LOB: Hoe staat het ermee?

Het kan en moet beter

Hoe is het gesteld met LOB in het Nederlandse onderwijs? LOB staat hoog op de politieke agenda en het is vakjargon in het onderwijs geworden. Toch constateert Marc Drenth, beleidsmedewerker bij de NVS-NVL, dat het nog pover gesteld is met het inbedden van LOB in het onderwijs.

Iedereen die in het onderwijs werkt kan globaal vertellen wat LOB inhoudt, al zal de uitleg per school op detailniveau verschillen. Maar weet men ook hoe handen en voeten te geven aan die gewenste loopbaangerichte leeromgeving? Onder LOB versta ik het geheel van begeleiding en activiteiten waarmee de school jongeren tijdens hun vmbo-, havo/vwo- of mbo-opleiding ondersteunt bij het leren maken van loopbaankeuzes. De begeleiding van de school is gericht op het ontwikkelen van een arbeidsidentiteit van de jongere middels de vijf loopbaancompetenties: kwaliteitenreflectie, motievenreflectie, werkexploratie, loopbaansturing en netwerken.

Als beleidsmedewerker bij de NVS-NVL, maar ook als decaan, oprichter van Droomloopbaan en als regiocontactpersoon van het Expertisepunt LOB, kom ik op veel scholen. Als ik kijk naar de inbedding van LOB, dan is dit op veel scholen matig gesteld, ondanks alle tijd en energie die decanen er in steken en ondanks alle mogelijkheden die partijen zoals de NVS-NVL bieden met betrekking tot het faciliteren van goed LOB-beleid.

Dit beeld roept vragen op. Hoe staat LOB er landelijk voor? Waarom loopt de inbedding ervan stroef? Wat zijn aanbevelingen om het beter te doen? In een drieluik zal ik deze vragen beantwoorden; in dit artikel ga ik vooral in op de eerste vraag. Ik doe dat aan de hand van bestaand wetenschappelijk onderzoek, en ik probeer alle artikelen zo praktisch mogelijk weer te geven . Ik ben nieuwsgierig naar hoe het is gesteld met de kwaliteit van de uitvoering in de eerste lijn, het LOB-beleid en de positie van LOB in het curriculum.

De veranderende rol van de docent

Een mooie plek om te beginnen is het onderzoek dat kortgeleden is afgerond door Loes Evers en dat de moeite waard is om te lezen: ‘De veranderende rol van de docent bij LOB: match of mismatch?’ Evers vraagt zich hierin primair af hoe startende tweedegraads docenten toegerust zijn om jongeren in hun loopbaanontwikkeling te begeleiden conform het ‘Raamwerk voor loopbaanbegeleiding jongeren’. Dit raamwerk is in 2017 door Euroguidance ontwikkeld en geeft duidelijke kaders voor wat docenten en mentoren zouden moeten kunnen of waaraan ze zouden moeten werken. In het onderzoek wordt onderzocht in hoeverre startende docenten ervaren dat hun werkomgeving ondersteuning biedt om LOB te geven volgens het raamwerk.
Uit de onderzoeksresultaten blijkt o.a. dat de deelnemers binnen hun reguliere tweedegraads opleiding weinig tot niet zijn toegerust om loopbaanbegeleiding te kunnen bieden. Gebrek aan kennis op het gebied van LOB van startende tweedegraads docenten houdt een systeem in stand waarin alleen de mentor, de decaan en de ouders van de jongere betrokken zijn bij LOB.

Startende docenten worden bovendien niet op de hoogte gebracht van de LOB-visie van de school. Dit zorgt ervoor dat zij onvoldoende richting krijgen voor hun rol bij LOB, terwijl betrokkenheid van docenten bij LOB belangrijk is. Evers constateert dat scholen amper tot weinig bijdragen aan een professionele leeromgeving die startende docenten in staat stelt om zich deze stof meester te maken. Onderwijsinstellingen hebben LOB nog niet integraal ingericht, waardoor de mentor meestal nog steeds de enige uitvoerder is. Het potentieel van LOB wordt daarom niet benut. Evers concludeert:  ‘De uitdagingen zoals genoemd in de kamerbrief LOB van november 2017 zijn nog altijd actueel.´

LOB-componenten in lerarenopleidingen

Omdat het onderzoek van Evers zich beperkt tot tweedegraads lerarenopleidingen, bekijken we  ook een tweede onderzoek van Euroguidence : een inventarisatie van de LOB-componenten in lerarenopleidingen. Ook uit deze inventarisatie blijkt: het kan en moet beter. De LOB-component bij eerstegraads opleidingen is bijna nihil. Ook valt op dat een aantal opleidingsinstituten LOB niet als hun verantwoordelijkheid zien. Zij vinden dat dit hoort bij de professionalisering op de werkplek. Visie en beleid op LOB van een opleiding, of liever het gebrek daaraan, dragen bij aan het ontbreken van een grote beïnvloedende factor. Wanneer er een strategie en concrete doelstellingen binnen de opleiding zijn, dan is het gemakkelijker LOB te verweven in het reguliere curriculum. Dat laatste is natuurlijk niet verwonderlijk want dat geldt in het voortgezet onderwijs en het mbo net zo.

De resultaten van dit tweede onderzoek zijn overzichtelijk weergegeven en de aanbevelingen zijn helder. De eerste aanbeveling is om in het Raamwerk voor loopbaanbegeleiding jongeren onderscheid te maken tussen een startende of meer ervaren docent als het gaat om de gewenste rol en deskundigheid. Het splitsen van de rol van de docent en mentor m.b.t. de rol en taken op het gebied van LOB lijkt me een waardevolle aanbeveling Een andere aanbeveling is het opnemen van de LOB-competenties in het competentieprofiel van de lerarenopleiding en de toevoeging van een aantal vakken, bijvoorbeeld: arbeidsmarktontwikkelingen, LOB met nadruk op loopbaangerichte gesprekstechnieken, ontwikkelingspsychologie en methodiek/casuïstiek. Deze aanbevelingen zullen mijn inziens bijdragen aan een kwaliteitsslag van LOB in de eerste lijn op scholen.

Buiten Nederland

Als we de Nederlandse situatie vergelijken met andere landen uit Europa, dan valt vooral één ding op: in tegenstelling tot alle andere landen hebben we hier geen specifieke bachelor of master LOB. Dit valt onder meer te lezen in het onderzoek ‘Voorbeelden uit Europa’, eveneens van Euroguidence. De rol van de docent binnen LOB op school is per land verschillend. In Duitsland wordt LOB op scholen bijvoorbeeld voor het grootste deel vormgegeven door arbeidsbureaus. De medewerkers die dit uitvoeren hebben een studie gevolgd op het gebied van loopbaanoriëntatie en -begeleiding. In Denemarken (zie de casestudy op pagina 23 in Bij de Les 5 van 2020) en Oostenrijk ligt, net als in Nederland, de verantwoordelijkheid voor LOB bij de scholen, maar docenten hebben in deze twee landen een duidelijke rol als mentor of LOB-coördinator. Ook is er in beide landen duidelijk overheidsbeleid over de kwalificaties van docenten met LOB-taken.

Kohnstamm Instituut

Er zijn onlangs twee handreikingen gemaakt om vmbo-scholen te ondersteunen bij de vormgeving en uitvoering van ouderbetrokkenheid en werkexploratie. Met enige aanpassingen zijn ze ook zeer geschikt voor havo/vwo en het mbo. Het Kohnstamm Instituut onderzoekt het implementeren en uitvoeren van het project ‘Op weg naar een toekomst, Werkexploratie  in het vmbo’. Het is een uitgebreid project waarin werkexploratie in het vmbo centraal staat. Dus geen LOB aan de hand van wat testjes en opdrachten, wel werkexploratie aan de hand van echte ervaringen die goed worden voorbereidt en waar leerlingen op reflecteren.

Aan het begin van dit onderzoek deden vijftien scholen mee. Deze hebben zich vrijwillig opgegeven. Een goed teken lijkt me, het straalt zelfvertrouwen uit over het eigen LOB-beleid. Gaandeweg het onderzoek vielen echter vijf scholen uit. Van de tien overgebleven scholen zijn er uiteindelijk twee waar men overwegend enthousiast blijft over het draagvlak rondom LOB binnen de school. Het onderzoek schetst in een later deel context  rondom de tegenvallende resultaten. Niet één van de scholen heeft het voor elkaar gekregen om het gehele project uit te voeren zoals het bedoeld was. Drukte is een belangrijke reden. Soms verschuift de aandacht van LOB naar een ander aspect binnen het onderwijs. Ook te weinig kennis en gebrek aan eigenaarschap van LOB bij docenten en mentoren in de eerste lijn blijkt een belangrijke oorzaak. Dat gaat ook vaak gepaard met de veel te hoge werkdruk in het onderwijs.
Binnen het onderzoek Werkexploratie in het vmbo kregen alle participerende scholen een externe procesbegeleider aangewezen tijdens de begeleiding rondom werkexploitatie. Zo’n functionaris is een waardevolle toevoeging om een loopbaangerichte leeromgeving handen en voeten te geven blijkt uit de conclusie van het onderzoek: ‘Een externe procesbegeleider was in dit project onontbeerlijk. Het is de vraag of scholen het zonder procesbegeleider lukt om zo’n programma te ontwikkelen, uit te voeren en te behouden.’ LOB is in het vmbo in de wet opgenomen. Het onderzoek toont aan dat scholen niet in staat blijken om een loopbaangerichte leeromgeving goed vorm te geven.
We hebben dus nog een heel lange weg te gaan. In het volgende artikel in dit drieluik ga ik nader in op de vraag waarom we nog niet in staat zijn om LOB in de eerste lijn goed vorm te geven. Terwijl dit juist de plek is waar we onze leerlingen goed (moeten) voorbereiden op de toekomst.


Loopbaanleren in Denemarken: een casestudy

Verslag van de Transnational Cooperation Activities

Momenteel is de uitval in het Deense beroepsonderwijs maar liefst 60%. Het Deense onderwijs heeft zichzelf daarom voorgenomen dat er in 2025 meer leerlingen voor beroepsonderwijs kiezen en dat bovendien meer leerlingen zo’n opleiding afronden. Om dit te bewerkstelligen is er een project gestart dat zich richt op jongeren in de laatste jaren van de onderbouw op het voortgezet onderwijs: Insights and Outlooks. Wat kunnen we van dit project leren voor de onderwijssituatie in Nederland? Loopbaanexperts Ivette Kleijngeld en Sandra Mors schrijven in dit artikel over het Deense onderwijssystem en de opbrengsten van hun werkbezoek aan Denemarken.

