hebben. Want ze geven ook heel duidelijk aan dat je met vrienden daar eigenlijk moeilijk over kunt praten omdat die niet snappen hoe het in elkaar steekt en in de trainingsgroep wel, dat hielp al heel erg.’ Dat dit contact digitaal doorging tijdens de lockdown waardeerden deelnemers ook: ‘Was fijn om in ieder geval mensen te spreken. Ook al is het niet face to face, je spreekt mensen die in het zelfde schuitje zitten en die begrijpen wat ik zeg.’

Inhoudelijk hebben jongeren bijvoorbeeld geleerd: ‘Een stukje verwerking, en hoe je dingen van je af kunt zetten. Het lukt nog niet altijd even goed, maar het zijn zeker dingen die ik vaker zal gebruiken.’ Ze ontdekken ook dat ze soms niets aan de situatie kunnen veranderen, maar wel hun gedachtes en gedrag kunnen aanpassen. Niet altijd hoeven te luisteren naar de kritische ‘adviseur stem’ en mogen ontdekken wat bij hun eigen waarden past: ‘Ik ben zelfverzekerder maar in huis zelf is er niks veranderd, alleen ik ben veranderd.’ Ook trainers deelden positieve ervaringen over het gedachtegoed van de training: ‘Het heeft mijn eigen denken beïnvloed en daardoor ook het contact met jonge mantelzorgers en zelfs met mijn eigen puberdochters.’

Vanzelfsprekend

Mantelzorg is nog geen vanzelfsprekend thema op school: ‘Het staat gewoon niet op de agenda’, aldus een trainer op school (zie Bij de Les april 2020). Veel onderwijsprofessionals weten niet dat ook jongeren zorgtaken kunnen hebben. Jonge mantelzorgers zien hun taken als vanzelfsprekend en vragen hier zelf geen aandacht voor. 

Meer bewustwording over het thema jonge mantelzorgers bij jongeren en onderwijsprofessionals was daarom de eerste stap in het onderzoek. Vaak bestond dit uit een thema-les (‘kick-off’) over mantelzorg. Het betrekken van (ex) jonge mantelzorgers hierbij is essentieel voor het aanslaan van de juiste toon en het vergroten van herkenning onder jongeren. Ook stil staan bij de diversiteit van verschillende situaties kan bijdragen aan herkenning volgens een trainer: ‘Bijvoorbeeld de zorgen voor een gehandicapte broer of zus, roepen andere associaties op dan een (psychisch) zieke of gehandicapte vader of moeder.’ 

De trainers vertelden dat de bewustwording van docenten en jongeren is vergroot na de kick-off’s, waardoor er meer over werd gepraat. Zo zegt een jongere: ‘Ik kon ineens zeggen dat mijn vader gehandicapt is, dat heb ik nog nooit aan iemand op school verteld.’ Ook docenten deelden hun eigen ervaringen met zorgen. ‘Wat ook hielp als gespreksstarter, was dat ik ook open was over mijn eigen rol als mantelzorger.’

Trainers geven aan dat als je het gesprek over zorgen start, veiligheid belangrijk is, zodat jonge mantelzorgers open durven zijn, ook over moeilijke aspecten van het zorgen. Wanneer een jongere het ergens niet over wil hebben, is dat oké. Als je bijvoorbeeld als mentor weet dat iemand een zorgsituatie thuis heeft, maar de leerling vertelt hier zelf niet over tijdens de les, benoem dit dan niet in de groep, maar spreek de leerling later individueel aan en stel de open vraag: ‘Hoe gaat het met je?’ 

Onder ogen zien

Er waren tijdens het onderzoek veel jongeren die aangaven jonge mantelzorger te zijn en interesse te hebben in de training, maar toch afhaakten. Een reden daarvoor is volgens trainers dat het onder ogen zien van dat je mantelzorger bent, al een hele stap is. Aan de slag gaan met deze rol kwam voor hen wellicht te snel. ‘Dat ze dan al gezegd hebben van: ‘Nou, ik ben mantelzorger’, is dan echt al een hele stap. Maar daarna doen we gewoon snel de deur weer dicht, want ‘Ik heb het druk’, ‘Ik heb toetsen’, ‘Ik heb geen tijd’, ‘Ja, maar eigenlijk komt het nu even niet uit’, ‘Ik wil niet dat klasgenoten of mijn ouders weten dat ik me zorgen maak’, allemaal verhalen en dan haken veel af.’

Sfeer

Het advies is ook om te investeren in een prettige, informele sfeer. De jonge mantelzorgers die de training wel volgden zeiden het persoonlijk contact met trainers te waarderen. Zoals de berichtjes die trainers tussen de trainingen via WhatsApp stuurden of de tasjes met trainingsmaterialen en wat lekkers die zij aan de deur hingen. Een goede onderlinge sfeer in de groep sprak hen ook erg aan. Dit werd gefaciliteerd door de trainers, door bijvoorbeeld een lekkere lunch/pizza te regelen. Zo vertelt een jongere: ‘Ik vond het persoonlijk prettig, want de groep was leuk en gezellig, maar ik heb ook dingen geleerd uit de training.’ 

‘Jonge mantelzorgers zijn niet zielig’

Zelf trainen

Hoe kun je zelf de training geven? Zoek als eerste de verbinding met het Steunpunt Mantelzorg in de regio. Zodat je ook na afronding van de training, of bij lastige situaties, ondersteuning kunt vragen. Trainers vertelden: ‘Als wij op school de training na afronding van het onderzoek weer gaan aanbieden, zullen we zeker gebruik maken van de kennis en mogelijkheden van het steunpunt met wie we nu goed contact hebben. Zij kunnen veel meer dan wij op het eilandje van de school, bijvoorbeeld een maatje koppelen.’Vervolgens worden toekomstige trainers opgeleid in het gedachtegoed van de DNA-V door een bekwame trainer. Daarnaast worden de trainers getraind in het herkennen van en samenwerken met jonge mantelzorgers. Zo vertelde een trainer: ‘Jonge mantelzorgers zijn niet zielig, maar die neiging had ik wel om dat te denken. Belangrijk is het focussen op de persoon en wat hij of zij nodig heeft om te kunnen groeien, in plaats van de zorgsituatie. Dat was voor mij wel een eyeopener.’ Tijdens de train-de-trainer wordt het boek ‘Ruimte om te groeien’ (Louise Hayes en Joseph Ciarrochiz) en de speciaal ontwikkelde trainershandleiding gebruikt. 

Na de train-de-trainer kunnen de nieuw getrainde trainers, in samenwerking met een (ex) jonge mantelzorger, de kick-off bijeenkomst geven en daarna de training geven aan jonge mantelzorgers. In de flyer ‘Veerkrachtstraining ME-WE voor jongeren die zorgen’ vind je alle praktische informatie over het ME-WE model in één overzicht.

Onderzoekers Renske Hoefman (Sociaal en Cultureel Planbureau) en Nynke de Jong (Vilans) deden onderzoek vanuit het programma Me-We. Onder andere naar hoe het zorgen invloed heeft op het leven van jonge mantelzorgers. Meer informatie: www.vilans.nl 

Wil je zelf een thema-les mantelzorg aanbieden, dan kun je kijken op: www.mantelzorg.nl. Of neem contact op met een steunpunt in de regio.

ME-WE project

Ervaringen van jongeren en trainers in dit artikel zijn afkomstig uit het ME-WE onderzoek (https://me-we.eu). Dit is een Europees onderzoek in zes landen naar het welbevinden van jonge mantelzorgers. In Nederland deden 27 jonge mantelzorgers in de leeftijd van 15 t/m 17 jaar mee in de studie naar de effectiviteit van het ME-WE model. Het ME-WE onderzoek wordt gefinancierd vanuit het Europese Horizon 2020 Research and Innovation-program, subsidienummer 754702.

