Meer ogen in de school

Op het Clusius College zijn het niet de docenten die in de pauzes surveilleren. Dat doen de leerlingen als Service Team. Zo leren ze elkaar aanspreken op gewenst en ongewenst gedrag. Gerard Klijn, facilitair coördinator, vertelt hoe dat gaat.

Het Clusius College is een vmbo-school waar ‘groen de rode draad is’, zoals op de site staat. Ook staat er bij ‘nieuws’: ‘Service Teams van het Clusius College Castricum weer gestart’. Gerard Klijn is facilitair coördinator en leidinggevende van zes conciërges, de administratie, roostermakers en de tuinman. Klijn: ‘We zijn dit destijds gestart om socialisatie en de betrokkenheid van de leerlingen binnen de school te bevorderen. Ook vonden we aandacht voor communicatieve vaardigheden en zelfvertrouwen belangrijk. De originele naam was pleinwacht, maar dat vonden we een negatieve bijklank hebben. Dus is het veranderd in Service Teams. Deze benaming klinkt vriendelijker en past beter bij de insteek.

Met hesjes

Alle 250 derdejaars leerlingen zijn verplicht lid van het Service Team. Ze draaien één week in het school- jaar tien pauzes met begeleiding van de conciërges. Per week is een halve klas aan de beurt. Als ze dienst hebben herken je deze leerlingen aan het blauwe hesje met Service Team op de rug. Klijn: ‘We doen het nu een jaar of vijf. Brugklassers krijgen uitleg van de conciërges, zodat ze weten dat medeleerlingen ze kunnen aanspreken. De derdeklassers krijgen een training om te leren hoe je dat doet.’ De conciërges maken een rooster zodat de jongeren weten wanneer ze aan de beurt zijn. Ze gaan voor de pauze tien minuten eerder de les uit, dan krijgen ze van de conciërge een uitleg over wat we van ze verwachten. We delen de hesjes uit, maken koppels en een indeling voor de verschillende ruimtes, elke pauze gaan ze naar een ander gebied. Na de pauze even samen zit- ten met soep of chocolademelk, en dan tien minuten later naar de les. ’

Aandacht voor het  milieu

We vinden het goed voor de persoonlijke ontwikkeling dat onze jongeren elkaar leren aanspreken op normen en waarden. Het helpt ook om de rust in school te bewaren. Het is leuk en nuttig om daar met elkaar op te letten, je hebt zo meer ogen in de school.’ Op het Clusius College is aandacht voor het milieu, duurzaamheid en gezondheid belangrijk.

Het inzetten van het Service Team past daarbij, vertelt Klijn. ‘Wijzen op afval opruimen komt het meest voor. We doen aan het scheiden van afval, dus verantwoord opruimen: gooi je rommel weg in de juiste bak. Je merkt als lid van het Service Team dat je het prettig vindt als iemand naar je luistert. Als iemand jou dan aanspreekt weet je dat en luister je naar je medeleerling.’

Certificaat halen

Alle leerlingen krijgen in de derde klas een training tijdens een lesuur van link4you. ‘Ze krijgen uitleg over hoe je iemand aanspreekt en hoe je iets kunt bereiken. Dat gaan ze oefenen in rollenspellen met een externe trainer.’ Klijn legt het vragen stellen uit. ‘Dat doe je netjes. Je vraagt bijvoorbeeld iemand iets op te ruimen. Werkt dat niet dan vraag je het nog eens met een onderbouwing erbij. Als dat niets op- levert vraag je het een derde keer, dan met een motivatie erbij. Als iemand na drie keer nog niets doet, schakel je een conciërge in. Bij gedragsproblemen of ruzie haal je direct een conciërge.’ De leerlingen krijgen een certificaat als ze in hun pauzedienst voldoen aan de richtlijnen. ‘Dat beoordelen de conciërges. Ze letten op aanwezigheid - meer dan een halve week, een proactieve houding en durven aanspreken. Ruim 80% van onze leerlingen haalt dit. Aan het eind van een schooljaar benoemen we een klas die deze taak als beste heeft uitgevoerd. Die belonen we met bijvoorbeeld een taart.’

Eng in het begin

‘We zien dat het de rust echt heeft bevorderd’, merkt Klijn op. ‘Vroeger ruimden wij op en we scheidden het afval. Dat doen de leerlingen nu dus zelf. Het is niet zo dat het ons werk scheelt. Het maken van de roosters, het begeleiden en beoordelen kost behoorlijk wat tijd.’ Of de jongeren het leuk vinden om dit te doen? ‘De één wel, de ander niet, net als bij de vakken die ze volgen. Soms heb je een groep die je niet aan de gang krijgt, leerlingen die in hun pauze bij elkaar zitten niets te doen. Dan schakelen we de adjunct-directeur in. Je hebt altijd een paar leerlingen die niet vooruit te branden zijn. Dat is dan maar zo. Zij krijgen natuurlijk geen certificaat. Dat kan ze ook niets schelen.’

De meeste leerlingen doen het goed. Klijn: ‘In het begin van de week vinden ze het lastig om iemand aan te spreken, eng om te doen, ze kijken dan wat schuchter de kat uit de boom. Aan het eind van de week gaat het een stuk beter, leuk om in een week die vooruitgang te zien. Maar, het valt of staat met de inzet van de conciërges: als zij niet begeleiden leren de leerlingen het niet, dan doen ze niets en blijven ze stil in een hoekje staan.’

 


Lesgeven op afstand: een structurele verandering in het onderwijs?

‘Opties genoeg, maar onderzoek goed wat mogelijk is’

Halsoverkop heeft het onderwijs voor de zomer een andere manier van lesgeven moeten aanbieden aan leerlingen. Door het coronavirus is heel Nederland het onderwijs op afstand aan het geven. Op hbo en wo is het online lessen volgen niet geheel vreemd. In het basisonderwijs en voortgezet onderwijs is op afstand onderwijs krijgen helemaal nieuw. Aan Steven Pont, ontwikkelingspsycholoog en systeemtherapeut, is gevraagd om zijn visie te geven over de mogelijkheden die het onderwijs in de coronatijd en vooral ook in de tijd erna kan bieden. En wat betekent dat voor de individuele leerling? Vrijheid in verbondenheid, dat moet, volgens Pont, in ieder geval niet veranderen.