‘Guidance is regarded as a continuous process that should help young people become more conscious  of their abilities, interests and possibilities, thus enabling them to make decisions regarding education an employment on a qualified basis’  (Het Deense ministerie van Kinderen en Educatie)

Het Deense onderwijssysteem

In Denemarken wordt onderwijs vanuit belastinggeld bekostigd. Daarmee kan iedereen kosteloos deelnemen aan het Deense onderwijssysteem en worden gelijke kansen gestimuleerd. Kinderen vanaf 1 jaar kunnen naar de voorschoolse educatie, waar wordt ingezet op ‘playful learning’, oftewel speels leren (dus niet: schools leren). Vanaf 6 tot en met het 15 gaan kinderen naar de voorbereiding op de basisschool (vergelijkbaar met de kleuterklas in Nederland), de basisschool en uiteindelijk naar de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Dit onderwijs wordt doorgaans binnen één schoolgebouw aangeboden. De ambitie van de regering is het bieden van inclusief onderwijs, met focus op wetenschap, technologie, economie, wiskunde, 21st century skills, digitaal onderwijs en taal. Daarnaast is er in de laatste twee jaar van de onderbouw van het voorgezet onderwijs ruimte voor loopbaanleren.

Op dit moment stroomt 70% van de leerlingen door naar het academische voortgezette onderwijs (vergelijkbaar met havo-vwo in Nederland), 20% naar het beroepsonderwijs en 10% valt uit. Voorspeld wordt dat er een groot tekort aan praktische vakmensen ontstaat. Daarom is de ambitie om de uitval te verlagen en om meer leerlingen door te laten stromen naar het mbo.

Externe loopbaanadviseurs

Sinds 2003 spelen in Denemarken 45 externe onafhankelijke loopbaanbureaus een grote rol in het loopbaanleren en in het waarmaken van bovengenoemde ambitie. Deze bureaus zijn niet commercieel, maar aan de overheid verbonden. Ze zijn in departementen verdeeld over Denemarken. In Nederland zijn ze vergelijkbaar met samenwerkingsverbanden. Loopbaanbegeleiders die aan deze externe bureaus verbonden zijn, hebben een masterdiploma op zak en zijn bij wet voor gemiddeld één dag in de week gekoppeld aan een school. Ze hebben een begeleidende rol (op de eerste lijn) en een specialistische/coördineerde rol (op de tweede lijn).

Transnational Cooperation Activities
De Transnational Cooperation Activities zijn georganiseerd door Euroguidance en Erasmus+. Tijdens het Deense evenement waren 37 LOB-professionals uit 17 Europese landen aanwezig. Namens Nederland waren dat Sandra Mors van de NVS-NVL en Ivette Kleijngeld van het Expertisepunt LOB.

Dit vraagt om complexe afstemming. Wanneer een loopbaanbegeleider drie tot vijf scholen onder zich heeft, moet deze kunnen afstemmen met drie tot vijf verschillende directies, groepen docenten en het regionale bedrijfsleven. Loopbaanbegeleiding wordt als uitgangspunt daarom klassikaal gegeven door de externe loopbaanbegeleider. De mentor wordt verzocht aanwezig te blijven bij deze lessen, zodat er afgestemd wordt in het proces. Tijdens de lessen worden diverse activiteiten aangeboden en reflectiegesprekken gevoerd. Middels speels leren reflecteren leerlingen op elkaars kwaliteiten en motieven. Dat gebeurt o.a. door opdrachten met LEGO uit te voeren. Loopbaanleren wordt daarnaast ook geïntegreerd bij andere vakken. Zo leren de leerlingen in de les Deens om een sollicitatiebrief te schrijven, of er worden diverse bezoeken aan verschillende type vervolgonderwijs aangeboden. Ook een weeklang stage lopen is mogelijk.

‘Voorspeld wordt dat er een groot tekort aan praktische vakmensen ontstaat’

In het achtste en negende leerjaar worden leerlingen geëvalueerd op hun sociale-, persoonlijke- en beroepsvaardigheden: zijn ze klaar voor het vervolgonderwijs? De loopbaanbegeleider begeleidt vanaf dat moment de leerlingen die niet aan de eisen voldoen. De ouders worden bij dit proces betrokken. Sinds 2013 is de Deense leerling bovendien verplicht om een portfolio bij te houden, waarin hij/zij opgedane ervaringen en indrukken beschrijft en hierop reflecteert. Het format van het portfolio is nationaal gelijk en vastgesteld door de overheid. Voor de begeleiding ligt hier ook een rol voor de docent, al blijft de externe counselor leidend in het loopbaanproces.

De overheid monitort de jongeren tot hun 25e. Ze dienen hiervoor o.a. een opleidingsplan in bij de gemeente waarin ze woonachtig zijn.

Project Insights and Outlooks

Om meer leerlingen te laten doorstromen naar het beroepsonderwijs, is het project ‘Insights and Outlooks’ over loopbaanleren in 2015 en 2016 uitgevoerd. Tijdens het project werd duidelijk dat leerlingen vaak een te beperkt beeld hebben van opleidingen en beroepen, vooral binnen het mbo. Daarnaast zouden docenten zich meer dienen te ontwikkelen op het gebied van loopbaanbegeleiding en kunnen ze hun kennis over het beroepsonderwijs verbreden. Ten derde stimuleren ouders hun kinderen om zich vooral te richten op het ontwikkelen van kennis. Daarmee laten ze het Deense mbo al snel links liggen. Tot slot zien de leerlingen niet altijd dat er na het mbo ook nog diverse doorstroommogelijkheden zijn. Zo kunnen zij zich praktijkgericht én theoretisch ontwikkelen.

Onderzoek binnen het project richtte zich op het effect van ervaringsgericht leren bij openbare scholen. Op dertien scholen werden diverse ervaringsgerichte activiteiten bedacht en uitgevoerd. Tijdens dit proces kwamen de diverse scholen zes keer bij elkaar in een professionele leergemeenschap (PLG). Zij wisselden dan kennis en ervaringen met elkaar uit. De centrale vraag tijdens deze bijeenkomsten was: ‘Welke manier van leren en vaardigheden zijn van belang om tot actie te komen, zodat een kwalitatieve keuze gemaakt kan worden?’ Het resultaat uit de PLG was dat om loopbaanleren effectief te laten zijn, het voorwaardelijk was om een loopbaanactivitieit (of een ontmoeting met de praktijk) goed voor te bereiden en achteraf hierop te reflecteren.

Vibe Skolen in Ullerslev, Nyborg, is één van de scholen die deelnam aan het project. Tijdens het bezoek aan deze school gaven leerlingen, docenten, de loopbaanbegeleider en de directie voorlichting over de activiteiten die deze school had bedacht en uitgevoerd om loopbaanleren te stimuleren. Zo konden leerlingen zich inschrijven voor twee sectoren waarbinnen vijftig regionale bedrijven actief zijn. De leerlingen werden dan ingedeeld bij een van de bedrijven. Bij dit bedrijf moest hij/zij eerst een interview afnemen en daarna vijf dagen stage lopen. Deze praktijkervaring werd goed met de leerling voorbereid en van deze ervaringen maakten de leerlingen een presentatie die ze aan ouders en klasgenoten presenteerden. Tijdens ons bezoek kregen wij ook een drietal presentaties van leerlingen. Zij vertelden ons dat ze meer open stonden voor het beroepsonderwijs. Door de ervaringen veranderde de perceptie en het respect voor de beroepsopleidingen bij zowel de leerlingen als bij de ouders, docenten en begeleiders. Dit resultaat was op alle dertien scholen te zien.

Conclusie

Hoewel het onderwijssysteem en de doorstroomproblematiek in Denemarken niet een-op-een te vergelijken is met de Nederlandse situatie, kunnen we toch lering trekken uit de studiereis, de onderzoeksresultaten en het belang van de keuze voor het beroepsonderwijs. Ook in Nederland bestaat het gevaar dat er een groot tekort aan praktische vakmensen ontstaat. Zo is in de ‘Staat van het Middelbaar Beroepsonderwijs’ te lezen dat ook in Nederland een terugloop van mbo-studenten te zien is. De verwachting is dat het totaal aantal mbo-studenten na 2020 gaat dalen. De verwachte afname wordt veroorzaakt doordat minder leerlingen naar het vmbo gaan, maar ook omdat de populatie jongeren kleiner wordt.

Bill Law
De filosofie en theoretische onderbouwing voor het ontwikkelen van beroepsvaardigheden komt van Bill Law. De theoretische benadering van Law komt overeen met de theorie rondom de loopbaancompetenties van Marinka Kuijpers en andere wereldwijde loopbaantheorieën die gebaseerd zijn op narratieve loopbaanbegeleiding. Door vragen te beantwoorden over ervaring (kwaliteiten, motieven) en het eigen verhaal (zoals via playful learning met een LEGO-opdracht) geeft de leerling betekenis aan zijn/haar ervaring en kan de leerling vervolgstappen maken (loopbaansturing). Law heeft de basis gelegd voor loopbaanleren in Denemarken. Door de onderwijs- en werkactiviteiten waaraan leerlingen deelnemen met elkaar te verbinden en er vervolgens over na te denken, zijn hulpmiddelen verkregen voor de loopbaanbegeleiding.
Dit gaat in 4 stappen:
1. Sensing, finding out – De leerling vraagt zich af: wat zie, hoor, voel ik, wie ben ik en wat wil ik?
2. Sorting out – De leerling organiseert en verbindt (globale) onderwijs- en ervaringsactiviteiten.
3. Focussing, checking out – De leerling gaat in gesprek met ouders, vrienden, gaat daadwerkelijk ervaring opdoen en vraagt zich af: Wat is belangrijk voor mij en anderen?
4. Understandig, working out – De leerling kan reflecteren op de ervaring, de ervaring presenteren en uitleggen welke verdere acties nodig zijn om tot een keuze te komen.