Na afronding van het onderzoek en goedkeuring van het consortium, wordt het trainingsmateriaal beschikbaar gesteld voor trainers van steunpunten en scholen.

Ben je geïnteresseerd in de training; meld je aan via mewesupport@vilans.nl en we houden je op de hoogte wanneer en hoe de training beschikbaar wordt gesteld.


Meer mannen in de zorg

Wat kunnen we leren van mannen die werken in de ouderenzorg?

Sedik Kazemi

De ouderenzorg biedt ook mannen goede loopbaankansen. Meer mannelijke werknemers zou mogelijk ook goed zijn voor het imago van deze sector. In dit artikel zes lessen waarmee je mannen kunt motiveren om voor een opleiding in de zorg te kiezen.

De ouderenzorg is een grote, nog altijd groeiende en maatschappelijk relevante arbeidsmarkt. Volgens berekeningen van Actiz, de koepelorganisatie van ouderenzorginstellingen, waren tussen 2018 en 2022 specifiek in de verpleeghuissector 70.000 nieuwe zorgverleners nodig, en deze behoefte zet ook de komende jaren door. Dit maakt het werken in deze sector aantrekkelijk: niet zelden wordt aan werknemers die op latere leeftijd van elders de zorg instromen direct met een officiële opleiding een mogelijkheid tot omscholing aangeboden, met uitzicht op een vaste aanstelling. Graag brengen wij dit mooie carrièreperspectief ook bij decanen en Studie Loopbaan Begeleiders onder de aandacht. We hopen dat zij in het voortgezet onderwijs en de roc’s deze mogelijkheid vaker ook met mannen gaan bespreken. We gunnen jonge mannen de kans om serieus na te denken over een baan in de (ouderen)zorg; misschien ligt hier wel de droombaan die ze zelf niet zagen. En anders is er een zaadje geplant voor later, als ze op hun veertigste op zoek zijn naar een betekenisvolle baan. 

Over dit onderzoek

Sebastiaan Kool

‘Op het vmbo had ik nooit durven bekennen dat werken in de verpleging mij aantrok. Ik koos voor een duale mbo-opleiding in filiaalmanagement bij IKEA. Daar begon ik indertijd als karretjesverplaatser, maar later heb ik natuurlijk allerlei andere klussen mogen doen, te veel om op te noemen. Na zes en een half jaar IKEA was ik klaar voor een nieuwe uitdaging. Helaas vond ik de verpleegkunde toen nog steeds niet stoer en mannelijk. In retrospectief vind ik dat heel gek, want je moet behoorlijk je mannetje staan in de verpleging en het is eigenlijk juist heel stoer wat je allemaal kan.’
(Sebastiaan Kool, 32 jaar hbo)

Interviews met mannen

Het lectoraat ‘Verpleegkundige Intramurale Ouderenzorg’ van Hogeschool Leiden en zorgorganisatie Marente doet onderzoek in het werkveld van de ouderenzorg. In één van die onderzoeken hebben wij twintig mannen geïnterviewd die bij Marente werken. Dit heeft informatie opgeleverd waar duidelijk uit blijkt dat de ouderenzorg juist ook voor mannen goede loopbaankansen biedt. Meer mannelijke werknemers zou mogelijk ook goed zijn voor het imago van de sector. Volgens de Wet van Sullerot stijgt de status van een beroep naarmate er meer mannen in werken.

‘De ouderenzorg is onbetwist de zorgsector waar de komende jaren het meest zal gaan veranderen; de menselijke maat, het hoogstpersoonlijke, is voor medewerkers en cliënt essentieel en moet overeind blijven, terwijl ook macro-uitdagingen in de demografie, de arbeidsmarkt en de financiën opgelost moeten worden.’ (Anne (m) Leemhuis, econoom en bestuurslid bij Marente)

De twintig geïnterviewde mannen werken binnen Marente in de zorg, ook in leidinggevende, advise-rende of ondersteunende functies. Ook hebben we gezocht naar diversiteit in leeftijd, herkomst en opleidingsniveau. Er valt altijd iets bij te dragen in de ouderenzorg, wie je ook bent. Graag inspireren wij decanen, begeleiders en leerlingen met de zes belangrijkste lessen die we uit de interviews hebben getrokken. 

Les 1. Schooladvies aan mannen richting de zorg is nodig.

Wesley Erades

Driekwart van de twintig geïnterviewde mannen heeft een functie in de verzorging (niveau mbo-3) of verpleging (niveau mbo-4 of hbo). Niet één van deze mannen is op de middelbare school ooit geattendeerd op de richting ‘zorg en welzijn’. ‘Er moet voorlichting gegeven worden op de mavo en het roc over de ouderenzorg, als men wil bereiken dat ook jongens vaker voor deze tak van zorg gaan kiezen.’ (Wesley Erades, 28 jaar, Verzorgende) 

Les 2. Stoer: Jongens die voor de zorg durven te kiezen.

De mannen die op jonge leeftijd voor verzorging of verpleging in de ouderenzorg kiezen, doen dit vrijwel uitsluitend omdat hun moeder of een ander nabij familielid hen dit heeft aanbevolen. Op school moeten zij dan nog behoorlijk tegen de stroom in roeien. 

‘Toen ik op het mbo zat en een keuzevak mocht kiezen koos ik voor het vak ‘zorg en welzijn’. Mijn vrienden deden daar toen erg lacherig over. Ik werd niet echt gepest, maar ze vonden het gek, dat ik, de voetballer, als man in de zorg wilde gaan werken. Zelf kozen zij voor wiskunde of economie. Ik trok me daar niks van aan. Want als we ’s avonds uitgingen, dan bleek dat de meisjes het juist heel leuk vonden, als ik vertelde dat ik in de zorg ging werken. Meisjes beschouwen je dan als een zorgzame man en dat vinden ze kennelijk aantrekkelijk. Dat is een leuke bijkomstigheid!’ 

(Jesse van Waveren, 19 jaar, in opleiding tot Verzorgende IG)

Les 3. Wat je als man belangrijk vindt in je werk, kun je ook vinden in de zorg.

Mannen die op latere leeftijd de zorg instromen doen dat omdat ze uitgekeken zijn op hun eerdere beroep. Vaak gaat het om mannen die in een commerciële sector werkten en daar op een gegeven moment genoeg van krijgen: de arbeidstijden worden te zwaar, er is sprake van vergaande verzakelijking of het werk zelf is te eentonig. Voor anderen kan het salaris niet meer groeien of heerst een gebrek aan persoonlijke ontwikkelingsmogelijkheden. Overstappen naar de zorg geeft dan nieuwe inspiratie en voldoening. 

‘Tot september 2019 ben ik vrij succesvol geweest als supermarktmanager. Maar de laatste paar jaar voelde ik me niet meer op mijn plek in het beroep. Op een gegeven moment heb ik besloten te solliciteren op een baan in de zorgsector. Hier voelde ik mij onmiddellijk thuis. Wat mij in het verpleegkundige werk zo aanspreekt is dat je zowel snel moet kunnen handelen, invoelen, als nadenken. Het is dus een heel compleet vak.’ 

(Mark Nijssen, 42, in opleiding tot mbo verpleegkundige)

Les 4. Wanneer is de (ouderen)zorg geschikt voor een jonge man? 