Meer gepersonaliseerd leren

Het lesgeven op afstand is volgens Pont niet waar we in zijn geheel naar toe moeten. Er zijn wel mogelijkheden om het afstandsleren uit te breiden. Volgens Pont is het juist nu de tijd om dat goed te onderzoeken. Pont: ‘Echter zijn er veel leerlingen waarbij dit onderwijsleerproces vermindert door de achterstand die kinderen oplopen. Het geduld van leerlingen wordt op de proef gesteld en denk ook aan de achterstand in de sociale vaardigheden. Daarnaast heeft een andere groep leerlingen heel veel voordelen bij het op afstand leren. Leerlingen die behoorlijke sprongen gemaakt hebben.

Zij ervaren het gepersonaliseerd leren als een voordeel. Leerlingen die bijvoorbeeld snel afgeleid zijn als ze in een klas van 30 leerlingen zitten of leerlingen die uit schaamte in een groep geen vragen durven te stellen. Zij zullen nu de vraag juist vanuit zichzelf aan de leerkracht stellen.’ Hierbij stelt Pont duidelijk dat voor deze laatstgenoemde groep er zeker een nadeel aan zit. Vanuit twee belangrijke zaken, het sociaal emotionele en het cognitieve, zal deze groep leerlingen op sociaal-emotioneel vlak zich minder goed ontwikkelen terwijl ze op het cognitieve vlak sterk zullen groeien.

Als het onderwijs moet veranderen, ziet Pont de volgende optie als mogelijkheid: ‘Het zou een scenario kunnen zijn, dat leerlingen 1 dagdeel thuis werken. De klassen worden daardoor kleiner en de leerling die thuis werkt, kan voor zijn/haar kennisverwerving zelf een planning maken en aan de slag gaan. Voor de kennisverwerking zal de leerling meer fysiek op school aanwezig zijn. Pont: ‘De leerling kan zelfstandig op een dagdeel aan het werk en biedt vooraf een thuisrooster aan de leerkracht aan. Vanuit een soort door de school ontworpen menukaart, kan de leerling zijn keuze maken voor opdrachten, maatschappelijk gerichte onderzoeken doen of interessegebieden onderzoeken. Het specifieke deel gericht op gepersonaliseerd leren kan daardoor groter worden.’

Pont benadrukt wel dat gepersonaliseerd leren in de omgeving van thuiswerken ook intensiever is. Ouders die continu aanwezig zijn en corrigerend kunnen reageren op hun eigen kind als het bijvoorbeeld dromerig naar buiten staart. Het heeft dus de voorkeur dat de leerling dat ene dagdeel zelf gaat doen. Daarnaast blijft het fysieke contact met de groepsgenoten en leerkrachten belangrijk voor de ontwikkeling van het kind.

Relatie ouder-school-kind-maatschappij

Op veel scholen werkt het driehoeksmodel waarbij kinderen, school en ouders centraal staan. Pont ziet echter veel meer in een vierhoeksmodel. Naast de kinderen, school en ouders heeft ook de maatschappij een belangrijk aandeel bij de ontwikkeling, interesses en vaardigheden van het kind. Als voorbeeld nemen we de profielkeuze. Een keuze waarbij de groepsdruk een rol kan spelen. Bij het op afstand leren en je eigen pad uitzoeken, dus gepersonaliseerd, zal die groepsdruk verminderen. Pont: ‘Twee belangrijke energieën die er zijn bij het maken van keuzes: energie naar iets af en energie naar iets toe. Vooral de energie naar iets toe werk je uit omdat de interesse daar ligt. Je motivatie om te ontdekken wat je wilt. Ligt je interesse bij zorg, dan kun je gepassioneerd de boer op gaan. Zorg ervoor dat de leerling met al die ontdekkingen een portfolio maakt in plaats van een cijferlijst. Ga de praktijk in, maak daarvoor een selectie van een aantal opdrachten. Wat wil je weten over bijvoorbeeld techniek of economie? Zet vooral het vierhoeksmodel in: ouders, school, kind en maatschappij. Ga samen evalueren en reflecteren op de ervaringen die de leerling heeft opgedaan. Geef leerlingen kansen om te ontdekken.’ Pont geeft zelf het voorbeeld over een gebeurtenis die de geschiedenis ingaat. Het ging om het presidentschap in Amerika. Hij heeft zijn eigen kinderen het eerste lesuur thuis gehouden om op televisie te laten zien en te laten beleven, dat er geschiedenis geschreven werd. Het zelf mee laten maken in plaats van uit de boeken moeten leren dat een inauguratie van een president in Amerika geschiedenis is. Zelf de wereld ontdekken is belangrijk om je interesses en inzichten verder te ontwikkelen. Daar heb je dit vierhoeksmodel ook voor nodig. Pont: ‘Dat is de verandering die in het onderwijs ook moet plaatsvinden. Scholen die niet alleen op de alwetende leerkracht met het alwetende boek leunen, maar juist operaties uitvoeren waarbij kinderen zelfstandig kunnen en mogen leren aan de hand van diverse thema’s.’

Maatwerk

Pont benadrukt dat maatwerk iets anders is dan gepersonaliseerd leren. Wil je maatwerk inzetten bij het op afstand leren, dan is dat iets wat erbij komt op de menukaart van de school. Pont gebruikt daar- voor een mooi voorbeeld: ‘Zet niet iedere leerling op dezelfde route in de wasstraat. De een heeft een extra wasbeurt nodig, de andere een beschermend laagje op de lak. Maar de verbinding met elkaar en het doel op zich moet wel blijven. Vrijheid in verbondenheid! Met gepersonaliseerd leren bedoel ik veel meer dat kinderen investeren en verdiepen in persoonlijke interesses.’