Kijk voor meer informatie op  careersintheory.wordpress.com/tag/bill-law


Testen in het onderwijs: het doel heiligt niet altijd de middelen

Studiekeuzeadviseur Theo Grevers schrijft over het nut en de kul van testen in het onderwijs. Er zijn veel tests, er zijn veel testafnemers en er zijn veel testaanbieders. Waar moet je op letten als je zelf met tests aan de slag gaat?

Toen ik in de jaren tachtig met mijn werk begon, was het afnemen van psychologische tests (capaciteiten-, interesse- en persoonlijkheidstests) voorbehouden aan universitair afgestudeerde (ortho)pedagogen en psychologen met een psychodiagnostische aantekening. Beroepskeuzeadviseurs liftten op dit alleenrecht mee. Het waren vooral de afspraken tussen de testuitgevers en de beroepsverenigingen die dit systeem lange tijd in stand hielden. Natuurlijk kende het voordelen: deze beroepsbeoefenaars waren theoretisch en methodisch goed onderlegd. Overigens zag ik aan de toenmalige werkwijze in de beroepskeuzeadvisering nadelen. Zo ergerde mij het meest dat uitspraken vaak ‘over’ leerlingen gedaan werden en dat meningen van henzelf, hun ouders en schooldecanen niet of nauwelijks werden meegewogen in rapportages en adviezen. Als later bleek dat het advies niet klopte, wat meestal alleen aan het
Testen in het onderwijs: het doel heiligt niet altijd de middelen
Studiekeuzeadviseur Theo Grevers schrijft over het nut en de kul van testen in het onderwijs. Er zijn veel tests, er zijn veel testafnemers en er zijn veel testaanbieders. Waar moet je op letten als je zelf met tests aan de slag gaat?
door Theo Grevers
licht kwam als een leerling tegen het advies in tóch een uitdaging met succes was aangegaan, kwam het ongenoegen vaak na lange tijd alsnog naar boven. Zo hoorde ik over een vader die de psycholoog van zijn dochter belde toen ze geslaagd was voor haar vwo-examen. Hij had haar daarvoor een nogal zuinig advies gegeven. ‘Weet u wat ik na al die jaren met uw rapport ga doen?’ zo sneerde hij aan de telefoon. ‘Daar veeg ik m’n reet mee af!’

De uitbreiding van tests in de praktijk

De afspraken over bevoegdheden hielden stand totdat de grootste testuitgever zelf korte trainingen in het toepassen van psychologische tests niet alleen aan beroepskeuzeadviseurs ging aanbieden, maar aan een veel bredere groep professionals, zoals HRM-adviseurs van bedrijven en in het algemeen aan mensen zonder een achtergrond in psychologie en diagnostiek. Deze ontwikkeling kwam pas écht in een stroomversnelling met de opkomst van gecomputeriseerd testgebruik. Inmiddels wordt er heel wat gebruik van tests gemaakt door vogels van allerlei pluimage en zijn veel tests, al dan niet deel uitmakend van een begeleidingsmethode, vrij te koop.

‘Weet u wat ik na  al die jaren met uw  rapport ga doen?’

Hier heb ik het vooral over testgebruik door beroepskeuzeadviseurs ten behoeve van studie- en beroepskeuze aan jongeren binnen het voortgezet onderwijs. Om voor het publiek de kwaliteit van de professional zichtbaar te maken, waren of ontstonden er kwaliteitskeurmerken, zoals het NOLOC, het register BKA en het NIP. Dit was uiteraard een prima ontwikkeling, want door dergelijke keurmerken hebben de leerlingen en hun ouders de zekerheid van goed opgeleide en betrouwbare beroepskeuzeadviseurs en psychologen die zich houden aan ethische regels en aanspreekbaar zijn op hun functioneren. Ook schooldecanen, mentoren en zorgcoördinatoren worden opgeleid door hun beroepsvereniging en kunnen tests bij bepaalde aanbieders inkopen; in hoeverre deze aanbieders ook degelijke trainingen in verantwoord testgebruik geven, onttrekt zich aan mijn waarneming.

De aanleiding van een test

Tests worden in vele situaties binnen het onderwijs ingezet en als het goed is, worden ze gebruikt om inzicht in een bepaalde vraag te krijgen. Bijvoorbeeld of een leerling slim genoeg is voor het vwo of als hulpmiddel bij de keuze voor een vervolgstudie. Bij diverse vraagstellingen over studie- en beroepskeuze van leerlingen kunnen tests een goede bijdrage leveren aan de beantwoording ervan. En toch zie ik het geregeld mis gaan: zo hoorde ik laatst van een moeder dat haar dochter in de brugklas mavo/havo een capaciteitentest moest doen voor het vervolgtraject. Maar toen bleek dat zij op een gemiddeld havoniveau uitkwam, werd haar tóch geadviseerd om voor alle zekerheid de mavo (vmboT) te doen, waarop zij zelf aangaf dat ze dan net zo goed de test niet had hoeven doen. Op zich al een slimme conclusie voor een meisje van dertien. Ik weet inmiddels het vervolg: aan het eind van de brugklas kreeg dit meisje een vwo-advies! Ook heb ik weleens gezien dat jongeren in een faalangsttraining worden geplaatst zonder duidelijke aanleiding. Blijkbaar weet de school dit gemakkelijk aan te bieden in de hoop dat het ‘iets’ oplost, maar zo’n schot in het duister heeft al zeker niet gewerkt bij de leerling die ik hierbij voor ogen heb. Onderzoek is dus prima, mits je je vooraf bedenkt waarop je een antwoord hoopt te vinden.

‘Van prima tot troep’

Dan de test zelf. Ik kan direct duidelijk zijn: de kwaliteit loopt uiteen van prima tot troep. In een van mijn eerdere artikelen noemde ik al eens de quick and dirty tests die goedkoop of gratis op de markt te vinden zijn. Soms blijft in het vage waarvoor of voor wie de test precies bedoeld is. Ook lees ik wel eens mooie pretenties, bijvoorbeeld dat de culturele achtergrond van de leerling geen invloed op het resultaat zou hebben, maar enige onderbouwing of bewijs daarvan ontbreekt. Met verbazing zag ik eens een vraag uit een observatievragenlijst van een zorginstelling waarin er naar twee van elkaar volkomen losstaande gedragingen werd gevraagd, maar waar je wel met ‘ja’ of ‘nee’ op moest antwoorden: ‘Kan de cliënt zelfstandig douchen en met zakgeld omgaan?’ Ik zit er nu nog naar te staren… Een goede test maken valt kennelijk niet mee. Het vraagt een samenspel tussen inhoudsdeskundigen en psychometrisch geschoolde testconstructeurs. Wil je iets goeds maken, dan kost dat ontwikkeltijd en geld. Het sluitstuk behoort een duidelijke handleiding te zijn die een verantwoord en correct gebruik mogelijk maakt. Aan een ‘prettest’ heb je in het onschuldigste geval niets, maar ik heb in mijn praktijk vaak meegemaakt dat mensen schade hebben ondervonden van een slechte test of ondeskundig gebruik.

‘Kan de cliënt zelfstandig douchen en met  zakgeld omgaan?’

In Nederland bestaat een onafhankelijke instantie die de kwaliteit van tests en toetsen beoordeelt, de Commissie Testaangelegenheden Nederland (COTAN): www.cotan.nl. Als een test door de COTAN positief is beoordeeld, kun je er vertrouwen in hebben, maar alweer geldt: mits degene die ermee werkt weet wat hij doet. Dat wil overigens niet  zeggen dat een test die niet aan de COTAN ter  beoordeling is aangeboden, niet zou deugen, maar het blijft opletten.


Stress op het decanaat?

Drie begeleiders aan het woord over werkdruk en piekmomenten

We horen ‘t wel vaker: ‘druk, druk, druk’ en ‘geen tijd voor dit, dat, zus en zo’. Stress op de werkvloer. Of valt het wel mee op het decanaat? Drie decanen vertellen hierover.

‘Duidelijke kaders stellen vermindert stress’ – Marleen Wonnink, loopbaanbegeleider

Marleen Wonnink is loopbaanbegeleider op het Reeshof College in Tilburg. Het is een school met 740 leerlingen. De school biedt voornamelijk basisberoepsgericht en kaderberoepsgericht onderwijs.

Marleen Wonnink werkt 32 uur per week volgens contract, in werkelijkheid zijn dat wat meer uren. Die extra uren worden vooral gemaakt in de periode van de aanmeldingen voor het mbo. Wonnink: ‘De leerlingen hebben een stevige en goede begeleiding nodig bij de aanmelding. Leerlingen die basisberoepsgerichte leerweg volgen, willen zich nog wel eens op niveau 4 aanmelden bij het mbo. Soms ga ik zelfs mee naar een intake, als een leerling thuis geen of onvoldoende begeleiding krijgt.’ De drukte ligt ook bij de activiteiten die er zijn. Met een hele rits leerlingen uit klas 2 naar verschillen infoavonden, vraagt om een strakke organisatie. Wonnink spreekt in dit soort gevallen niet van stress, maar van ‘gezonde drukte’.

Alles alleen

Omdat ze qua loopbaanontwikkeling alles alleen doet, mist ze wel een directe collega om mee te sparren: ‘Het is fijn dat onze school onder twee besturen valt. Met decanen van de andere scholen kan ik overleggen, samenwerken en kan ik mijn verhaal kwijt.’ Stress ervaart zij als niet duidelijk is waar taken beginnen en eindigen. De school zou die kaders best kunnen geven, zodat het helder wordt waar en hoe de werkzaamheden afgebakend kunnen worden. Wonnink pareert stressgevoelens door terug te kijken op aspecten van haar werk die haar gelukkig maken: ‘Als leerlingen weten welke richting ze op willen en als alle leerlingen geplaatst zijn bij een vervolgopleiding naar keuze, dan heb ik een voldaan gevoel. Niets is mooier om te zien dat leerlingen groeien in hun persoonlijkheid en reflectie op zichzelf.’

‘Verminder werkdruk, laat de leerling  eerder kiezen’ – Brigitte Meijer, decaan

Brigitte Meijer is decaan bovenbouw havo en vwo bij het Beatrix College in Tilburg. Zij ervaart de meeste druk in haar werk aan het einde van het schooljaar.