Op de vraag wat de ouderenzorg aantrekkelijk maakt voor jonge mannen zijn de antwoorden duidelijk: zij worden er uiterst hartelijk welkom geheten; het werk is nooit saai, want elke bewoner is weer anders; er is sprake van creatief en afwisselend teamwork met bewoners met wie ze een veel langduriger relatie aangaan dan bijvoorbeeld met patiënten in een ziekenhuis. Daardoor kunnen ze echt verschil maken in het leven van de mensen. Ze waarderen het harde werken, ze voelen zich extra nuttig wanneer hun spierkracht nodig is; de onregelmatige werktijden leveren naast extra inkomen ook extra vrijheid op en niet zelden is het werk inhoudelijk veel uitdagender dan gedacht. 

‘Al mijn vrienden verklaarden me voor gek toen ik koos voor een baan in woonzorglocatie Jeroen in Noordwijk. ‘Hoe kun je met een koksdiploma nu gaan werken in een instelling waar men alleen stamppot eet?’ Maar ik heb vanuit Marente driemaal meegedaan aan een landelijke wedstrijd voor instellingskoks. Twee maal won ik de eerste prijs voor ‘Het beste menu in de zorg’. En twee jaar geleden heb ik met een collega in Marente een ‘Kookboek voor kleinschalige woon-groepen’ geschreven en geproduceerd.‘ 

(Jaco Groen, 46, voormalig kok en nu teamleider gastvrijheid)

Als zorgverlener in de ouderenzorg heb je bovendien relatief veel autonomie, vergeleken met arbeidsplaatsen waar de werkcultuur strak en hiërarchisch is. 

‘Ieder die tegen mij zegt ‘de ouderenzorg heeft geen uitdaging, het is alleen maar wassen’, die nodig ik uit eens met mij te komen meelopen. De ouderenzorg is na 2015 echt veel complexer geworden! De mensen komen in een veel slechtere toestand binnen en je moet dus heel veel moeilijke verpleegtechnische handelingen verrichten en veel mensenkennis hebben om hier goed te kunnen functioneren. De ouderenzorg van 2021 kan met de zorg in ziekenhuizen wedijveren.’

(Sedik Kazemi, 28 jaar, verpleegkundige)

Ook voor de mannen in adviserende of leidinggevende beroepen bleek het vooral de maatschappelijke relevantie van de ouderenzorg die de doorslag gaf bij hun keuze. 

Les 5. Als je als man in een omgeving werkt met veel vrouwen, ben je extra waardevol‘.

‘Iedereen was dolblij met mij: ‘Gelukkig! Wéér een man erbij.’ Een qua sekse gemengd team pakt in de zorg dan ook inderdaad goed uit: niet alleen worden de gespreksonderwerpen diverser, de bewoners kunnen ook kiezen door wie ze geholpen willen worden. Ook kunnen ze iemand weigeren. Zo zijn er op mijn afdeling twee bewoners die perse niet aangeraakt willen worden door een man. Terwijl sommige andere mannen juist veel liever met een man willen praten dan met een vrouw. Dat kan allemaal als je een gemengd team hebt’. 

(Mike van der Sanden, 19, leerling verpleegkundige)

Zoals deze quote van Mike laat zien verandert de aanwezigheid van mannen in zorgteams de zorg. Voor mannelijke ouderen is het fijn om ook met mannen te kunnen praten, er is dan ‘andere gespreksstof’. Volgens anderen brengen mannen meer nuchterheid in een team, denken ze vaker ‘out-of-the-box’, nemen ze meer risico of proberen ze eerder nieuwe dingen uit. 

Les 6. Mannelijke rolmodellen.

Tot slot willen we nog het belang benadrukken van mannelijke ‘rolmodellen’ in de zorg. Veel interviews die wij hebben afgenomen zijn door Marente al op haar website geplaatst met een foto, in de hoop weer andere mannen aan te trekken. Dit lijkt vruchten af te werpen. In 2020 konden 52 nieuwe mannen worden aangesteld, tegenover 40 in 2019. Een groei van 25%. 

De auteurs zijn verbonden aan het Lectoraat Verpleegkundige Intramurale Ouderenzorg, Hogeschool Leiden en Marente. Zie: werkenbijmarente.nl/mannen 


Wat wil de loopbaanbegeleider?

Hoe is de kwaliteit van loopbaanbegeleiding te verbeteren?

Euroguidance deed een onderzoek naar de ervaringen en behoeften van tweedelijns loopbaanadviseurs. Wat leverde dat op?

Loopbaanbegeleiding is een steeds belangrijker thema binnen onderwijs en arbeidsmarkt. De kwaliteit van loopbaanbegeleiding hangt voor een groot deel af van de competenties van loopbaanprofessionals in de organisatie. Als nationaal kennispunt voor loopbaanbegeleiding vanuit de EU stimuleert, versterkt en verdiept Euroguidance onder andere de professionalisering van loopbaanbegeleiding in Nederland. Euroguidance heeft in 2014 een start gemaakt met een verkenning naar opleidingen voor (toekomstige) loopbaanprofessionals. In 2017 verscheen het servicedocument ‘Raamwerk voor loopbaanbegeleiding jongeren’ waarin de taken en deskundigheid beschreven zijn voor de verschillende rollen binnen LOB in het voortgezet onderwijs en mbo. In dit artikel gaan we in op de ervaringen en behoeften van tweedelijns loopbaanbegeleiders als het gaat om die taken en deskundigheid.

‘Loopbaanbegeleiding heeft een flinke flow gemaakt’

Volgens het raamwerk zijn er drie verschillende rollen: mentor/slb’er (eerstelijns); decaan/SLB-coördinator (tweedelijns) en stafmedewerker/manager (derdelijns). De taken en deskundigheid worden in het raamwerk per rol aan de hand van vier categorieën omschreven: oriëntatie en begeleiding, visie en beleid, organiseren en samenwerking. Deze taken en deskundigheid zijn een richtlijn en hebben geen verplicht karakter: het raamwerk is een groeimodel. Voor de ontwikkeling van het raamwerk maakte Euroguidance gebruik van bestaande raamwerken en competentieoverzichten uit Nederland en Europa. Een eerdere verkenning van Euroguidance richtte zich op de rol en competenties van startende docenten als eerstelijns loopbaanbegeleiders. Hieruit bleek dat de respondenten vanuit hun opleiding weinig tot niet zijn toegerust om de rol als mentor/slb’er uit te voeren. Als vervolg richtte deze verkenning zich op de tweedelijns loopbaanbegeleiders in het voortgezet onderwijs en mbo. 

Methode

Voor het onderzoek zijn zeven gesprekken gevoerd met tweedelijns loopbaanbegeleiders. Met behulp van NVS-NVL zijn deze respondenten geworven. Drie respondenten werkten in het voortgezet onderwijs en vier op het mbo. Deze beperkte steekproef geeft voldoende informatie om de antwoorden met elkaar te vergelijken en een beeld te geven van de behoeften en ervaringen van tweedelijns loopbaanbegeleiders.

Ervaringen

Op de vraag wat de respondenten van hun rol als tweedelijns loopbaanbegeleiders vinden, werd door iedereen uitermate positief gereageerd: ‘fantastisch, geweldig, interessant, het mooiste en leukste baantje van de school’. Iedereen benoemde het begeleiden van jongeren als hun belangrijkste taak. En dan met name de specifieke begeleiding: jongeren die vastlopen of een concrete loopbaanvraag hebben. De jongeren staan centraal bij loopbaanbegeleiding. Zij worden begeleid, zodat ze loopbaancompetent worden.