Op de vraag of we met het op afstand leren en opties voor dagdelen thuis werken de toekomst ingaan, zegt Pont: ‘We hebben geleerd dat dingen anders kunnen. Of het virus na twee jaar pas onderdrukt is, moet niet de extra pijn zijn. De urgentie ligt al bij de eerste pijn. Wat enorm belangrijk is, is dat we de groep leerlingen die het thuis niet goed hebben, niet uit het oog verliezen. Kinderen die thuis niet kunnen werken omdat ze geen laptop hebben. En als ze dan een laptop krijgen, blijkt dat er geen Wifi aanwezig is. Kinderen die door ruimtegebrek thuis geen fatsoenlijke werkplek hebben en in een kast zitten om hun huiswerk digitaal te maken. Er zal over heel veel zaken nagedacht moeten worden. Ik denk wel dat het nu precies de tijd is om het te gaan doen.

 

 


Nieuw curriculum voor burgerschap in het vo

Oorspronkelijk zou per 1 augustus de wet ‘Verduidelijking burgerschap’ in het voortgezet onderwijs van kracht worden. De wet is reeds besproken in de Tweede Kamer. Door de coronamaatregelen is de Eerste Kamer echter nog niet aan behandeling toegekomen. Daarom is invoering van de wet verschoven naar 1 augustus 2021. Een geluk bij een ongeluk: een jaar extra voorbereidingstijd lijkt geen overbodige luxe voor een succesvolle invoering van dit nieuwe vak.

Sinds 2006 hebben Nederlandse vo-scholen de wettelijke opdracht aandacht te besteden aan ‘actief burgerschap en sociale integratie’. Scholen zijn ver- plicht om een visie te ontwikkelen en uit te werken rond burgerschapsonderwijs, de opbrengsten te evalueren en verantwoording daarover af te leggen in schoolplan en schoolgids. Dankzij de vrijheid van onderwijs, vastgelegd in artikel 23 van de Grondwet, hebben Nederlandse scholen veel ruimte om zelf te bepalen hoe ze hun onderwijs inrichten.

Geen oogcontact

Waar alleen de verplichting bestaat om ‘iets’ aan burgerschap te doen en richtinggevende kaders ontbreken, is het gevolg dat elke school maar wat aanrommelt. Zo zijn er scholen die leerlingen in het kader van burgerschap laten werken in een dagopvang voor verstandelijk beperkten (‘zodat ze zien dat de maatschappij groter is dan het stukje waarin ze zichzelf bevinden’), terwijl andere scholen hun leerlingen bijbrengen dat jongens en meisjes in de puberleeftijd geen oogcontact mogen hebben en dat een vrouw kleding moet dragen die alles bedekt, behalve haar gezicht en handen. Een schrikbeeld in dit opzicht vormt het mbo, waar burgerschap al meer dan tien jaar een verplicht vak is en dat daar letterlijk door iedereen gegeven wordt, maar zelden door een bevoegde docent. Ik ken uit eigen ervaring de praktijk op een roc in Utrecht, waar vooral docenten omgangskunde het vak geven, en dat daardoor een negatief imago heeft. Mij werd door een collega een keer gevraagd of ik hem even kon ‘bijpraten’ over Spinoza, want daar moest zijn volgende les burger- schap over gaan.

Hard oordeel

Een belangrijke reden voor de wettelijke opdracht om aandacht te besteden aan actief burgerschap was destijds de toename van antidemocratische opvattingen in de Nederlandse samenleving. Op 25 juni 2020 werd het verslag van de parlementaire ondervraging over ‘ongewenste beïnvloeding uit onvrije landen’ aangeboden aan de Tweede Kamer. De ondervragingscommissie beantwoordt de vraag of er beïnvloeding uit onvrije landen plaatsvindt, volmondig met ja.

In de Staat van het Onderwijs 2019 velt de inspectie een hard oordeel over het huidige burgerschaps- onderwijs in het voortgezet onderwijs. Het rapport constateert dat veel scholen nog geen heldere visie en planmatige, opbrengstgerichte aanpak hebben ten aanzien van burgerschapsonderwijs. Ook bestaan er grote verschillen tussen scholen en blijken de burgerschapscompetenties van leerlingen in het tweede jaar van het voortgezet onderwijs sterk achter te blijven bij die van leeftijdsgenoten in vergelijkbare landen. Eerder dit jaar concludeerde de Inspectie na een breed onderzoek dat een kwart van de onderzochte scholen te weinig doet aan het actief bevorderen van basiswaarden van de democratische rechtsstaat zoals verdraagzaamheid, gelijk- waardigheid en het afwijzen van discriminatie.

Socratische gespreksmethode

Geen wonder dus dat minister Slob (basis- en voortgezet onderwijs) besloot om scholen meer houvast te bieden bij de invulling van het burgerschapsonderwijs. Op 29 november 2019 stuurde hij het wets- voorstel ‘Verduidelijking burgerschapsopdracht’ naar de Tweede Kamer, dat scholen meer richting geeft en de burgerschapsopdracht minder vrijblijvend maakt. In het wetsvoorstel staat dat scholen ‘actief burgerschap’ en ‘sociale cohesie’ moeten bevorderen door leerlingen de basiswaarden van de democratische rechtsstaat bij te brengen. In de toelichting noemt Slob vrijheid, gelijkwaardigheid, solidariteit, tolerantie en verantwoordelijkheid als de verplichte kern van het burgerschapsonderwijs. Op deze manier betekent het vak burgerschap een belangrijke inhoudelijke vernieuwing van het onderwijs.