Havoleerlingen die last minute en soms noodgedwongen op zoek moeten naar een mbo of een andere studie, leveren nog wel eens stress op bij Brigitte Meijer. De decaan merkt dat deze leerlingen, naast dat ze op zoek moeten naar een andere plek, vaak boos en verdrietig zijn. Meijer: ‘Ik vind dat ik mijn energie eerst daarin moet steken, voordat ik concreet ga begeleiden. Pas als verdriet en boosheid een plaatsje hebben gekregen, gaat de druk zitten in het zoeken naar een juiste mbo-opleiding. Die is op dat moment natuurlijk al vaak vol, of er is een wachtlijst. Mijn leerling hoort dan pas ná de zomer of het gelukt is.’ Aanmelden moet vóór 1 april, zo spoort het Beatrix College de leerlingen uit 4 en 5 havo aan. In het bijzonder de leerlingen die voor de tweede keer dreigen te doubleren of die het eindexamen mogelijk niet halen. Toch knoopt niet iedereen dat in zijn of haar oren.

‘Drie dagen is voldoende’

Meijer is drie dagen als decaan werkzaam. Dat is voldoende, zo vindt ze zelf. Ze zou zich nog wel meer willen richten op de tweedelijns rol. Leerlingen stellen haar vragen die een mentor of coach zouden kunnen oppakken. Ze heeft de wens om loopbaanontwikkeling naar een hoger plan te trekken. Meijer: ‘Meer ervaringen binnen en buiten de school is ons doel voor de nabije toekomst. Mijn rol zou dan faciliterend zijn. Uiteraard blijft gesprekken voeren met leerlingen een onderdeel van mijn taak, die niet gaat verdwijnen.’ De meeste voldoening haalt Meijer uit de spontaniteit van leerlingen die zomaar even binnen komen lopen en vertellen dat ze dé studie hebben gevonden: ‘Ze stralen en je ziet knoppen in de motivatiestand staan.’ Ze krijgt energie van bijeenkomsten van bijvoorbeeld haar decanenkring, of van congressen waar ze inspiratie opdoet. Daarnaast vindt zij het sparren met collega’s fijn: ‘Samen praten over wat loopbaanontwikkeling is en dit veel breder trekken dan alleen de studiekeuze.’

Vanaf de brugklas

De werkdruk kan volgens Meijer verminderd worden als de leerling zelf de leiding neemt over zijn of haar loopbaanproces. Meijer: ‘Laat ze vanaf de brugklas werken aan hun persoonlijke ontwikkeling en reflectie daarop. Een coach of mentor heeft dan de begeleidende rol en ik als decaan faciliteer.’ Meijer ziet verder een taak bij de schoolleiding liggen om alle medewerkers loopbaanontwikkeling aan te bieden: ‘Het is een win-win situatie als dat aan de leerlingen én aan het personeel aangeboden wordt.’

Volgens Meijer mag sowieso het samenwerken en het delen van informatie in het onderwijs meer aandacht verdienen. ‘Ik merk soms dat werk ‘dubbel’ gedaan wordt. Gelukkig ontstaan er steeds meer initiatieven zoals het delen van ervaringen op Wikiwijs en YouTube. Een extra aandachtspunt is de loopbaancompetentie netwerken. Daar kan nog meer op ingezet worden. Dat betekent wel dat je móet geven. En geven loont!’

‘Druk of niet, we doen het!’ – Irene van Gestel, decaan en docent

Irene van Gestel is naast docent Nederlands een van de decanen bij De Rooi Pannen vmbo in Tilburg. Zij werkt twaalf uur voor het decanaat, waarvan twee uur voor LOB.

Op De Rooi Pannen begeleidt Irene van Gestel de tussentijdse in- en uitstroom van klas 2, 3 en 4 vmbo. De druk ligt vooral in juni, wanneer zij ouders te woord staat. Ook verzamelt ze dan informatie bij toeleverende scholen, leest ze dossiers en voert ze intakegesprekken. Een hele klus: soms moeten er meer dan 60 aanmeldingen bekeken worden. Het levert geen stress op, maar een hoge werkdruk is het zeker. Gelukkig heeft Van Gestel wat meer ruimte na de meivakantie, als haar lessen in eindexamenklassen vervallen.

Samen weet je meer

Van Gestel kan het werk en het aantal uren goed verdelen met haar collega: ‘Op De Rooi Pannen hebben wij twee richtingen: Handel-Vormgeving en Horeca-Bakkerij-Recreatie. Beide richtingen hebben hun eigen decaan. Wij doen hetzelfde met betrekking tot leerlingen en de zijdelingse in- en uitstroom. Daarnaast verdelen we een en ander, maar meestal werken we samen. Dat werkt prettig. Samen weet je en kun je meer.’ Als het om LOB gaat, zijn Van Gestel en haar collega bezig om mentoren te faciliteren. Voor deze werkzaamheden zouden meer decanenuren welkom zijn!

 

In het drukke decanaatswerk geeft het voldoening om oud-leerlingen te spreken die speciaal langskomen om te vertellen hoe het met hen gaat; dat ze enthousiast zijn over hun keuzes en trots zijn op wat ze doen. Ze geeft leerlingen mee dat ze hun weg zelf kunnen bewandelen in het kiezen van een opleiding. ‘Ik geef geen kant-en-klare antwoorden, maar prikkel de leerling om zelf informatie te verzamelen en zelf na te denken over het keuzeproces.’
Trots is Van Gestel op de mentoren. Die kennen hun leerlingen goed en ze investeren veel in hen, vooral als leerlingen de steun vanuit thuis missen om welke reden dan ook. Sommige leerlingen komen er echt niet uit zonder hun hulp. ‘En dan zijn wij er. Druk of niet, we doen het!’


Lerarenopleiding en passend onderwijs

Onderzoek: Hoe bereid je aankomende leraren voldoende voor?

Tweedegraads lerarenopleidingen bereiden studenten naast werk in regulier voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs ook voor op werk in het voortgezet speciaal onderwijs (vso) en leren studenten omgaan met passend onderwijs. Overleg met de lerarenopleidingen over hoe passend onderwijs beter te integreren in het curriculum van deze opleidingen, staat al een tijdje op de politieke agenda. Maar wat betekent dat concreet voor de onderwijspraktijk? De Hogeschool van Amsterdam (HvA) startte een onderzoek naar omgaan met passend onderwijs en hoe dit toe te passen in de lerarenopleiding.

In het programma van de tweedegraads lerarenopleidingen van de HvA wordt onder andere aandacht besteed aan differentiëren, passend onderwijs en handelingsgericht werken. Studenten krijgen de mogelijkheid om stage te lopen in het vso en maken kennis met passend onderwijs in de praktijk. Landelijk onderzoek wijst echter uit dat studenten en startende leraren lang niet altijd goed voorbereid zijn als zij te maken krijgen met leerlingen met een specifieke onderwijs- of ondersteuningsvraag. Een afgeronde tweedegraads lerarenopleiding geeft hen hiervoor wél de bevoegdheid. Dit bracht de lerarenopleidingen van de HvA begin 2018 tot het initiëren van een onderzoeksproject naar omgaan met passend onderwijs en de plaats ervan in het curriculum van de eigen tweedegraads lerarenopleidingen. Dit initiatief is gefaciliteerd door het Kenniscentrum van de Faculteit Onderwijs en Opvoeding van de HvA.

Literatuurverkenning

Twee onderzoekers van de HvA en twee onderzoekers uit de beroepspraktijk* stelden zich de centrale vraag: ‘Hoe kunnen de specialistische kennis en successen van leraren uit het vso, praktijkonderwijs en tussenvoorzieningen vertaald worden naar een handelingsrepertoire voor alle startende leraren en studenten?’ Antwoord hierop moet startende docenten – docenten die net hun tweedegraads lerarendiploma behaald hebben – in staat stellen om beter voorbereid te zijn op het werken met leerlingen met een specifieke onderwijsvraag en op het uitvoeren van passend onderwijs. Uit een literatuurverkenning bleek dat er tot nu toe slechts beperkt wetenschappelijk onderzoek is uitgevoerd naar de praktijk van passend onderwijs in het voortgezet onderwijs. Ook bleek uit literatuur niet direct welke vaardigheden en bekwaamheden leraren nodig hebben om goed om te kunnen gaan met leerlingen met een specifi eke onderwijsvraag.

Bekwaamheden van docenten in het vso

Om gegevens uit de praktijk te verzamelen interviewden veertien studenten 85 leraren over hun werk binnen passend onderwijs en het vso. Een groot deel van hen is volleerd: 80% geeft aan ervaren te zijn en 84% is daadwerkelijk bevoegd leraar. De interviewvragen zijn opgesteld aan de hand van de bekwaamheden en bijbehorende gedragsomschrijvingen uit het functieprofi el voor de leraar in het vernieuwde vso. Deze zijn in 2013 opgesteld door het Werkverband Opleidingen Speciaal Onderwijs en zijn te vinden op de website van het LECSO (Landelijk Expertisecentrum Speciaal Onderwijs). Denk bijvoorbeeld bij ‘bekwaamheden en gedragsomschrijvingen’ aan het geven van persoonlijke aandacht aan leerlingen, hulp bij het ontwikkelen van een positief zelfbeeld van de leerling en het maken van duidelijke regels en afspraken in de klas. Hoe kijken leraren zelf aan tegen het functieprofiel waaraan zij moeten voldoen? Hoe belangrijk vindt de professional dit opgestelde kader voor de beroepspraktijk? En in welke mate zouden deze bekwaamheidseisen onderwezen kunnen worden op een tweedegraadslerarenopleiding? De respondenten kregen de gelegenheid aan te geven welke ze het belangrijkst vinden voor het type onderwijs waarin zij werken. Opvallend was dat het belang van alle bekwaamheden zonder meer werd onderstreept. Een ondervraagde docent op het vso verwoordt dit als volgt: ‘Deze bekwaamheden zijn ontzettend belangrijk. Het is met deze doelgroep lastig om winst te boeken in het leren. Je bent vaak vooral bezig met het scheppen van een veilig klimaat en ervoor te zorgen dat de kinderen zichzelf kunnen zijn. Dat gaat vaak ten koste van het leren en van het onderwijsproces.’ Een ander vult aan: ‘Je let op scheldwoorden, op pesten, op het veilige schoolklimaat. Dat zorgt er wel eens voor dat het leren en het leren leren naar de achtergrond verdwijnt. We zijn ons er bewust van dat daar nog veel winst te behalen is op school. Ik kan me daarom ook goed vinden in de opgestelde bekwaamheden.’