Professionalisering

De tweedelijns loopbaanbegeleiders die al langer in het vak zaten, ervaren de laatste jaren een sterke groei van hun vak: ‘Loopbaanbegeleiding heeft een flinke flow gemaakt, waardoor het nu een stuk professioneler gaat’. Hun rol wordt nu echt als een functie gezien en niet als een taak die ze er even naast doen. Bijna alle respondenten hebben dan ook een relevante vooropleiding gedaan en zijn sterk gemotiveerd om zich te blijven bijscholen. Om goede loopbaanbegeleiding te bewerkstelligen heeft de huidige vorm van loopbaanbegeleiding op de scholen volgens de respondenten nog wel verbetering nodig. Volgens hen is een integrale aanpak nodig. Een omgeving waarin de jongere steeds wordt uitgedaagd om zichzelf te leren kennen, leert te reflecteren op zijn ervaringen en van daaruit vervolgstappen voor de toekomst neemt. Wanneer docenten zich bewust zijn van het belang van zo’n omgeving, kan de omgeving steviger worden ingericht en kunnen jongeren effectiever leren en betere keuzes maken. Om dat te bereiken is het volgens de respondenten belangrijk om beleid te verbeteren: schoolbeleid en nationaal beleid. Met richtlijnen vanuit de overheid en het scheppen van duidelijkheid in school over loopbaanbegeleiding en de verschillende rollen daarbij. Kwaliteitscertificering van tweedelijns loopbaanbegeleiders is hier een voorbeeld van, hier is nu geen standaard voor. Met gerichter beleid is de kwaliteit van loopbaanbegeleiding niet meer afhankelijk van individuele docenten. Een ander genoemd verbeterpunt is het opnemen van loopbaanbegeleiding in de docentenopleiding: ‘loopbaanbegeleiding is immers een vak en niet zomaar een docententaak’.

Taken

Het raamwerk is in deze verkenning gebruikt om na te gaan welke taken de tweedelijns loopbaanbegeleider herkent en uitvoert. Het kan daarbij een bewuste keuze zijn om een taak niet op te pakken. De respondenten herkenden veel uit de categorieën van het raamwerk, voelden zich ook competent voor de uitvoering ervan en waren hier ook op voorbereid door afgeronde opleidingen of cursussen. Vooral over de taakbeschrijving onder de pijler ‘oriëntatie en begeleiding’, het bieden van specifieke hulp aan de jongeren, waren de respondenten gelijkgezind: ze benoemden dit als hun belangrijkste taak. De taken rondom ‘visie en beleid’ zagen de respondenten als belangrijk, maar wel iets wat ze naar zich toe moeten trekken. Deze taken worden vooral opgepakt door respondenten die ook een andere rol binnen het onderwijs hebben, zoals beleidsmedewerker, ambassadeur of lid van een werkgroep. Bij de taken rondom ‘organiseren’ noemden alle respondenten dat ze voor het organiseren van deskundigheidsbevordering meer tijd willen hebben. Meerdere malen werd genoemd dat het management van de school dit veelal tegenhoudt. Vaak komt dit omdat het management geen duidelijk beeld heeft van wat loopbaanbegeleiding inhoudt en de focus op een ander gebied van de school heeft liggen. De respondenten waren tenslotte zeer verdeeld over hun taken omtrent ‘samenwerking’, denk daarbij aan samenwerkingen met externe partners voor stage, instroom of uitstroom. Ze vonden het niet altijd een taak die bij tweedelijns loopbaanbegeleiders moet liggen. Dit hing mede af van de onderwijsinstelling en het onderwijsniveau. Zo wordt op havo-vwo weinig contact onderhouden met stagebedrijven, omdat daar minder stage is. Daarnaast zijn intakes en stagebegeleiding ook verschillend georganiseerd per school, dus niet altijd door loopbaanbegeleiders. 

Conclusie

In tegenstelling tot de startende eerstelijns loopbaanbegeleiders, waarnaar is gekeken in een eerdere verkenning, blijkt uit de resultaten van deze verkenning dat de bevraagde tweedelijns loopbaanbegeleiders goed zijn toegerust om loopbaanbegeleiding te geven en organiseren. De rol en de competenties sluiten grotendeels aan bij het raamwerk. Wanneer dit niet het geval is, komt dit doorgaans door de verschillen tussen onderwijsniveaus of omdat de taak elders binnen de school ligt. De resultaten wijzen er ook op dat de bevraagde tweedelijns loopbaanbegeleiders een duidelijke LOB-visie hebben en dat zij hier ook voldoende richting aan geven binnen hun school. Ze zijn wel kritisch over de huidige vorm van loopbaanbegeleiding. Ze hebben behoeften aan verbeteringen op beleidsniveau, opleidingsniveau en van bewustwording bij docenten. Dit zal de kwaliteit van loopbaanbegeleiding bij hen op school en door heel Nederland ten goede komen.

Meer lezen? Zie: raamwerklob.nl


Voorziening Vroegtijdig Aanmelden mbo

Wat moeten decanen weten over de VVA?

In betrekkelijke stilte maakt het aanmeldproces van het vo naar het mbo en de monitoring van de overstap een ingrijpende verandering door. In dit artikel in een notendop waar dat op neerkomt.

Het aanmelden voor een mbo-opleiding is voortaan centraal geregeld. Leerlingen melden zich voor een mbo-opleiding aan via hun DigiD op een hiervoor ontwikkelde app. Via dezelfde app kunnen zij hun aanmelding volgen, wijzigen of verwijderen. Dit heet het Centraal Aanmelden (CA). Op deze manier zijn leerlingen die zich voor 1 april (dit jaar 1 mei) aanmelden, verzekerd van een plekje op een onderwijsinstelling.

Voor de monitoring van de overstap zijn koppelpunten (gemeente, vo en mbo) ingericht die met elkaar communiceren, de zogenaamde Voorziening Vroegtijdig Aanmelden (VVA). De landelijke monitoring is een logisch gevolg van de Wet vroegtijdig aanmelden en toelatingsrecht tot het mbo, waarmee de status van de aanmelding een juridische grondslag krijgt.

Per september 2020 is het voor het voortgezet onderwijs (vmbo, pro, vso en vavo) verplicht om potentiële mbo-gangers berichten via de VVA (koppelpunt vo) te versturen in het Leerling Administratie Systeem (LAS) van de school. Het koppelpunt voor het voortgezet onderwijs (vmbo, pro, vso en vavo) is per september 2020 operationeel geworden en elke school heeft de oproep ontvangen om deze voor 1 februari gekoppeld te hebben aan het Leerling Administratie Systeem (LAS), zodat de gegevensuitwisseling tot stand komt. 

De mbo-instellingen zijn verplicht om de aanmelding van leerlingen door te geven aan de gemeenten en het voortgezet onderwijs. Zo maakt de VVA het mogelijk om in het LAS de voortgang van het aanmeldproces te monitoren. 

Maar, wat betekent dit voor de decanen in de uitvoering van hun werk?

Vragen

De NVS-NVL organiseerde onlangs hierover een overleg met daarin betrokken partners, zoals de vo-raad, MBO Raad, OCW, Kennisnet en een aantal decanen, schoolleiders en vsv-coördinatoren. Als decaan, vsv-coördinator en kringvoorzitter, mocht ik hierin participeren. Tijdens het gesprek constateerden we onder andere het volgende:

• Er waren op dat moment nog weinig v(s)o-scholen die hun LAS hadden ingericht op het koppelpunt vo.

• In principe is de VVA een administratieve voorziening die eerder een taak is voor bijvoorbeeld een leerlingadministratie. Wat moet en kan een decaan ermee?

• Gaat dit een vervanger worden voor monitoring systemen zoals Intergrip? Wat betekent dit voor de begeleiding van de leerling als deze alleen nog beperkt gemonitord kan worden in het LAS?

• Wat is nog het nut en noodzaak van een Digitaal Doorstroomdossier? Hoe borgen we de overdracht van kwetsbare leerling wanneer deze geen of beperkte plek krijgt in een aanmeldproces?

• Het koppelpunt voorziet niet in eenregionale sturing op vsv.