Slob wil dat bij burgerschapsonderwijs de universele rechten van de mens en de grondwet leidend zijn. Daarmee bedoelt hij natuurlijk niet dat de inhoud van die documenten met een lesje maatschappijleer of staatsinrichting als kennis overgedragen moet worden. Het gaat bij burgerschapsonderwijs om actief en betrokken nadenken over een rechtvaardige samenleving. Dat betekent dat jongeren de waarden waarop onze democratie en rechtsstaat gebaseerd zijn internaliseren: zich daadwerkelijk eigen maken. Ze moeten niet alleen wéten wat democratie inhoudt, maar daadwerkelijk democraat wórden. Een goede manier om dat effect te bereiken, is de socratische gespreksmethode. Hierin dient de docent burgerschap dan ook bij uitstek bedreven te zijn. In een socratisch gesprek gaat het niet om debat en discussie, maar om een dialoog: een gezamenlijk intellectueel onderzoek naar onderliggende waarden, waarbij hardop nagedacht wordt en ‘foute antwoorden’ niet bestaan. Om zo’n gesprek in goede banen te leiden, dient de docent burgerschap over voldoende intellectuele bagage te beschikken én voldoende filosofische vaardigheden om zijn leerlingen te laten ‘klimmen’ en tot volwaardige burgers te laten uitgroeien.

Bevoegdheidseis

De vraag is wie dit soort burgerschapsonderwijs in het voortgezet onderwijs moeten gaan geven. Gevreesd moet worden dat momenteel te weinig docenten hiervoor voldoende toegerust zijn. Daarom is het jaar uitstel van de wet ‘Verduidelijking burgerschap’ zo slecht nog niet. Dat jaar kan gebruikt worden om meer docenten op te leiden die het vak kunnen geven. Op dit moment is de Hogeschool voor Toegepaste Filosofie (HTF) de enige hogeschool in Nederland die een onderwijsbevoegdheid in het vak burgerschap mag afgeven. De docenten burgerschap die de HTF aflevert, hebben een gedegen filosofische scholing achter de rug en zijn op basis daarvan in staat een socratisch gesprek te leiden.

Eisen stellen aan het vak burgerschap betekent in de eerste plaats: eisen stellen aan de docent die het vak geeft. Onderwijs zal nooit beter zijn dan de docent die het verzorgt. Zorg ervoor dat er voldoende hoogopgeleide, bevoegde docenten burgerschapsonderwijs kunnen geven, docenten die over voldoende inhoudelijke kennis beschikken omtrent de basis- principes van onze democratie en rechtsstaat, en de waarden waarin deze geworteld zijn. In de opleiding van deze docenten moet ruim aandacht besteed worden aan filosofie en filosofische vaardigheden.

Mijn suggestie aan minister Slob zou zijn om - nu zijn wetsvoorstel toch een jaar is uitgesteld - er een bevoegdheidseis aan toe te voegen.

Martin Slagter is oprichter en algemeen-directeur van de Hogeschool voor Toegepaste Filosofie, en hier werkzaam als docent Taalvaardigheid en Taalfilosofie


LOB: Hoe staat het ermee? - Deel 3

Waar een wil is, is een weg

Hoe kun je op school beginnen om LOB en de kwaliteit van de integrale leerlingbegeleiding in de eerste lijn te verbeteren? Daar probeer ik je in dit stuk zo veel mogelijk handvatten voor te geven. We willen allemaal het beste voor onze leerlingen. Ik daag je uit om met één of een aantal aspecten aan de slag te gaan. Het is belangrijk om in beweging te blijven; je zult zien dat alle kleine stapjes je vooruithelpen!

Om goed vorm te kunnen geven aan een loopbaangerichte leeromgeving, moet je allereerst onderkennen dat dit een grote cultuurverandering is die veel impact zal hebben op vele facetten in je school. De actieve betrokkenheid van het management is hierbij cruciaal. Veel processen en manieren van werken moeten anders ingericht zodat ‘de leerling centraal’ ook echt betekenis en inhoud krijgt. Dat moet stapsgewijs en dit lukt alleen met input van collega’s, betrokken specialisten en het management.

Van visie tot begroting

Om te beginnen moet er eerst een duidelijke visie op LOB en integrale leerlingbegeleiding worden geformuleerd. Het is belangrijk dat deze bekend is  bij het voltallige personeel op de school. Wanneer deze visie er is, kun je zorgen voor een herkenbaar LOB-beleid dat is afgestemd met de MR en de leerlingenraad. Het LOB-beleid leg je tenslotte vast in het schoolplan. Deze laatste stap is belangrijk  omdat je daarmee ook de benodigde tijd, ruimte, middelen en professionalisering mee kunt nemen in de begroting van de school.

Als school dien je ook de leerlingen en ouders te informeren over het LOB-beleid en de LOB-activiteiten. Leerlingen hebben een inspanningsverplichting om zich goed voor te bereiden op een studiekeuze en daarmee een persoonlijk loopbaantraject. Het moet dan ook duidelijk zijn wat er van ze gevraagd wordt en hoe zij daaraan kunnen voldoen. Ook voor de ouders is het belangrijk dat zij weten wat er van hen verwacht wordt en dat ook zij een actieve en betrokken rol hebben.

Aan de slag

Wanneer je weet waarom je iets wilt doen, wordt het tijd om na te denken hoe je daar vorm aan wilt geven. Wat zijn belangrijke pijlers? Denk dan bijvoorbeeld aan de drie kenmerken van de loopbaangerichte leeromgeving: praktijkgericht, dialogisch en vraaggericht. Hoe realiseren leerlingen ‘what’s in it for them?’ Op welke manier zorg je als school voor integraliteit, dat zichtbaar wordt hoe alles met elkaar is verbonden? Hoe zorg je dat de leerling echt centraal staat, iets te kiezen heeft en een actieve rol heeft? Hoe borg je het beleid, het programma en het proces van de leerling? En welke items wil je zeker borgen in een digitale tool/portfolio voor de leerling? Er zijn drie niveaus voor leerlingen om ervaringen op te doen: oriëntatie op werk door informatie (niveau 1), ervaren op school en privé (niveau 2) en ervaren in de beroepspraktijk (niveau 3). Werkexploratie draagt bij aan het gestructureerd ontwikkelen van een zelfbeeld in relatie tot werk en opleiding. Belangrijk daarbij is een voortdurend cyclisch proces in de vorm van een doorlopende LOB-lijn. Veel begeleiders willen vaak gelijk naar de wat-vraag en te snel invulling geven aan de opdrachten en activiteiten.