De resultaten in de praktijk

De resultaten van het onderzoek zijn besproken met lerarenopleiders van de HvA en met derdejaars studenten. Hoewel het tweede en het derde deel van het onderzoek nog plaatsvindt, heeft dit eerste deel er al toe geleid dat er meer gastdocenten uit de praktijk lesgeven binnen de lerarenopleidingen en dat er extra intervisiemomenten zijn voor studenten over handelingsgericht werken en gedifferentieerd werken. Ook worden er meer studenten uitgenodigd om stage te lopen in het vso en in het praktijkonderwijs. De studenten die dat doen, reageren positief. Zo zegt een derdejaars student wakker te zijn geschud: ‘We hebben op de opleiding weliswaar geleerd over jongeren met een primaire en secundaire straatsocialisatie en over jongeren die extra risico lopen om slachtoffer te worden van bijvoorbeeld loverboys, maar op school kwam ik deze doelgroep pas voor het eerst daadwerkelijk tegen.’ Daarnaast heeft de onderzoeksgroep nog enkele praktische en inhoudelijke aanbevelingen gedaan voor de lerarenopleiding op de HvA. Een advies is om structureel meer intervisiemomenten in te passen in de stage op het vso, het praktijkonderwijs of tussenvoorzieningen, zodat studenten hun persoonlijke ervaringen met leerlingen met een ondersteuningsvraag direct kunnen delen met hun medestudenten. Een andere aanbeveling is om kennis over de rol van het samenwerkingsverband structureel op te nemen in het HvA-programma bij de module ‘passend onderwijs en differentiëren’. Een derde aanbeveling is om iedere student kennis te laten maken met het vso, praktijkonderwijs of tussenvoorzieningen in de praktijk, of hierover een literatuuronderzoek te doen.
Naast de bovengenoemde adviezen zijn ook nieuwe vervolgvragen uit de resultaten opgesteld. In een vervolgonderzoek komt ook aandacht voor de mening van begeleiders in passend onderwijs, leerlingenondersteuners en de mening van studenten en betrokken leerlingen. De HvA is eind 2019 daarom gestart met nieuwe surveys en vanaf september 2019 zijn lerarenopleiders geïnterviewd over het programma van de lerarenopleidingen. In oktober is onderzoek gestart in het reguliere voortgezet onderwijs naar hoe het daar voor docenten is om te werken met leerlingen met een specifieke onderwijsvraag. In het voorjaar 2020 rondt het onderzoeksteam het onderzoek af en zullen de eindresultaten, conclusies en aanbevelingen met anderen gedeeld worden.


Leer in het leven

‘Een proces van dingen doen, en dan wordt het wel wat’

Jan Bransen start op 13 februari in Hilversum het LOB Congres 2020 – Wie wil jij zijn in de wereld van morgen? Later die dag geeft Bransen de workshop ‘Jezelf worden in het onderwijs’. In dit interview vertelt hij over zijn eigen loopbaan en hoe hij aankijkt tegen het maken van loopbaankeuzes.

Jan Bransen is hoogleraar Filosofie van de Gedragswetenschappen aan de Radboud Universiteit Nijmegen, auteur en spreker. In zijn voordrachten voor publiek ziet hij zichzelf als een kruising tussen een schoolmeester, cabaretier en filosoof. In 2014 won hij de Socrates-wisselbeker voor zijn filosofieboek ‘Laat je niets wijsmaken. Over de macht van experts en de kracht van gezond verstand’. In zijn laatste boek ‘Gevormd of vervormd?’ vertelt hij dat het onderwijs vervormt omdat het uitgaat van verkeerde aannames, zoals eerst jarenlang leren voor je kunt meedoen aan het maatschappelijk leven, of de aanname dat kennisverwerving het best in kleine brokjes gebeurt.

‘Lesgeven is leuk aan mensen die les willen krijgen’

Zelf denken afgeleerd

Bransen geeft dus les, is spreker en schrijver. ‘Voordrachten voor een zaal met mensen vind ik leuk, daar krijg ik energie van. Het grootste deel van mijn tijd besteed ik denkend en schrijvend achter een scherm. Lesgeven is leuk aan mensen die les willen krijgen. Het vervormende onderwijs heeft veel studenten afgeleerd om na te denken over wat ze echt willen, dat vind ik verschrikkelijk. Als ik voor een college filosofie zeg ‘je komt als je wilt’, dan komen er van de 210 studenten 20 opdagen. Nou moet ik er wel bij zeggen dat het op vrijdag is en voor pedagogiestudenten. Eerst moeten we dan even verwerken dat er zo weinig zijn, enerzijds omdat ik denk dat ze het niet interessant vinden en de studenten die er wel zijn denken anderzijds dat ze een stelletje sukkels zijn omdat ze er wel zijn. Als we met elkaar hebben geaccepteerd dat er 190 mensen niet zijn, dan wordt het leuk en gaan we echt met elkaar in gesprek.’ In het onderwijs bepalen de volwassenen om je heen wat je moet leren, de leerlingen leren zich daarin te schikken en leren zelf denken af, stelt Bransen. ‘Het voortgezet onderwijs zou creatieve, nieuwgierige en zelfdenkende mensen moeten voortbrengen. Ik pleit er ook voor dat je bijvoorbeeld pas naar een hogeschool of universiteit mag als je ervaringen hebt opgedaan in het leven. Een studiekeuze is geen keuze voor een studie, maar een levenskeuze. En je kiest iets wanneer je er aan toe bent. Als je dat als uitgangspunt neemt, betekent het dat het onderwijs anders moet, met een andere manier van bekostigen.’

‘Een studiekeuze is geen keuze voor een studie, maar een levenskeuze’

Niet kunnen laten

De middelbare school ging bij Bransen, zoals bij veel jongeren, niet om school. ‘Wel hield ik van lezen. De docent Nederlands herinner ik me omdat die leuk kon praten over filosofische literatuur. En de godsdienstdocent vond ik ook leuk. Hij was eerst priester, maar het christendom was bedrog van het volk en dus was hij marxist geworden. Hij had het over een zinnig leven leiden en communes enzo. Ik deed mee aan een project van hem; we maakten met een groep leerlingen een boek met als titel: ‘De mens die zegt te geloven in God.’ Deze docenten spraken over ideeën, dat vond ik interessant. Ik ging filosofie studeren, zomaar, dat leek de studie van de ideeën. In die tijd kon je daar nog rustig zo’n jaar of acht over doen. In het vierde jaar werd ik fanatiek. Plotseling werd ik door de filosofie gegrepen, een fanatisme dat ik nooit eerder had.’ Bransen ziet dat als een kwestie van ‘bij jezelf komen’. ‘Je haalt inspiratie uit jezelf, je wilt ergens beter in worden, je geniet ervan en je kunt het niet laten. Het schrijven en het spreken wat ik nu ook doe is een poging om ideeën helder onder woorden te brengen. Reacties van anderen helpen me om die ideeën helder te krijgen.’

‘Als je iets doet wat  niet werkt, hoor je dat  van je omgeving’

Dan eens dit, dan eens dat

‘Keuzes zijn eigenlijk onbelangrijk. Ze zijn geen kwestie van ‘nu of nooit’. Neem stoppen met roken. Dat is eigenlijk een permanent proces van voortdurend kiezen niet opnieuw te beginnen met roken. Zie een studiekeuze ook niet als iets dramatisch groot, als een nu of nooit. Beschouw een loopbaan als een proces van dingen doen, als optelsommetjes, en dan wordt het wel wat. Wees bemoedigend bij de keuzes van de jongeren en beïnvloed ze niet.’ Bransen vertelt dat hij in zijn loopbaan niet zulke grote beslissingen genomen heeft. ‘Ik studeerde gewoon, deed eens dit en dan dat. Na het afstuderen was het wat werk betreft voor academici een slechte tijd. Maar ik had geluk, want er kwam een tijdelijke baan langs voor docent filosofie. Die kreeg ik en ik kon daar blijven. ‘Iets worden’ is een permanent proces van kleine stapjes. Toeval en pech horen daarbij, er zijn altijd mensen die met je meedenken of die je tegen zitten. Reacties van anderen heb je nodig. Als je iets doet wat niet werkt, hoor je dat van je omgeving. Je kunt door reacties ook ergens uitkomen waar je zelf niet aan had gedacht. Het schrijven heb ik stapje voor stapje steeds beter geleerd. Ik kreeg complimenten voor mijn eerste boek dat ik voor een breed publiek schreef, dus ging ik daarmee verder. Toen ik voor het eerst ging spreken, bleken mensen dat leuk te vinden. Nu, met mijn laatste onderwijsboek, word ik veel gevraagd te spreken voor een breed publiek. Dat geeft een kick.’

Bransen waarschuwt nog even voor het Peter Principle: ‘Dat gaat over mensen die steeds hogerop willen, uiteindelijk een stap te hoog solliciteren. En dan lukt het niet meer. Alsmaar hogerop, of liever de havo dan het vmbo, werkt niet. Te laag trouwens ook niet. Help je leerlingen met zicht te krijgen op hun eigen niveau. Gaan werken kan ook een hele reële optie zijn in het proces van jezelf worden, want dat word je niet van steeds meer en verder studeren. Ga verder leren in je werk, leer in het leven. Als je iets goed kan, merk je het vanzelf.’


Jonge mantelzorgers aan het woord

‘Ik pas mij 24/7 aan om het haar zo gemakkelijk mogelijk te maken’

Eén op de vijf scholieren heeft te maken met een langdurig zieke naaste. Zij kunnen thuis helpen, of ze maken zich zorgen om de gezondheid van een naaste. Docenten en zorgcoördinatoren vinden het een lastige doelgroep, omdat ze vaak lang onder de radar blijven. In onderzoek van Vilans en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) zijn citaten van scholieren verzameld over hoe zij tegen de zorgsituatie aankijken. Want wie kan er beter aangeven wat jonge mantelzorgers ervaren dan zij zelf? In dit artikel worden bevindingen van de onderzoekers geïllustreerd met dergelijke citaten.