• Wat te doen met havo-leerlingen, zakkers en tussentijdse uitstromers die niet gemonitord worden in het systeem?

Dubbel werk?

Voor decanen is het heel fijn om via één systeem, bijvoorbeeld Intergrip, de opleidingskeuze van de leerling en de status daarvan te kunnen volgen. Hiermee is zichtbaar welke leerlingen zich nog moeten aanmelden voor 1 april. 

Het aansturen van mentoren, ouders en uiteraard de leerling zelf is daarbij belangrijk. Decanen krijgen het gevoel dat er met de VVA een dubbel monitoringsysteem ontstaat. Voor het mbo is deze wet leidend en zij zal zich minder met Intergrip bezig houden, terwijl het vo met deze voorziening niet meer de hele groep overstappers in beeld heeft zoals zij gewend waren. Bijvoorbeeld een havo leerling die zich aan gaat melden op het mbo, wordt door de decaan handmatig toegevoegd in Intergrip, maar wordt niet gemonitord in de VVA. Krijgen de vo-scholen een melding over leerlingen die zich nog niet hebben aangemeld? Kan het vo zien voor welke opleiding en welk niveau de leerling is aangemeld? Veroorzaakt de VVA dubbel werk, lijkt het overzicht te verdwijnen? 

Op de agenda

Als vsv-coördinator zie ik deze vragen ook in onze regio. Diverse mbo’s onderzoeken hoe zij hun aanmeldproces inrichten op het CA en de VVA en zijn zoekende hoe het doorstroomdossier daarin een plek gaat krijgen (of niet?) en hoe de warme overdracht van kwetsbare overstappers plaatsvindt. Hoewel dit ondersteunende processen zijn van de aanmelding en toelating, valt het mij op dat er nog weinig afstemming plaatsvindt tussen vo en mbo en partijen onvoldoende noodzaak lijken te voelen om hierin samen op te trekken. Daarnaast is het belang van eenduidige regionale afstemming op de monitoring van vsv essentieel om zicht te houden op vsv en de overstap van kwetsbare overstappers. Deze twee constateringen moeten een aanmoediging zijn om met elkaar in gesprek te gaan hoe zo optimaal mogelijk gebruik kan worden gemaakt van beide tools. Ik wil met dit artikel decanen en decanenkringen oproepen dit punt hoog op de agenda te zetten om te komen tot regionale afstemming tussen het vo en het mbo, met een duidelijke agenda op vsv, de waarborg van de warme overdracht van kwetsbare overstappers en een visie op een overdrachtsdossier in de vorm van een DDD of bijvoorbeeld een loopbaandossier. Hoe mooi is het als we door gezamenlijk op te trekken iedere leerling kunnen begeleiden naar de juiste plek?

Simone Slagboom

Simone Slagboom is al jarenlang decaan van een vmbo-school in Eindhoven. Daarnaast is zij kringvoorzitter van de vmbo-decanen in de regio Eindhoven en sinds twee jaar werkzaam als doorstroomcoördinator vsv, waarbij zij alle vo-leerlingen monitort in de overstap naar het mbo. In de regio Eindhoven is zij betrokken bij Naardejuisteplek.nl, een website die als vindplaats fungeert om alle partijen die betrokken zijn bij de overstap van een jongere, aan elkaar te verbinden. 

Simone is lid van de ledenraad van de NVS-NVL en daarnaast verzorgt ze af en toe trainingen en workshops

Relatie met LOB?

‘Waar kan ik vinden hoe het met mijn aanmelding staat?’ Elke decaan zal deze vraag met enige regelmaat krijgen. Leerlingen vergeten soms op hun e-mail te kijken of ze al een bericht hebben gekregen van het mbo. Met de app kunnen ze straks eenvoudig hun aanmelding doen, volgen of ook weer verwijderen. Toch hoop ik dat leerlingen net zo vaak mijn kantoor blijven binnenlopen met deze vraag. Het is altijd een aanknopingspunt om over hun keuze te praten. Hoe zeker ben je van je keuze? Hoe heb je je georiënteerd? Dicht op het aanmeldproces zitten van de leerling zie ik als een belangrijk onderdeel van het LOB-proces. Ik ben dan ook benieuwd hoe decanen de huidige ontwikkelingen zien in relatie tot LOB. Reageren kan via een bericht naar de redactie.

Meer informatie over de VVA, zie: support.kennisnet.org/display/FAQ/VVA en nvs-nvl.nl/publicaties/nieuws/voorziening-vroegtijdig-aanmelden-vva


Leren van collega’s

Tijdens de vervolgcursus decanaat

Waarom meldde je je aan voor de tweedaagse vervolgcursus decanaat? En hoe beviel je dat? Daarover, en over hoe het is om decaan of LOB-coördinator te zijn, vertellen twee deelnemers van verschillende scholen.

Teunis Jan Visser is sinds anderhalf jaar decaan havo bij Visser ’t Hoofd Lyceum in Leiden. Voor hij de overstap maakte naar het onderwijs, werkte hij bij een milieuorganisatie, de overheid en het opbouwwerk. Na tien jaar wilde hij wat anders en hij solliciteerde bij het onderwijs voor invalwerk als docent. Visser: ‘In het gesprek kwam mijn onderwijservaring ter sprake. Dat was voorleesvader op de basisschool. Ik werd aangenomen.’ Hij begon voor drie maanden als docent wiskunde. Hij had scheikunde gestudeerd en behaalde daarmee zijn eerste graad bevoegdheid. Na twintig jaar docentschap wilde hij nog eens een switch, leuk om nog een keer wat anders te doen. Dat werd het decanaat. Het bevalt hem. Visser houdt vooral van de motiverende kant van het werk. ‘Het leukst vind ik om met leerlingen, en soms de ouders erbij, te praten als ze niet weten hoe ze verder moeten met kiezen. En ze dan aan het werk zetten, te motiveren om in actie te komen, zelf verder te gaan en zien dat ze dan tevreden zijn. De administratieve kant vind ik het minst. Heel precies de gekozen vakkenpakketten invoeren bijvoorbeeld, en de veranderingen die er daarna zijn. Dat moet allemaal wel heel zorgvuldig.’

Draagvlak vergroten

Visser meldde zich na de basiscursus decanaat aan voor de vervolgcursus. ‘Een reden was dat bij ons op school LOB niet zo’n flink draagvlak heeft. Ik ben de tweede lijn, dus ben je voor de uitvoering afhankelijk van je collega’s, de mentoren. Het is best lastig om ze voor LOB te motiveren. ‘Hoe kan ik het draagvlak vergroten?’ is dus mijn vraag. Een tweede reden is het feit dat ik als decaan een beginneling ben. Ik wil heel graag de ervaringen van anderen horen. In de praktijk heb ik ook wat aan de ervaren collega’s van onze decanenkring die twee keer per jaar bij elkaar komt. Een mooi praktijkvoorbeeld hoorde ik laatst ook van de Hogeschool Utrecht. De leerlingen komen daar binnen met een LOB-CV, gemaakt op hun reguliere school. Daar gaan ze tijdens hun hbo-opleiding mee verder. Zo’n doorlopende lijn zou ook wat voor hier zijn. Een goed instrument voor de komende tijd.’ Visser noemt nog een kleine derde reden: ‘Het is met dit werk moeilijk om je persoonlijke kwaliteiten te meten. Dat kan als docent wat meer, bijvoorbeeld door naar je eindexamenresultaten te kijken. Tip tijdens de cursus was om in de Vensters voor Verantwoording vragen op te nemen over het onderwerp LOB op school en dat door verschillende partijen laten invullen. Als duidelijk is dat er wat mee moet, dan is het een verantwoordelijkheid voor de hele school en moet iedereen er wat mee.’