De hoe-vraag is juist een belangrijke in dit proces en door deze vragen goed te beantwoorden, kun je je onderscheiden en samenhangend duidelijkheid en richting geven. Alleen dan kun je persoonlijke trajecten bieden waarbij de leerling en zijn begeleiders gestructureerd aan de loopbaancompetenties werken.
In de Ambitieagenda en de Kwaliteitsagenda LOB van het LAKS, JOB, de NVS-NVL, de VvSL, de VO-raad en de MBO Raad vind je alle kaders, handvatten en tips om dit proces goed vorm te geven op je school. Met deze kwaliteitsagenda’s wordt duidelijk wat er van je als school wordt verwacht op het gebied van LOB. Dit zijn de afspraken uit het sectorakkoord die gemaakt zijn met de schoolleiders. Alle scholen dienen hieraan te voldoen. Naast deze documenten, die te downloaden zijn op nvs-nvl.nl is het handig om de Golden Cirkel van Simon Sinek en het Verandermodel van Knoster te gebruiken.

Keuzes maken

Wanneer je gestructureerd werkt om LOB en de integrale leerlingbegeleiding op een hoger plan te krijgen, dan zal je niet kunnen blijven stapelen. Je moet vaak keuzes maken, omdat het anders simpelweg niet meer te doen is en er veel zaken dubbel gebeuren. Neem bijvoorbeeld de manier waarop we de voortgang monitoren van onze leerlingen: rapportvergaderingen waarbij alle docenten over de leerlingen praten, de daarbij behorende ouderavonden waarbij leerlingen met hun ouders die docenten aflopen waarbij de leerling niet goed scoort en mentor-ouder-leerling-gesprekken. Dat is nogal veel allemaal. Je zult moeten kiezen. Dat hoeft niet voor alle stappen in één keer, je kunt het gefaseerd doen. Bij alles wat er in en om de school gebeurt, stel je de vraag wie er hard aan het werk is en wie je zou willen die er hard aan het werk zou zijn. Als we de leerling actiever, meer betrokken en meer verantwoordelijk willen zien, is het dan logisch dat de mentor en de docenten alles regelen, noteren en organiseren?

Professionalisering

Het is een illusie om te denken dat alle mentoren/ docenten alle vaardigheden en kennis bezitten om LOB goed vorm te geven en leerlingen op de juiste manier te begeleiden en te coachen. Dat hebben we immers al gezien in het onderzoek dat daarnaar gedaan is. Het zit weinig tot niet in de docentenopleidingen en ook op scholen krijgen beginnende docenten hierbij niet de juiste begeleiding en scholing. Het loont dus om hierin te investeren en daarvoor is schoolbreed commitment nodig, juist ook van het management. Zien we LOB en leerlingbegeleiding als taken die bij de corebusiness van de docent horen? Zo ja, dan moeten we duidelijke kaders en verwachtingen scheppen. En tegelijk professionalisering bieden, aan zowel de beginnende als ervaren docenten/mentoren. Schrijf hier een plan voor. Zorg er daarbij voor dat duidelijk is wat er van iedereen verwacht wordt in de praktijk. Op die manier kun je ten eerste zien of iemand aan de verwachtingen en eisen kan voldoen en ten tweede dat er voor de leerling een minimumkwaliteit gewaarborgd is. Dat zorgt ervoor dat de kwaliteit van het mentoraat en de begeleiding bij LOB niet geheel afhankelijk is van wie de leerling als mentor krijgt.

Als school laat je zien dat je dit serieus neemt door dit ook onderdeel van de kwaliteitscyclus en de gesprekkencyclus te maken. Een voortgangsgesprek moet dus niet alleen maar gaan over je vak, de bijbehorende didaktiek, de cijfers en het verschil SE-CE, maar ook over de begeleiding in het mentoraat en het mede vormgeven van LOB.

Essentie

In de basis betekent dit de pijlers van het onderwijs zichtbaarder te maken. Dus naast kwalifi cering ook aandacht voor socialisatie en persoonsvorming. Het nieuwe curriculum benoemt dit als brede vaardigheden. Ik zou het eenvoudig zo aangeven:
1 Leren leven
2 Leren leren
3 leren kiezen
Als begeleider ben je hierin de coach. Het gaat om alles wat leerlingen op school meemaken en leren en ook daarbuiten met elkaar te verbinden. Denk bijvoorbeeld aan generieke studievaardigheden. Pas wanneer duidelijk wordt dat vaardigheden als presenteren, samenwerken en onderzoeken eigenlijk overal hetzelfde zijn, kun je de overladenheid wat uit het programma halen.

Tot slot

Wat de coronacrisis ons laat zien, is dat we ook zonder de heilige huisjes van ons verouderde onderwijssysteem kunnen. Dat het echt niet per se nodig is om zo’n strikt rooster te volgen met de bel als slavenmeester. Realiseer je dat leerlingen zelfstandiger zijn en meer kunnen dan wij denken, zeker als ze de tools daarvoor en het vertrouwen van ons krijgen. Vaak stellen leerlingen ons niet teleur als we de verwachtingen die we van onze leerlingen hebben verhogen, hetzelfde geldt overigens ook voor lage verwachtingen. We kunnen wel veranderen wanneer we dat willen (moeten). In de afgelopen weken tijdens deze crisis zie ik zo veel mooie dingen gebeuren en nieuwe ontwikkelingen ontstaan, meer dan in de voorgaande tien jaren bij elkaar. Het geeft mij moed en vertrouwen dat we het onderwijs in de komende jaren relevanter en betekenisvoller kunnen maken voor de leerling. Waarbij leerlingen en docenten zowel binnen als buiten de school veel leren en waarbij we de wereld meer de school in halen en de leerlingen en docenten meer de wereld in sturen.