Vaak gaat het om zieke ouders

Bij ‘zorgen voor’ denken we vaak aan meisjes die voor hun ouders zorgen. Meisjes helpen inderdaad vaak hun moeder met een chronische lichamelijke ziekte of beperking, zoals hart- of gewrichtsaandoeningen, maar ook jongens geven deze hulp. Hoewel jonge mantelzorgers meestal hulp bieden aan zieke ouders, zorgen scholieren ook voor familieleden zoals grootouders. Ook ondersteunen scholieren hun vrienden, vaak vanwege mentale gezondheidsproblemen. Daarnaast kan verslaving een reden zijn voor scholieren om te zorgen. Ze helpen dan omdat de zorgontvanger, in de woorden van de jongeren, bijvoorbeeld ‘zijn zorgen wegdrinkt’ of ‘gokverslaafd is en geld steelt’.

‘Mijn moeder heeft hartfalen, dat vind ik erg eng’

Zoals verwacht kwamen we in het onderzoek ook zogenaamde ‘brussen’ tegen: jongeren die voor een broer of zus met een aandoening of ziekte zorgen. Het kan dan gaan om een cognitieve beperking of gedragsstoornis, zoals een stoornis in het autistisch spectrum. Zo helpen jongeren om hun broertje of zusje weer rustig te krijgen als ze angstig of boos zijn. Een jonge mantelzorger die we tijdens ons onderzoek spraken, geeft weer welke impact dit kan hebben: ‘Het kost veel energie als mijn broertje een woedeaanval heeft en wij hem een half uur in een houdgreep moeten houden.’

Zorgen in soorten en maten

Scholieren kunnen zich zorgen maken om een familielid of vriend met een ziekte of beperking. Jongeren denken vaak aan de thuissituatie of aan een zieke vriend terwijl ze op school zijn. Ook moeten ze rekening houden met een zieke naaste, passen ze hun dagelijkse leven aan of cijferen zichzelf zelfs weg, bijvoorbeeld door stil te zijn thuis, zodat een moeder overdag kan slapen. Jonge mantelzorgers geven ook aan thuis te blijven totdat hun broertje of zusje thuiskomt met de rolstoeltaxi. Schattingen laten zien dat ongeveer 6 tot 8 procent van de 13- tot 17-jarigen zorgtaken heeft. Per klas zijn dit ongeveer twee scholieren. Ongeveer 3 procent verleent intensieve zorg (minstens 4 uur per week). Jongeren wezen ons erop dat het echter niet altijd de zorgtaken zijn die het zwaar maken. Vaak is het vooral het zorgen maken om – en zoveel mogelijk rekening houden met – de situatie thuis die het zorgen zwaar maakt. In de woorden van een jonge mantelzorger: ‘Ik probeer mijn zusje zoveel mogelijk te ondersteunen als ik kan. Ik pas mij 24/7 aan om het haar zo gemakkelijk mogelijk te maken.’

Van emotionele steun tot en met persoonlijke verzorging

Jongeren bieden verschillende typen ondersteuning. Het kan gaan om emotionele ondersteuning, zoals het houden van gezelschap, een spelletje spelen en wachten tot een broertje of zusje in slaap valt. Maar het kan ook gaan om persoonlijke verzorging, bijvoorbeeld door te helpen bij het opstaan, of het wassen en aankleden van hun moeder of vader. Ook helpen jongeren in het huishouden en helpen ze met de zorg voor broertjes en/of zusjes. Zo deelden jongeren met ons dat zij verschillende verantwoordelijkheden binnen het gezin op zich nemen. ‘Ik sta om half 7 op, smeer broodjes voor mijn broertje en mijzelf en pas daarna ga ik naar school of naar mijn stage. Meestal ben ik rond vier uur weer thuis. Dan moet ik de hond uitlaten, de vaatwasser in- of uitruimen en soms beginnen met koken. Daarna doe ik samen met mijn zus de afwas en zetten we koffie.’

Positieve en negatieve ervaringen

Zorgen kan een positieve ervaring zijn. Een naaste kunnen helpen bij de uitdagingen van een ziekte of beperking geeft jonge mantelzorgers een goed gevoel. Scholieren ervaren door hun zorgtaken echter ook problemen op school. Of ze vinden het lastig om hun vrienden voldoende te zien. Het combineren van de verschillende rollen die jonge mantelzorgers hebben kan uitdagend zijn, zeker als de situatie thuis verslechtert. Sommige jongeren geven aan dat de ziekte en het zorgen ook invloed heeft op hun eigen lichamelijke of mentale gezondheid: ‘Zelf heb ik een angststoornis en een dwangstoornis, wat ook weer te maken heeft met het zorgen. Ik ben bang voor alles wat met de dood te maken heeft. Mijn moeder heeft hartfalen, dat vind ik erg eng.’

Vanzelfsprekend

Veel jonge mantelzorgers vinden het zorgen voor hun zieke naaste vanzelfsprekend. Het voelt als iets dat er bij hoort en je gewoon doet. Jezelf als jonge mantelzorger zien is lastig, omdat jongeren soms al zorgen zolang als zij zich herinneren. Bovendien is het niet altijd duidelijk wat ‘mantelzorg’ precies is. Dit geldt niet alleen voor jongeren, maar ook voor hun ouders of voor docenten op school. Het is vaak moeilijk om op school jonge mantelzorgers te vinden, omdat school of het gezin niet precies weet wat de term inhoudt en leerlingen zich niet aangesproken voelen. Hier wijzen experts op een dilemma. Eigenlijk wil je jonge mantelzorgers niet ‘zien’ op school, omdat velen de verantwoordelijkheid voor zorg niet vinden passen bij minderjarigen. Anderzijds wil je deze scholieren wel signaleren, zodat je kan praten over wat zij doen thuis en wat dit met hen doet. In de woorden van een leerling: ‘Vriendinnen hebben snel zoiets van: ‘Ja, maar ik doe ook wel eens de boodschappen thuis.’ Ik denk dat er een groot verschil zit tussen mantelzorger zijn en thuis in het huishouden helpen. Volgens mij ervaar je geen mentale stress als je in het huishouden helpt. Ik denk ook na over hoe laat mijn broertje weer weg moet en of er dan al iemand thuis is.’

‘Dan moet je wéér alles uitleggen en dat is soms best lastig’

Maak het bespreekbaar

Jonge mantelzorgers benoemen dat het thema niet bekend is. Scholieren zeggen dat bewustwording op school beter kan, zodat er meer begrip is voor de situatie waarin zij verkeren. Ook vrienden of klasgenoten begrijpen lang niet altijd dat hun medescholieren voor iemand zorgen. Gast- of themalessen kunnen positief bijdragen aan het bespreekbaar maken van het zorgen voor een ander. Bespreek het niet alleen met jongeren die zorgen, maar ga het gesprek aan in de klas. Zo’n open gesprek kan de start zijn van meer bewustwording over jonge mantelzorgers op je eigen school. Dit kan jonge mantelzorgers helpen om niet steeds opnieuw op school of aan vrienden uit te hoeven leggen wat zij doen. Een gesprek over de moeilijke, maar ook fijne kanten van het zorgen kan er ook aan bijdragen dat jonge mantelzorgers niet bang zijn om ‘zielig’ gevonden te worden als zij hun ervaringen delen. Een jonge mantelzorger zegt daarover: ‘Ik zou wel meer aandacht willen op school. Dat school ook weet dat er jonge mantelzorgers bestaan, want als ik zeg dat ik iets later ben of iets eerder weg moet, bijvoorbeeld omdat ik m’n zusje weg moet brengen naar school, dan zit je leerkracht met een scheef hoofd te kijken. Zo van: ‘Hoezo je zusje weg brengen…’ Dan moet je wéér alles uitleggen en dat is soms best lastig.’
Dit artikel krijgt een vervolg in Bij de Les. Daarin is aandacht voor de behoefte, het huidige aanbod en de wensen voor ondersteuning van jonge mantelzorgers. Ook dit komt deels aan bod vanuit het perspectief van jongeren zelf. Daarnaast komen experts op het gebied van jonge mantelzorg aan het woord.
Renske Hoefman en Nynke de Jong doen beiden onderzoek op het gebied van jonge mantelzorgers. Renske Hoefman is werkzaam bij het Sociaal en Cultureel Planbureau en Nynke de Jong bij Vilans.

Het Me-We onderzoek
Ervaringen van jongeren in dit artikel zijn afkomstig uit het Me-We onderzoek (https://me-we.eu). Dit is een groot Europees onderzoek in zes landen, waaronder Nederland, naar het welbevinden van jongeren die zorgen. Deze ‘jonge mantelzorgers’ zijn jongeren onder de 18 jaar die helpen, ondersteunen of zorgen voor familie of een vriend met een chronische ziekte, beperking, verslaving of problemen door ouderdom. In Nederland vulden 154 jonge mantelzorgers in de leeftijd van 15 t/m 17 jaar een online vragenlijst in over wat zij doen op een dag en hoe het zorgen invloed heeft op hun leven. De jongeren werden uitgenodigd door school of een lokaal steunpunt mantelzorg. De citaten van experts in dit artikel zijn afkomstig uit interviews met vijf experts op het gebied van wet- en regelgeving en beleid van mantelzorg en/of rechten van het kind en met tien experts op het gebied van ondersteuning van jonge mantelzorgers in Nederland in 2018.


Doorstroomcoaches als brug tussen vo en mbo

Hoe creëer je een vangnet voor vroegtijdige schoolverlaters? Een deel van deze jongeren is vaak wel in beeld: die kun je met wat extra hulp hopelijk goed opvangen wanneer ze van het vo naar het mbo doorstromen. Maar hoe zit dat met jongeren die in de schaduw doorstromen? Jongeren die op het vo – met wat extra hulp van deze of gene – precies goed genoeg presteren, maar die op het mbo door het ijs zakken? Of jongeren waarmee überhaupt niets mee aan de hand leek te zijn, maar die na de zomervakantie helemaal niet op het mbo aankomen?