‘Hoe doe jij dat?’

Vooral het kijkje in de keuken van anderen vindt Visser dus belangrijk tijdens de cursus. Visser: ‘De ervaringen van anderen dragen bij aan mijn kennisontwikkeling. De tweede cursusdag was online. Vier uur achter een scherm zitten is wel vermoeiend. Maar, tot het eind bleef je geconcentreerd bezig, het bleef boeien. We deden tijdens de cursus opdrachten in wisselende groepjes. Steeds komt daar de vraag ‘Hoe doe jij dat nou? ‘ aan te pas. Dat is voor mij het belangrijkste aspect van de cursus.’ Visser vertelt over het verbreden van draagvlak voor LOB. ‘Zet bijvoorbeeld een ouderklankbordgroep op. Daarin vraag je ouders om mee te denken over LOB-activiteiten voor hun jongeren. Een mooie tip vond ik ook die voor het onderwerp ‘draagvlak bij mentoren (‘Nou dat weer, we hebben het al zo druk!’)’. Dat ging over het uitwisselen van goede ervaringen. Bespreek met de groep mentoren wat zij zoal doen aan keuzebegeleiding. Je hebt mentoren die dat al tien jaar zijn en in van alles op dat vlak ervaring hebben. Zo krijgen ze niet het gevoel weer wat extra’s te moeten, wel dat er in de praktijk al heel veel is. En dat is ook zo.’ Wat kan in de cursus beter? ‘Ik heb in geen jaren meer een cursus gedaan, geen behoefte aan’, zegt Visser. ‘Ik was zeer tevreden. En ik bén kritisch.’

Lydia de Winter is nu ongeveer vier jaar LOB-coördinator bij vmbo C.T. Stork College in Hengelo. Ze begon in een projectgroep LOB op een kleine locatie. Inmiddels is de school samengegaan met andere scholen. In de nieuwe grote scholengemeenschap is al veel gebeurd op het gebied van LOB. Er ligt een programma voor een doorlopende leerlijn LOB vanaf klas één tot en met vier en een zelfgemaakte methode: het Stork Loopbaan Kompas. De Winter: ‘We hadden een digitale methode, dat beviel niet. Leerlingen zaten te veel alleen achter een computer werkjes in te vullen, zonder echt over zichzelf na te denken en ze raakten het overzicht kwijt. We werken nu met een boekje in de klas onder begeleiding van de mentor als coach. De LOB-activiteiten zelf voeren de leerlingen zoveel mogelijk uit buiten de school.’ 

Liever het vmbo

De Winter vertelt over haar keuze om LOB-coördinator te worden: ‘Aandacht voor nadenken over jezelf en begeleiding bij kiezen mistte ik zelf als leerling. Bovendien komt bij dit werk mijn achtergrond als secretaresse goed van pas: allerlei activiteiten organiseren en coördineren. Dat je zelf ook docent bent is een voordeel, je weet wat er speelt.’ Toen ze als secretaresse bij een business school werkte, raakte ze geïnspireerd door de aandacht voor persoonlijke ontwikkeling op die school. Ze merkte een behoefte aan meer zinvol bezig zijn, iets van betekenis voor de maatschappij. Op haar vijfendertigste ging ze naar de pabo. Ze ontdekte tijdens een vmbo-stage dat ze het werken met pubers leuker vond dan met basisschoolleerlingen. Ze besloot op het vmbo te blijven en haalde op haar eenenveertigste haar onderwijsbevoegdheid Nederlands. ‘Ik ga vooral graag in gesprek met de jongeren. LOB-coördinator worden was voor mij een logische volgende stap gezien mijn belangstelling en ervaring.’ 

Voor het eerst coach

De cursus vindt ze vooral zinvol vanwege de ervaringen en tips die je van andere scholen en de cursusbegeleiders meekrijgt. ‘LOB is flink in ontwikkeling, anderen horen vertellen over hoe zij het doen is waardevol. Je hoeft ook niet zelf het wiel uit te vinden. Allerlei onderwerpen komen langs: een doorlopende leerlijn opzetten, hoe zorg je voor borging, hoe motiveer je mentoren.’ De Winter vertelt dat zij nu op school pas met de zelfgemaakte methode werken. ‘De meeste mentoren stappen voor het eerst in de rol van coach, dat kan niet iedereen zomaar. Het is belangrijk om collega’s hierbij te begeleiden. Wat leerlingen vooral lastig vinden is reflecteren op wat ze hebben gedaan, bijvoorbeeld na een bedrijfsbezoek je afvragen wat dat voor jou heeft betekend. Dus begeleiden we mentoren bij het voeren van een reflectiegesprek en hoe je een leerling stimuleert zelf initiatief te nemen en vanuit persoonlijke motivatie aan de slag te gaan.’ 

Docent gestuurd

‘We sturen nog zelf veel. Beter is om te werken vanuit de vraag van de leerlingen en de ouders’, merkt De Winter op. ‘De ideeën van andere collega’s en de ervaringen op andere scholen helpen je hierbij verder. Bijvoorbeeld keuzes voor opdrachten en activiteiten samen met de ouders en leerlingen doen, zo stem je af waar zij zelf behoefte aan hebben. Het onderwijs is vanuit traditie docent gestuurd en moet voldoen aan wetgeving. Juist bij LOB moet je van de leerling en z’n ouders uitgaan, dat is een soort tegenstelling in het onderwijs. Maar het kan wel. Door de vragen die er zijn bij ze neer te leggen en uit te gaan van wat zij belangrijk vinden. Dan ontstaat er ook meer motivatie bij de leerling om met zichzelf aan de slag te gaan.’

De Winter had tijdens de cursus graag wat meer aandacht gehad voor het uitdiepen van een doorlopende LOB-lijn vanuit het basisonderwijs naar het vmbo en van het vmbo naar het mbo. ‘Maar, de tijd is te kort om overal op in te gaan. We hebben als groep met elkaar afgesproken om in het voorjaar bij elkaar te komen. Je zit na die twee dagen zo boordevol ideeën, dat je daar behoefte aan hebt. Benieuwd naar hoe iedereen verder is gegaan in z’n eigen proces.’


Wat had je willen weten voordat...

Medewerkers RSG Pantarijn kijken terug op hun loopbaan

Wat had je willen weten voordat je aan deze functie begon? Redacteur Marjolein van Breda-Souman stelde deze vraag aan een aantal collega’s van vmbo Pantarijn in Wageningen.

Kregen wij vroeger niet allemaal de vraag gesteld: ‘Wat wil je later worden als je groot bent?’ Als ik dan zei dat ik zuster wilde worden vroeg nooit iemand: ‘Waarom’ of  ‘Wat weet je daar al van?’ Ik betrap mezelf erop dat ik het nu ook regelmatig aan leerlingen vraag. De ene leerling heeft daar meteen een overtuigend antwoord op, de ander is nog aan het twijfelen. Als ik doorvraag naar het waarom en wat weet je nu al van dat beroep, dan krijg ik vaak dezelfde antwoorden: ‘Lijkt me wel leuk’ of ‘Daar kan ik veel geld mee verdienen’. Als ik terugkijk naar mijn eigen beroepskeuze en de switch die ik gemaakt heb (van gezondheidszorg naar onderwijs), had ik graag meer willen weten over wat het beroep inhield.  Voor mijn werk als zorgcoördinator op een vmbo-school geldt, dat ik meer had willen weten van de doelgroep, meer kennis had willen hebben over oplossingsgericht werken of motiverende gespreksvoering. De vraag ‘Wat had je willen weten voordat je aan deze functie begon?’ heb ik uitgezet bij collega’s van verschillende disciplines op onze school. Nieuwsgierig naar hun antwoorden. Ik stel deze vraag ook graag aan jou: ‘Wat had jij willen weten?’