Ik hoop dat ik je heb kunnen inspireren om aan de slag te gaan met één van de genoemde thema’s of onderwerpen. Denk eraan dat je gelijk actie onderneemt. Heb je na drie weken niks gedaan, dan is de kans groot dat je er niks meer mee doet. Op de sites van de NVS-NVL (www.nvs-nvl.nl) en van het Expertisepunt LOB (www.expertisepuntlob.nl) vind je enorm veel hulp en informatie. Van good practises tot LOB-scans en ander materiaal om je te ondersteunen. Voor professionele begeleiding kun je contact opnemen met Ellen Rozeman, onze coördinator van de NVS-NVL Academie.

Kijk op www.nvs-nvl.nl/academie
Wanneer je n.a.v. dit drieluik vragen hebt, kun je contact met me opnemen: m.drenth@nvs-nvl.nl


Begeleiders weten heel goed wat zij nog niet weten

Komend schooljaar wordt het vierde jaar dat de NVS-NVL met de NVS-NVL Academie wil bijdragen aan een sterk begeleidingsklimaat in het vo en mbo. Academiecoördinator Ellen Rozeman stond vier jaar geleden aan de basis van de professionaliseringstak van de NVS-NVL. Hoe kijkt zij naar een leven lang ontwikkelen? Ze prijst de deelnemers van de trainingen en cursussen: ‘Ze willen hun hele vakgebied naar een hoger plan tillen.’

1. Met welke vragen komen begeleiders naar de Academie? Waar ligt de professionaliseringsbehoefte bij o.a. decanen en zorgcoördinatoren?
De professionaliseringsbehoefte kun je onderverdelen in drie aspecten: het professionaliseren van de eigen rol binnen de school en daarbuiten en zich vakbekwamer willen tonen binnen het eigen vakgebied. Daarnaast merken we binnen de NVS-NVL Academie langzaam aan dat begeleiders zich hard maken voor samenwerking. Niet alleen met directe collega’s, maar met alle lagen in de school. Decanen die LOB uitdragen aan álle collega’s, zorgcoördinatoren die nauw de samenwerking zoeken met decanen. Ik vind het geweldig dat wij daar met ons aanbod een ondersteunende rol in kunnen bieden. Samenwerking: daar kun je toch alleen maar vóór zijn? Ten slotte is er veel vraag naar maatwerk. Begeleiders hebben heel specifieke wensen voor hun eigen onderwijspraktijk. Daarop kunnen we gelukkig goed inspelen, onder andere doordat we een goed voortraject hebben bij onze trainingen en cursussen.

2. Vertel eens wat meer over de wens van begeleiders om zich te professionaliseren binnen hun eigen rol? Wat bedoel je daar mee?
De afgelopen jaren heeft het me in positieve zin verrast dat deelnemers aan onze cursussen een diepgeworteld verlangen hebben om niet alleen zichzelf te ontwikkelen, ze willen hun hele vakgebied naar een hoger plan tillen. Dat doen ze door aan zichzelf te werken, door zich te professionaliseren binnen hun vakgebied, door bruggen te bouwen naar collega’s en door de samenwerking op te zoeken. Ik denk dat alleen zo’n type professional de juiste kwaliteit van begeleiding kan bieden aan lDe arbeidsmarkt van de toekomst verlangt begeleiders die zichzelf nú al flexibel kunnen opstellen. Iemand die niet alleen aan jongeren uitlegt dat een leven lang ontwikkelen belangrijk is, maar die dat mantra zelf ook van harte neemt. Practice what  you preach!

3. Hoe kijk jij naar de samenwerking tussen verschillende begeleidingsstromen/ lijnen of disciplines?
Ik zie dat hiernaar steeds meer vraag is, ook binnen de NVS-NVL Academie, maar het mag zeker nog een onsje meer zijn. Dat willen we vanuit de NVS-NVL eerlingen en studenten.

cademie dan ook graag uitdragen. Kijk maar naar het aanbod van komend schooljaar. We hebben onder andere de trainingsmodule ‘Optimaal Begeleiden Doen we Samen’ ontwikkeld, waarin we aandacht hebben voor de gehele begeleidingslijn binnen de school. Er is aandacht voor LOB én voor extra ondersteuning. In veel scholen zijn dit twee aparte lijnen, maar waar kruisen deze elkaar en waar kunnen ze elkaar versterken? Ik nodig dan ook alle begeleiders van harte uit om hieraan deel te nemen! Ook zullen we veel meer aandacht besteden aan de cruciale rol van de mentor. Ook hier komen loopbaanontwikkeling en leerlingondersteuning samen en ook hier is samenwerking van belang, in het belang van de leerling en student. Ik kan er nog niet veel over kwijt, maar in januari 2021 is onze eerste training voor mentoren klaar.

4. Hoe belangrijk is maatwerk binnen de NVS-NVL Academie?
Heel belangrijk. Zoals ik eerder aangaf, is hiernaar steeds meer vraag. Begeleiders weten heel goed wat zij nog niet weten. Ze zijn uitstekend in staat om hun leerwens te formuleren. Het is dan aan onze trainers om die vraag te vertalen naar een passend leertraject. Ik ben er overigens trots op dat onze trainers binnen cursussen en trainingen ook een hoge mate van maatwerk weten te bieden. We draaien geen plaat af en geen training is hetzelfde, mede door het voortraject waarin onze trainers naar individuele leervragen vragen. Ik denk dat dit ons onderscheidt van veel andere aanbieders. Onze trainers komen zelf allemaal uit de praktijk. Het zijn zelf professionals die zichzelf blijven bekwamen en ontwikkelen, zodat zij anderen daarbij kunnen helpen. Samen tillen we begeleiding zo naar een hoger plan.