Er zal geen regio in Nederland zijn die niet met de hierboven gestelde vragen worstelt. De samenwerkingsverbanden van de regio’s Eindhoven-Kemperland en Helmond-Peelland zoeken het antwoord in intensieve samenwerking. Simone Slagboom, decaan, kringvoorzitter en voormalig doorstroomcoach, is dit jaar als doorstroomcoördinator aangesteld binnen het project ‘Monitoring overgang vo-mbo en coaching op kwetsbare overgangen’, samen met een duo-partner uit het mbo. Hun oren en ogen in het veld zijn doorstroomcoaches. De meeste van deze coaches zijn decanen (vo) en studentcoaches (mbo). Zij zijn dus al behoorlijk ingewerkt in de materie waarmee ze als doorstroomcoach te maken krijgen. Ze werken intensief met elkaar samen en slaan zo een brug tussen het vo en mbo. Als een leerling op het mbo uitvalt, weet de coach van het vo al vaak wat er aan de hand kan zijn. Zo zijn ze het aanspreekpunt voor jongeren; met hun hulp is het de bedoeling dat ze toch weer naar school gaan of dat ze een andere vorm van hulp krijgen aangeboden. ‘Wij zetten de coaches in positie’, zegt Slagboom over haar werk als coördinator binnen het project. ‘We maken de taakomschrijving, we monitoren hun resultaten, we organiseren vijf keer per jaar een  netwerkbijeenkomst en we bieden ruimte voor  intervisie. We stimuleren ze om hun taak goed te doen en we zijn bovendien hun schakel naar de schooldirectie en externe partners, zoals Leerplicht.’

‘Een decaan krijgt op sommige scholen een minimaal aantal uren’

Dat laatste aspect is overigens geen overbodige luxe, zeker niet op scholen waar de rol van het decanaat onvoldoende serieus wordt genomen. Slagboom: ‘Ook in onze regio zien we dat een decaan op sommige scholen een minimaal aantal uren krijgt, terwijl de taak van doorstroomcoach bovenop de uren van het decanaat komt. Inhoudelijk komt er nog veel meer bij het coachen kijken, dus het is belangrijk

dat we de schooldirectie kunnen overtuigen van het aantal uren dat er geïnvesteerd moet worden, als we het aantal vsv’ers gezamenlijk willen terugdringen.’

Alle leerlingen in kaart

Het doel binnen het project is om álle leerlingen die doorstromen naar een mbo-instelling in de regio in kaart te brengen. Dus óók die jongeren die in de schaduw doorstromen en ook de jongeren met wie helemaal niets mis leek te zijn. ‘We merken dat juist die groep gebaat is bij coaching of monitoring’, zegt Slagboom. ‘We zien momenteel nog dat decanen en/ of coaches nog niet altijd goed in de gaten hebben wie nou een zorgleerling is. Leerlingen worden via Intergrip vaak ‘koud’ overgedragen vanuit het vo naar het mbo, terwijl we van begeleiders op het mbo te horen krijgen dat sommigen van hen met problemen worstelen. Dat hadden ze graag eerder willen weten, zodat ze tijdig de juiste hulp konden aanbieden.’ Betere en meer warme overdracht is volgens Slagboom dus een verbeterpunt in de aanpak tegen vsv: ‘Als je kijkt naar het landelijke gemiddelde, dan wordt zo’n 10% van de leerlingen in Intergrip warm overgedragen. In onze regio bleef dat achter.

Pas onlangs kwamen wij ook op 10% uit. Onze contactpersonen op het mbo geven aan dat zij voor de leerlingen op een lager niveau graag veel meer warme overdrachten willen. Dat geeft meteen een verschil in behoefte aan. Ik denk dat het vo nog onvoldoende bewust is van het belang van die overdracht.’

‘Letterlijk de muur tussen die van mij en de zorgcoördinator uitgegumd’

Intensieve samenwerking is het toverwoord binnen het project. Tussen het vo en het mbo, maar ook met zorgcoördinatoren, mentoren en met Leerplicht. ‘Onze school heeft enige tijd geleden een nieuw gebouw gekregen’, zegt Slagboom. ‘Ik heb op de tekening van de architect letterlijk de muur tussen die van mij en de zorgcoördinator uitgegumd’. We hadden eerst een apart kantoor, met daartussen een overlegkamer, maar nu delen we een kantoor en werken we ontzettend veel samen. Soms heeft een leerling met een slecht keuzeproces extra zorg nodig en daar kunnen we nu dus samen op tijd voor zorgen. Die samenwerking kan op veel vo-scholen verbeterd worden.’

‘No show’

Om straks 100% van de leerlingen die doorstromen in beeld te hebben, moet de ‘no show’ na de zomervakantie goed in de gaten gehouden worden. De vo-school heeft tot 1 oktober nog zorgplicht. Wie geen hulp van een coach wil, wordt ondanks dat toch gevolgd. Als zo’n student ineens niet meer komt opdagen, is die dan toch meteen in beeld. Niet elke student kan geholpen worden door een doorstroomcoach, zegt Slagboom: ‘We zijn er om de student te helpen bij het maken van praktische keuzes en bij een stukje extra ondersteuning. De coaches zijn niet bedoeld voor het begeleiden van de leerling waar al intensieve zorg op zit, maar in die gevallen kennen we wel de korte routes naar de zorg binnen de school of het mbo.’

Slagboom merkt op dat ze nu al beter zicht heeft op de no show: ‘De korte lijn tussen de coaches op het vo en mbo heeft echt effect.’ De komende tijd gaat zij met haar collega-doorstroomcoördinatoren onderzoeken hoe de scholen in de regio de driehoek tussen vo, mbo en Leerplicht hebben ingericht. Wie heeft welke rol? Wie heeft wie in beeld? Hoe zitten de doorstroomcoaches in de driehoek? De resultaten worden vervolgens gepresenteerd binnen het samenwerkingsverband, waar ook de bestuurders van alle scholen in zitten. Zo is er breed draagvlak voor het werk. ‘Een goede zet van de gemeente’, aldus Slagboom.

Kijk voor meer informatie op www.naardejuisteplek.nl


Help! Mijn kind moet naar het vmbo!

Marjolein van Breda-Souman ziet als zorgcoördinator op het vmbo de teleurstelling in de ogen van ouders, wanneer ze intakegesprekken met ze voert. ‘Mijn kind moet naar het vmbo’, spreken ze uit alsof er een doodvonnis over hun nageslacht is uitgesproken. Tijd om die ouders eens flink wakker te schudden

De diploma-uitreiking was een succesvolle avond. Honderden vmbo-leerlingen stonden in hun beste en mooiste outfit voor het laatst in de aula van hun school waar ze vier jaar lang gewerkt hebben en plezier hebben gehad. De een kreeg wat meer begeleiding op cognitief gebied en de ander kreeg extra zorg op sociaal-emotioneel gebied. Trotse ouders, docenten en onderwijsondersteunend personeel zagen ‘hun’ kind het welverdiende diploma in ontvangst nemen. Mooie lofprijzingen of kritische noten van de mentoren, want er is altijd wel een leerling die te horen krijgt: ‘Wie had ooit van jou verwacht dat je hier zou staan met een diploma in de hand! Wat hebben we veel zorgen gehad om jou en wat heb je het goed gedaan de laatste periode!’ Blije en opgeluchte gezichten alom, met hier en daar een traan van ontroering. We hebben het maar weer mooi gedaan met z’n allen. Ook de ouders van ‘de weerstand’ gaan trots en gelukkig met hun kind op de foto. Ze zijn wellicht al vergeten hoe verdrietig en teleurgesteld ze waren toen hun kind een vmbo advies kreeg. Of, nog veel rampzaliger, gedegradeerd werd van de theoretische leerweg naar de kaderberoepsgerichte leerweg. Grutjes! Zij voelden die overplaatsing door de school echt als een degradatie.

Slecht imago

Het imago van het vmbo heeft jarenlang in een negatief daglicht gestaan. De media stonden vol met kritische kanttekeningen en voorbeelden van wat er allemaal mis was. Het vmbo werd omschreven als een vergaarbak van bij elkaar gezochte mislukkelingen die niet in staat waren om een goede opleiding te volgen. In gesprekken met ouders van toekomstige vmbo-leerlingen kom ik er steeds weer achter dat de onwetendheid over het vmbo groot is. Dat merk ik overigens ook bij collega’s die werkzaam zijn in het hoger beroepsonderwijs of bij mensen die zich alleen in wetenschappelijke kringen bevinden.

‘Basis, kader en gemengde of theoretische leerweg …? Waar valt de mavo dan onder? Ook onder het vmbo?! Wat leren ze daar dan en welke mogelijkheden zijn er om door te stromen? Moeten ze niet minimaal naar de mavo om nog enige kans op de arbeidsmarkt te hebben?’

Wanneer een leerling een vmbo kader-advies krijgt van de basisschool (wat leidend is voor plaatsing op het voortgezet onderwijs), dan zijn ouders vaak teleurgesteld en drammen ze vaak door bij de leerkracht van groep 8 om maar een mavo-advies te krijgen. Dat doen ze veelal zonder enige kennis van zaken, goedbedoeld, maar met slechte gevolgen voor het kind. De mavo klinkt nog altijd beter dan het vmbo TL of GL. Veel middelbare scholen hanteren bewust de naam mavo in combinatie met havo en vwo. Het klinkt toch beter wanneer je als ouder op de hockeyclub kunt zeggen dat jouw kind op de mavo zit van de locatie mhv! Ik merk dat het vaak de hoogopgeleide ouders zijn die het lastig vinden wanneer hun kind een vmbo-advies krijgt. De verwachting bij die ouders ligt doorgaans hoger. Plaatsing op het vmbo klinkt onheilspellend. ‘Moet mijn kind nu door detectiepoortjes de school in en krijgt hij nu foute vrienden?’ Vaak gaan wij, zorgcoördinatoren en leerlingondersteuners, dan het gesprek aan en leggen we uit dat de mavo de oude benaming is van de theoretische leerweg van het vmbo. En over een kaderdiploma hoor je: ‘Oh, dus daarmee kan mijn kind ook door naar niveau 4 op het mbo?’ Ja meneer en mevrouw, het kan allemaal op het vmbo en er kan nog véél meer!