Maud Hansen

Sinds dit schooljaar is Hansen zorgcoördinator op de mavo-havo-vwo locatie van het Pantarijn.Hiervoor was Hansen mentor en begeleider passend onderwijs op het sbo, vo en het praktijkonderwijs.

‘Wat ik had willen weten: het zitvlees dat ik nodig heb, het is een zittend beroep. Daarnaast zie ik nu, doordat ik geen les geef op deze school, nauwelijks leerlingen. Wat had me dat opgeleverd? Een nog betere afweging, je weet dan nog beter waar je voor kiest.’

Ingrid van Kleef

Van Kleef werkt sinds september 2016 als managementassistent op het vmbo Zij verzorgt o.a. de leerlingadministratie en is applicatie-beheerder. Voor deze functie werkte Van Kleef als secretaresse van het College van Bestuur bij ROC Rivor in Tiel. ‘Wat had ik willen weten? Eigenlijk ben ik geen onverwachte dingen tegengekomen, het enige dat ik me kan bedenken is dat alle afspraken die mondeling worden gemaakt bij de sollicitatieprocedure ook schriftelijk worden vastgelegd.

Hiermee had een ellenlange discussie over  wel of niet toegezegd voorkomen kunnen worden. Uiteindelijk is het wel netjes opgelost, maar kostte veel tijd en energie.’

Otto van Noort

Van Noort is zorgcoördinator. ‘Ik ben opgeleid als docent LO en ruim tien jaar geleden in deze functie ‘geduwd’. Vanuit de opleiding LO was er weinig tot geen aandacht geweest voor kinderen in het autisme-spectrum.Ook geen aandacht voor verschillende gesprekstechnieken. Zo vanuit de gymzaal, samen met je nieuwe collega, uitzoeken hoe de hulpverlening in Nederland in elkaar zit, is ook een sudoku, kan ik je vertellen! De afgelopen tien jaar vele workshops gevolgd op verschillende gebieden. Verder veel sparren met mijn collega zorgco en zo vanuit de praktijk ons veel dingen eigen gemaakt. Nu zijn we zeer trots op de zorgstructuur op onze locatie!’

Harry

Harry is ruim veertien jaar werkzaam als pedagogisch medewerker. Daarvoor was hij een half jaar conciërge op dezelfde school. ‘Ik had willen weten wat ik nu weet. Dat het vrijwel altijd beter is mezelf te blijven in plaats van proberen te voldoen aan verwachtingen waarvan ik zelf heb aangenomen dat anderen die van mij hebben. Dat docenten ook maar heel gewone mensen zijn en niet de bollebozen waar ik met mijn ternauwernood behaalde havo-diploma tegenop moet kijken. Dit had mij meer rust en zelfvertrouwen opgeleverd: twee ingrediënten die toch best belangrijk zijn om je werkgoed te kunnen doen.’

Leanne Kroes

Ruim zeven jaar is Kroes werkzaam als orthopedagoog en voor het tweede jaar bij Pantarijn. Voordat zij bij Pantarijn ging werken, werkte ze als orthopedagoog bij een expertise centrum voor onderwijs en zorg op Bonaire. Hier voerde zij veel psychodiagnostisch onderzoek uit en was zij verantwoordelijk voor de leerlingenzorg op drie scholen.

‘Ik had willen weten dat geen dag hetzelfde is (and I love it!) en je er niet vanuit hoeft te gaan dat je met een vaste planning kan werken, want de dagen lopen regelmatig anders dan je van te voren denkt. In het begin is het even schakelen, maar daarna is het heel prettig werken omdat je daardoor steeds beter leert om prioriteiten te stellen en je de ruimte kan maken om leerlingen in het moment te helpen, als het echt niet goed met ze gaat.

Verder is het wel een lastige vraag want het werk van een orthopedagoog is meestal wel vrij duidelijk. Maar voor startende orthopedagogen is het denk ik wel heel goed om te weten dat je een brede kennis en vaardigheden op het gebied van zowel gedrag als leerproblemen nodig hebt en zelf ook sterk in je schoenen moet staan omdat er veel wisselende, en ook heftige problematieken voorkomen. Wat heeft me dat opgeleverd? Perfectionisme iets eerder loslaten. En de werkzaamheden zijn zo divers dat overzicht houden belangrijk is.’

Jacq Top

Top is sinds 2006 teamleider. Voor deze functie volgde hij een opleiding aan het Seminarium voor Orthopedagogiek, onderdeel van Hogeschool Utrecht. Dit is een Masteropleiding tot Schoolleider waarbij integraal centraal heeft gestaan.

‘Het gaat vooral om leren systeemdenken. Het een kan niet zonder een ander. Alle radartjes werken op elkaar in. Een mooie studie! Ik werkte op een vmbo-school in Arnhem als docent. Teamvergaderingen, schoolontwikkelingen, onderwijsvernieuwing. Ik wilde hier meer van weten. Hoe maak je samen de school beter? In deze tijd merkte ik dat ik steeds nieuwsgierig werd naar hoe de school als organisatie werkt.Dit was voor mij de opstap naar de studie tot schoolleider. Dat leverde me veel mooie ervaringen op en nieuwe inzichten met medestudenten met gelijkwaardige ambities om schoolleider te zijn. Het samenwerken aan projecten, het sparren vanuit je eigen schoolpraktijk. Mooiste ervaring was een studiereis naar Zweden. Daar hebben we onderzoek gedaan naar het Zweedse schoolsysteem. Het bezoeken van andere scholen en culturen was een enorme verrijking van mijn bagage. Het is voor iedereen aan te raden om andere scholen te bezoeken, eventueel in het buitenland. Je merkt dan dat je horizon aanmerkelijk wordt verbreed.’

Sven Joseva

Joseva Is ruim vier jaar conciërge op het vmbo. Voordat hij hier kwam was hij een paar jaar werkzaam als sportinstructeur in het leger en daarna veertien jaar gymdocent.

‘Ik had niet iets specifieks willen weten voordat ik deze baan aanging. Het was voor mij wel duidelijk wat de functie inhield. Daarnaast is het een kwestie om de functie die je bekleedt je eigen te maken.’

Charlotte Vreeman

Vreeman is nu anderhalf jaar mentor. Ze stroomde halverwege een schooljaar in als tweede mentor van de groep. ‘Hierdoor had ik nooit helemaal het volledige ‘mentor’-gevoel en kon ik niet alles op mijn eigen manier doen. Nu heb ik sinds afgelopen schooljaar mijn eigen klas, en voel ik mij een echte mentor! Deze klas is van mij. Hiervoor heb ik de bachelor docent Beeldende Kunst & Vormgeving op de kunstacademie in Arnhem gevolgd. Tijdens de opleiding was ik de passie om docent te worden een beetje kwijt-geraakt omdat het binnen de opleiding niet het grootste onderdeel was waar ik mee bezig was. Het was vooral veel werk maken. Ik begon met het werken in een kunstgalerie. Daarna kreeg ik een baan aangeboden om tekenlessen te geven. Het draaide hier vooral om het kind zelf en het vak stond op de tweede plek. Ik werd in het diepe gegooid. De vergaderingen, leerling-bespreking, regie in eigen handen hebben, lessen ontwikkelen en het zien van ontwikkeling bij de leerlingen vond ik echt te gek. Zo anders dan tijdens stages. Hier heb ik zo veel geleerd, en wist ik eigenlijk meteen dat dit het werk is wat ik echt heel graag doe.’