5. Hoe gaat de NVS-NVL Academie om met de coronacrisis? Werkt dat nog wel in de praktijk?
We volgen de richtlijnen van het RIVM en zullen in kleinere groepen moeten samen komen. Een bijkomend voordeel is dat we op deze manier nog meer individuele aandacht per deelnemer hebben en dus nog meer maatwerk kunnen bieden. We weten dat onze deelnemers een voorkeur hebben om fysiek deel te nemen aan een training of cursus. Ze zijn  dan de school uit; werken in een andere omgeving kan heel stimulerend zijn. Direct contact met trainers en medecursisten wordt daarnaast zeer op prijs gesteld, je kan zo ook je netwerk versterken. Waar mogelijk, geven we onze trainingen dus zoveel mogelijk in het echt in plaats van online. Tegelijkertijd hebben we al een aantal keer met veel succes online trainingen gegeven, als het niet anders kan, en we hebben al aanbod ontwikkeld dat alleen online mogelijk is: het Online Leertraject LOB. Deelnemers krijgen dan overigens wel een coach die 1-op-1 aan hen gekoppeld is. Het belangrijkste vinden we dat professionele ontwikkeling doorgang kan blijven vinden en we zullen er alles aan doen om dit voor elkaar te krijgen.


13 verbeterpunten voor het vavo

Studenten aan het woord

Rob van Laere maakte in februari voor zijn vak Maatschappijwetenschappen op de havo een schoolexamen. Hij schreef voor één van de opdrachten een casus over de relatie tussen slagingspercentage, de generatie Z en de docenten van het vavo. Eén van de vragen was welke aanbevelingen Van Laere kan doen om het slagingspercentage te verbeteren. Al doende ontstond het idee om hier een extra vraag aan te koppelen, vanuit het perspectief van de student: ‘Welke aanbeveling zou jij het management doen om het vavo-onderwijs te verbeteren?’ Op deze pagina’s een opsomming van antwoorden van de studenten. Waardevolle informatie, ter lering ende vermaak, van een heterogene groep jongeren met uiteenlopende ervaringen in verschillende onderwijssoorten. Over de antwoorden is minimaal redactie gevoerd; ze komen vrijwel rechtstreeks uit de pen van de studenten.

1. Minder lange dagen. De meeste studenten komen laat thuis van school en hebben dan geen tijd/energie meer voor het maken van huiswerk, leren, etc.

2. Minder vrijheid om niet aanwezig te zijn, want zodra je proeft van ‘het niet aanwezig hoeven zijn’, ga je een stuk minder naar de les, wat zorgt voor slechte cijfers.

3. Als student zou ik als aanbeveling geven om het onderwijs wat uitdagender te maken door middel van eventuele extra opdrachten om te voorkomen dat studenten lui worden en de motivatie wegzakt.

4. Ik zou het vavo verbeteren door meer aan groepsvorming te doen. Elke leerling is natuurlijk anders en ze hebben allemaal andere vakken die ze doen. Hierdoor kunnen studenten het gevoel hebben dat ze op zichzelf zijn. Dit kan ervoor zorgen dat studenten minder snel een band hebben met docenten en dat studenten hierdoor ongeïnteresseerd bij de les aanwezig zijn. Je hoort namelijk met plezier naar school te gaan. Zo hou je leerlingen bij de les. Op het moment dat een leerling ‘dit is vavo’ voelt, dan krijg je studenten zover om überhaupt naar school te gaan. Want zeg nou eerlijk, denken jullie echt dat leerlingen niet naar school gaan omdat we lui zijn? Of de hele dag op onze telefoon zitten? De reden dat mensen op hun telefoon zitten is omdat ze geen band hebben met mensen op het vavo om mee te praten of geen band hebben met docenten om op te letten of iets te vragen. (Ik meen dit oprecht, ik schrijf dit in de hoop dat dit wordt meegenomen in de toekomst voor vavo.)

5. Vavo heeft hier enkel havo en vwo. Doordat je gemixt zit op een school met mbo’ers, voel je je totaal niet thuis. Hierdoor zijn veel studenten minder snel geneigd om naar de les te komen, want het moet wel een prettige werksfeer zijn. Als aanbeveling een apart gebouw wat niet groot hoeft te zijn, aangezien het vavo niet veel klassen en studenten heeft.

6. Ik persoonlijk vind dat alle docenten net als meneer van Laere stof uit moeten leggen door verhalen erbij op te nemen. Zo wordt de stof door middel van een verhaal beter gegeven. Dit wordt voor maatschappijwetenschappen gedaan en ook voor economie, maar kun je ook op andere vakken inzetten.

7. Snap dat elke leerling op het vavo een verhaal heeft en dat is vaak de reden achter zijn of haar gedrag. Als een leerling het dan ook (aan een docent) uitlegt (klein deel), denk dan niet gelijk dat de leerling zich verdedigt. Soms willen we alleen dat de docent ervan weet. Niet alles is zoals het lijkt en we zijn allemaal anders. Wees iemand waarbij een leerling voelt dat hij kan komen. Steun is het belangrijkste!

8. Meneer Van Laere doet het goed. Eigenlijk perfect! Want hij begrijpt de leerlingen volledig en staat altijd open voor als iemand een probleem heeft. Maar als ik iets zou moeten veranderen dan zou ik de regels voor de examencommissie aanpassen. Alles wordt overgelaten aan de examencommissie en leerlingen haken af. Als ze bijvoorbeeld een echt probleem hebben, maar de kans niet krijgen om het later op te pakken omdat de examencommissie heeft vastgesteld dat het niet mag. Ik zou het niet anders doen. Probleem ligt bij de leerlingen en docenten. De taak van een docent is om de leerlingen te laten slagen en de taak van leerlingen is om te slagen. Dat is het enige wat telt en vandaar de slagingspercentages.