Lekke band

Vmbo-leerlingen zijn in een leerlinggerichte leeromgeving gemotiveerder om te leren dan in een docentgerichte leeromgeving. Praktijk versus theorie. Het eerst voorbeeld dat ik vaak aan teleurgestelde ouders en hun talentvolle kroost geef is heel eenvoudig: ‘Je fiets heeft een lekke band. Een mavo-leerling krijgt een boekje met twintig bladzijden waarin precies staat beschreven hoe de band geplakt moet worden. Een kader-leerling moet via wat instructies op een A4’tje de fiets met een bandenplak set repareren.’ Zo simpel is het. Uiteindelijk kan iedereen de band plakken, maar wel op zijn eigen manier. Na dit voorbeeld zie ik vaak hoopvolle blikken van de leerling naar zijn ouders: ‘Ja, ik wil het op dié manier gaan doen!’ Ontdekkend leren, niet te veel theorie, maar praktisch bezig zijn met zichtbaar resultaat.

Als er een echte revolutie heeft plaatsgevonden op het gebied van onderwijsontwikkeling, is dat wel de groei en ontwikkeling van het vmbo. Een brede keuze aan opleidingen in de voorbereidende fase naar een middelbare beroepsopleiding. ‘Die hebben we broodnodig’, zo schrijven de alarmistische en doemdenkende media inmiddels als er gesproken wordt over een tekort aan vaklieden in bouw, onderwijs en zorg.

Waardering voor vakmanschap komt door het vmbo weer terug. Het vmbo is ‘de motor van onze samenleving’. Als de wc verstopt is zijn we maar wat blij dat we een loodgieter kunnen vinden die tijd maakt, terwijl zijn agenda eigenlijk vol zit tot eind 2023.

Bijna 100% geslaagden op het vmbo; jongeren die onze toekomst mooier gaan maken en vol vertrouwen een beroepsopleiding kiezen.
Dat is good practice!

Zie ter illustratie:  https://www.youtube.com/watch?v=330xnoXWBc4


Kan het onderwijs de veranderende maatschappij wel bijbenen?

Wat arbeidsmarktonderzoeker Ben Rogmans betreft, kunnen alle dystopische boeken over robotisering en automatisering in de openhaard. Júist door technologische vooruitgang blijft de werkgelegenheid toenemen. Maar, zo betoogt hij ook, het onderwijs moet die vooruitgang kunnen bijbenen als we de leerling van nu willen voorbereiden voor de arbeidsmarkt van later.

De afgelopen acht maanden zijn er 51 rapporten en studies verschenen over tekorten op de arbeidsmarkt (zie kader). Allemaal even ernstig, nijpend, gierend en alarmerend. Niet alleen in bekende sectoren als ICT en techniek, maar ook in het onderwijs, de zorg, bij de politie, defensie, de belastingdienst en gemeenten. Er is gebrek aan sluiswachters, verkeersregelaars, koks in de horeca, pretparkmedewerkers, bouwvakkers, boeren, schippers en vrachtwagen- en buschauffeurs. Vakbond CNV heeft gewaarschuwd voor een ‘zorginfarct’ en het UWV voorspelde – ook voor de zorg – een tekort van 100.000 mensen. De douane komt, nog los van een Brexit, duizenden mensen tekort en de marechaussee op Schiphol vele honderden.

Het gaat de komende jaren dus over tekorten op de arbeidsmarkt. Voor een beroep als ‘monteur elektriciteitsnetten’ waren er eind 2017 voor elke werkzoekende 46 vacatures. Dat was vóórdat we besloten om de komende jaren vijf miljoen CV-ketels te vervangen, 20 miljoen zonnepanelen en drie miljoen laadpalen te installeren. En dat terwijl in 2013 werd voorspeld dat 47% van onze banen binnen tien tot vijftien jaar zouden verdwijnen als gevolg van robotisering en automatisering. Dat was in het nog steeds veel geciteerde Oxfordonderzoek van Osborne en Frey. Deloitte heeft dat onderzoek gebruikt voor de bewering dat ‘300.000 studenten worden opgeleid voor een robotbaan’.

Onheilsprofeten

Talloze onheilsprofeten krijgen ruim baan met  hun sombere voorspellingen. Ga maar eens naar Amazon.com en tik daar als zoekterm in: ‘The end of…’ Je zult stomverbaasd zijn over het aantal  zaken waarvan het einde wordt voorspeld.  Gelukkig komt er nu een golfje publicaties waarin wordt aangetoond dat het steeds beter gaat met  de wereld. Weliswaar in kleine stapjes, die onvoldoende nieuwswaardig zijn voor de voorpagina’s, maar onontkoombaar. Een aanrader is het boek Feitenkennis van de Zweed Hans Rosling. De ondertitel van het boek (‘Tien redenen waarom we een verkeerd beeld van de wereld hebben en waarom  het beter gaat dan je denkt’) is veelzeggend.

De onheilspellende Oxfordstudie is inmiddels (met medewerking van onderzoekers Osborne en Frey) een paar keer overgedaan en de laatste schatting van het aantal banen dat op afzienbare tijd verdwijnt, staat nog maar op 11 procent. Het gaat kennelijk toch niet zo hard met die zelfrijdende auto, 3D-printers, drones, robots en kunstmatige intelligentie. Helaas komt dat nieuws dan niet op de voorpagina’s van de kranten. Evenmin als de na langdurig onderzoek door The Future Institute (een door Dell gesponsorde Amerikaanse denktank) getrokken conclusie dat 80% van de banen in 2035 nu volstrekt onbekend is.

Technologische revolutie en werkgelegenheid

In het verleden heeft elke technologische revolutie (de stoommachine, trein, auto, elektriciteit, pc) een deel van het werk overbodig gemaakt. Tegelijkertijd hebben mensen er zoveel totaal onverwachte toepassingen voor bedacht, dat per saldo de werkgelegenheid alleen maar is toegenomen. Zo is de omvang van de werkende Nederlandse beroepsbevolking sinds de introductie van de pc begin jaren tachtig verdubbeld, in plaats van gehalveerd, zoals indertijd werd voorspeld. Dat proces is op een geweldige manier geanalyseerd in het proefschrift van Sjoerd Bakker: ‘From Luxury to Necessity: What the railways, electricity and the automobile teach us about the IT revolution’. Het is in 2017 uitgegeven bij Boom Uitgevers, 2017.

Ook grappig is de anekdote van MIT-onderzoeker David Autor die in een TED-talk (YouTube) vertelt hoe je een boerenjongen uit pakweg 1920 misschien nog wel kunt overtuigen van het feit dat 99% van het werk in de landbouw gaat verdwijnen, maar zeker niet van het feit dat zijn kinderen en kleinkinderen succes zullen boeken als programmeur, verkeersvlieger, supermarktmanager, opruimcoach, tatoeëerder, app-developer of domotica-installateur.

‘Je vraagt je soms af onder wat voor steen ze in het onderwijs leven’

Nieuwe competenties en vaardigheden

Wat mij betreft kunnen al die dystopische boeken  in de openhaard. Toch zijn er voldoende redenen om je vanuit het onderwijs zorgen te maken over de situatie op de arbeidsmarkt. Klassieke beroepen (secretaresse, administratief medewerker, winkelverkoper) verdwijnen wel degelijk. Andere beroepen worden opgehakt in kleine stukjes, waardoor de flexibilisering van de arbeidsmarkt toeneemt.  Voor nieuwe beroepen zijn nieuwe competenties en vaardigheden nodig, terwijl vooral het beroepsonderwijs notoir traag is bij het vernieuwen van het curriculum. De wereld verandert wat sneller dan in het verleden, technologie wordt onderdeel van al  het werk en vaste banen worden ingeruild voor  klussen via platforms als Deliveroo, Werkspot,  Helpling en Temper.

Enkele voorbeelden van publicaties en rapporten over personeelstekorten
• De bouw: Verwachtingen Bouwproductie en Werkgelegenheid, Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid, januari 2019
• De binnenvaart: Schreeuwend tekort aan schippers en stuurlieden. Schuttevaer, juli 2017
• De energiesector: Effecten van de energietransitie op de regionale arbeidsmarkt – een quickscan. PBL Planbureau voor de Leefomgeving Den Haag, 2018.
• Technici: De tekorten aan technici in beeld. Intelligence Group/ Arbeidsmarktkansen.nl, september 2018.
• De land- en tuinbouw: Personeelstekorten gaan nu echt pijn doen. Sectorprognoses ABN AMRO, december 2018.
• Het onderwijs: Voortgangsrapportage plan van aanpak lerarentekort. Bijlage Kamerbrief over lerarentekort van de minister van OCW, 28 november 2017.

Met al die veranderingen zal het onderwijs komende generaties op een andere manier moeten voorbereiden op de arbeidsmarkt. Mensen opleiden voor star gedefinieerde taken of beroepen zal niet meer werken. De verwerving van een reeks algemene skills en vaardigheden zal centraal moeten staan. Sommigen noemen dat Bildung, brede vorming en ontplooiing, en dat is best een goed idee. In de toekomst zal iedereen moeten beschikken over het vermogen om te communiceren, te presenteren, in flexibele teams te werken, zich permanent bij te scholen, onder hoge druk te kunnen presteren, resultaten te behalen en in complexe projecten te werken. En dat waarschijnlijk als freelancer, zzp’er, ondernemer of flexwerker.

Daarnaast zal al het werk een ICT-, internet- of datacomponent kennen. Het is ontstellend hoe weinig tijd en ruimte daarvoor in het middelbaar onderwijs beschikbaar is. Anno 2019 is het vak programmeren nog steeds geen verplicht onderdeel van het curriculum in basis- en voortgezet onderwijs. En pas in de derde plaats zullen leerlingen beroepsgerichte competenties moeten verwerven, het liefst in een richting waarvan je kunt vermoeden dat er in de toekomst behoefte aan bestaat.

Helaas blijven het mbo en hbo talloze mensen opleiden voor beroepen waarvan je zeker weet dat ze onder druk staan, is er voor volstrekt voor de hand liggende nieuwe skills en vaardigheden geen plaats in het curriculum en worden leerlingen slecht voorbereid op de tamelijk rauwe arbeidsmarkt van de toekomst. Je vraagt je soms af onder wat voor steen ze in het onderwijs leven. De econoom Piketty voorspelde – naast een hoop andere dingen – dat landen waarin het opleidingspeil van de bevolking minder snel vooruit gaat dan de technologie, reddeloos verloren zijn.

Dat lijkt me geen idiote veronderstelling, en een stevige aansporing om er werk van te maken. Om te beginnen in het reguliere onderwijs, maar zeker ook op latere moment in het werkzame leven.