Wat had je willen weten voordat je mentor werd? ‘Eigenlijk niets. Wat ik wel lastig vind, is dat er geen vaste planning is met wat er binnen een jaar ‘gedaan’ moet worden binnen het mentoraat. Soms vallen dingen een beetje uit de lucht voor mijn gevoel. Voor anderen die langer mentor zijn, zijn dit logische dingen. Ik pak het meestal wel op, en ik ontdek veel, hierdoor leer ik denk ik ook snel en meer. Ik voel mij soms een pionier. Van te voren had ik wat meer inzicht willen hebben in mijn taak als mentor. Ik zou het soms wel fijn vinden om even te checken of ik het goed doe, aan de hand van een takenlijst bijvoorbeeld. Wat wordt er eigenlijk van mij verwacht? Maar dat zijn veelal zakelijke dingen. Ik vind het veel leuker en belangrijker om spellen en activiteiten te doen, en aandacht te besteden aan de persoonlijke gesprekken en begeleiding.’


(Ont)bindend studieadvies

Corona wakkert discussie over bindend studieadvies aan

Hogescholen, universiteiten en mbo’s zien dit schooljaar in verband met de corona af van een bindend studieadvies (BSA). Werkt dit in het voordeel of juist in het nadeel van de student?

Het bindend studieadvies (BSA) is een decennium geleden ingevoerd als onderdeel van een breder pakket om het studiesucces van studenten te bevorderen. Daarmee wilden de politiek en het hoger onderwijs de hoge uitval in het bacheloronderwijs terugdringen, de gemiddelde studieduur verkorten en studenten helpen om zo snel mogelijk op de bij hen passende opleiding terecht te komen. Het BSA voor het mbo is in 2018 in werking getreden.

Wat is BSA? 

Het BSA houdt in dat studenten na het eerste jaar moeten stoppen met hun opleiding als zij niet genoeg studiepunten behalen. Het is een beslissing van de universiteit, hogeschool of het mbo over de voortgang van de opleiding. Elke student krijgt een studieadvies aan het einde van het eerste studiejaar. Het advies kan negatief zijn. Je moet dan stoppen met de opleiding. Dit is dus het geval als je niet genoeg studiepunten hebt en er voor jou geen bijzondere omstandigheden gelden. Die bijzondere omstandigheden kunnen van persoonlijke aard zijn zoals ziekte, zwangerschap, functiestoornissen of familieomstandigheden. 

Hogescholen, universiteiten en mbo’s geven hun eerstejaars studenten dit schooljaar geen bindend studieadvies. Vanwege de coronamaatregelen is besloten dat studenten een extra jaar krijgen om aan de opleidingseisen te voldoen. De reden van het opschorten van het BSA is dat studenten door het onverwachts stopzetten van fysieke lessen en andere coronamaatregelen studievertraging opliepen. 

Impact corona op het BSA

Op de hogescholen wordt het BSA geschrapt omdat studenten daar vaker studievertraging oplopen doordat het bijvoorbeeld niet lukt om tijdens de coronacrisis een stage te vinden. Door het BSA dit schooljaar te schrappen, wil men voorkomen dat studenten uitvallen door deze crisis. Hogescholen geven de mogelijkheid de BSA-norm te halen in het volgend studiejaar. Daarnaast zullen hogescholen zich inzetten om studenten zo goed mogelijk te begeleiden en adviseren, wanneer de studie toch niet passend blijkt.

Ook mbo’s moeten bij het afgeven van het BSA rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van de student. Als een student onvoldoende studievoortgang heeft geboekt vanwege de coronamaatregelen en daardoor niet alle resultaten heeft kunnen behalen, gaat het BSA vervallen voor een student. 

‘Gras gaat niet harder groeien als je eraan trekt’

De universiteiten bleven in de beslissing eerst achter. Zij vonden in eerste instantie een coulanceregeling niet nodig omdat de lessen online doorgingen en er minder stages worden gelopen bij academische studies. De Vereniging van Universiteiten (VSNU) heeft recent aangegeven dat de verlengde lockdown de situatie veranderd heeft. Het studieniveau is op peil gebleven, maar het welzijn van de studenten staat onder druk. De universiteiten blijven zich wel maximaal inspannen om studenten te helpen bij de problemen die ze nu ondervinden als gevolg van de coronacrisis. 

Gevolgen

Studenten zullen de vakken die ze dit jaar hebben gemist, volgend jaar moeten inhalen. Het gevolg hiervan zou kunnen zijn dat studenten alsnog vastlopen in hun studie en dat het uitvalpercentage alsnog gaat stijgen. 

Studenten kunnen in de modus gaan zitten dat het wel goed komt en dat het makkelijk is dat je twee jaar over je propedeuse kan doen. De druk en de stress om een aantal studiepunten in het eerste jaar te halen verdwijnt. Echter, deze druk zal wellicht in het tweede jaar weer toe kunnen nemen. Met andere woorden, de studiedruk en -last wordt verschoven.

Een deel van de studenten op een hbo of mbo zou het liefst wel een BSA willen. Deze jongeren willen graag de stages ervaren en dat op hun propedeuselijst afgevinkt zien. Helaas gaat het stagelopen in veel gevallen niet. Studenten weten dat ze die stage in het volgende jaar of de volgende jaren moeten inhalen. Naast alle theoretische vakken neemt de druk in het tweede jaar dan weer toe. Daarnaast ervaren veel studenten dat het studieritme wordt verstoord en de motivatie voor de opleiding verdwijnt als veel lessen niet door kunnen gaan. 

BSA kan een stok achter de deur zijn om je studie af te maken en een objectief advies te krijgen of de studie wel of niet bij je past en of de kans op het behalen van een diploma realistisch is. In deze coronatijd zou het afschaffen van een BSA een tijdelijke oplossing kunnen zijn. Uit onderzoeken bij de Erasmus Universiteit blijkt dat door het behouden van het BSA de uitval sterk verminderd is (23%) en dat studenten minder lang over hun studie doen (9%). Ook de doorverwijzing naar andere passende studies is verbeterd. Bovendien zijn studenten beter voorbereid op de vakken in het tweede jaar. De basis is dan stevig genoeg om door te pakken. 

Door het schrappen van het BSA krijgen studenten weer ruimte om zich in hun eigen tempo te ontwikkelen. Studentenorganisaties pleiten al jaren voor afschaffing van het BSA. Lector Ellen Klatter, werkzaam aan de Hogeschool Rotterdam, legt in Trouw (14 november 2020) uit: ‘Universiteiten en hogescholen moesten voortaan hun best doen om studenten binnen vier jaar te laten afstuderen. En daar zit precies het probleem.’ Zij onderzocht de relatie tussen studiesucces en het BSA en bracht daarover advies uit aan haar hogeschool. Klatter: ‘In wiens belang moet er sneller worden afgestudeerd? Dat van de instelling, niet de student. Gras gaat niet harder groeien als je eraan trekt. Wel als je het van de juiste voeding voorziet.’

Ook neuropsycholoog Jelle Jolles (Trouw, 14 november 2020) pleit voor afschaffing van het BSA: ‘Het is niet meer van deze tijd. Dertig jaar terug, ook met de invoering van het bindend advies, lag de nadruk vooral op het cognitieve aspect van studeren. Maar nu zien we dat de sociale en emotionele componenten net zo belangrijk zijn voor de ontwikkeling van studenten. Een boom die traag groeit, kan alsnog de hoogste boom worden; daarvoor zegt het BSA eigenlijk niks.’

De Tweede Kamer wil dat onderwijsminister Ingrid van Engelshoven aan de slag gaat met het afschaffen van het BSA. De ingediende motie heeft de strekking dat het studieadvies adviserend van aard moet zijn en niet verplichtend. Er is in de Tweede Kamer in ieder geval een breed draagvlak om de discussie aan te gaan.