9. Er moet meer hulp worden geboden aan de problemen met het leren en de reden waarom leerlingen ongemotiveerd zijn. Ze moeten een schop onder hun kont krijgen. Leerlingen moeten elkaar motiveren en het vavo moet ze hierbij helpen. Iedereen wil een diploma, maar voor sommigen is de motivatie voor het diploma er niet maar wel voor de toekomst.

10. Mensen veranderen altijd en zullen dat ook blijven doen. Dus als iemand zo graag leraar wil zijn, moeten zij zich ook kunnen aanpassen per leerling of in dit geval een generatie. Hoe wordt de relatie tussen mensen gevormd en tot welk punt, wat is er voor nodig?

11. Studenten begeleiden in het structureren van schoolzaken, contact houden met leerlingen en ze klaarstomen voor het examen door puur examengericht les te geven, dat is naar mijn mening het meest effectief.

12. Meer activiteit voor de studenten waardoor het leren echt leuker wordt, ga de natuur in, doe aan sport en evenementen, ga op campagne of even een weekje eruit en laat men vooral leren met gevoel en de handen.

13. Als mensen niet meer naar school gaan, ga dan herinneringen sturen van toetsen/huiswerk en ze bang maken over studieschulden.


De vitale begeleider

Hoe houden scholen jou gezond en gemotiveerd?

Strategisch HRM: voor sommigen wellicht een bobo-term die door managers wordt gebruikt, maar de betekenis ervan heeft betrekking op iedereen in de school. Hoe speelt een school in op de inzetbaarheid van haar personeel? De gezondheid van het personeel? Professionalisering? Kortom: hoe houdt een school het personeel duurzaam inzetbaar, om zo de strategische doelen van die school te behalen?

Wie berichtgeving uit de media erop naslaat, weet zeker dat werken in het onderwijs een onverstandige loopbaankeuze is. Er zijn te weinig leraren, er is te veel werkdruk en er is sprake van afnemende kwaliteit, zoals onlangs nog werd gerapporteerd door het OESO. De werkelijkheid toont vaak een tegenovergesteld beeld: de liefde voor het vak van een gemotiveerde vakdocent, decaan of zorgcoördinator is ongeëvenaard. ‘Het is voor mij onmogelijk om fulltime te werken’, zei een docent Frans onlangs nog tegen onze redactie. ‘Ik werk 32 uur per week als docent en mentor, de andere 8 uur van de werkweek heb ik nodig om mijn werk af te krijgen.’ In welke andere sector dan het onderwijs accepteert men een fulltime baan tegen een parttime salaris? In mooi Engels: werknemers binnen het onderwijs zijn de ‘unsung heroes’ in onze maatschappij.

De S in ‘SHRM’

Hoe houden schoolleiders hun werknemers gezond en gemotiveerd, zonder de maatschappelijke missie van het onderwijs uit het oog te verliezen? Vanuit Strategisch Human Resource Management (SHRM), vergelijkbaar met wat eerder deze eeuw ook wel Integraal Personeelsbeleid (IPB) genoemd werd, probeert men al geruime tijd antwoorden te geven op deze vraag. Men spreekt van strategisch HRM ofwel SHRM wanneer personeelsbeleid wordt ingezet om de strategische doelen van een school of organisatie te bereiken. Dat gaat dus verder dan een schaal appels in de lerarenkamer, een fietsenplan voor de medewerker of een functioneringsgesprek. In het katern ‘Werk maken van strategisch HRM’, in 2019 hernieuwd uitgegeven door de VO-Raad, worden termen als ‘people management’, ‘professionele ontwikkeling’ en ‘duurzame inzetbaarheid’ niet geschuwd. Het is een uitgave die primair bedoeld is voor bestuurders en schoolleiders, maar wat merkt de ‘onbezongen held’ op de werkvloer van dergelijk beleid? Hoe schept een school een gezonde balans voor medewerkers, waar ruimte is voor werken, leren en leven?

Voor de realisatie en uitvoering van de strategie en het beleid van een school, zijn de medewerkers letterlijk van waarde voor de schoolorganisatie. Door hun inzet is een school in staat om een positieve maatschappelijke output te leveren: er worden jongvolwassenen afgeleverd die – als het goed is – in staat zijn gesteld om hun beste beentje voor te zetten in het leven en op de arbeidsmarkt. Het is de school er daarom aan gelegen dat haar medewerkers vakbekwaam zijn én blijven, gemotiveerd zijn en voldoende kansen krijgen om hun werk uit te oefenen. De mix van professionaliteit, motivatie en ruimte voor professionele uitvoering, leidt in een ideale situatie tot positieve opbrengsten voor de medewerker, de school als professionele organisatie en de maatschappij.
Bij het inzetten van een beleid voor SHRM heeft een school ook met andere belangen te maken. Jongeren moeten goede cijfers halen; met hun diploma en cijferlijst kwalificeren ze zich voor een vervolgopleiding of voor werk.

Tegelijkertijd wordt er verwacht dat leerlingen maatwerk aangeboden krijgen, dat ze goed burgerschap wordt aangeleerd, dat er voldoende begeleiding plaatsvindt bij oriëntatie op de loopbaan, dat ze werken aan persoonsontwikkeling en dat er een veilig schoolklimaat heerst. Een school kan in het beleidsplan ruimte reserveren voor het belang van LOB, maar als diezelfde school een decaan vervolgens twaalf taakuren geeft voor de invulling daarvan, dan zal (gebrek aan) professionaliteit, motivatie en ruimte voor weinig maatschappelijke output zorgen wanner er naar LOB wordt gekeken.

Duurzaam inzetbaar

Uit onderzoek over SHRM dat de VO-Raad in 2016 tot en met 2019 uitvoerde via haar online meetinstrument De Spiegel, blijkt dat schoolleiders positief oordelen over ‘de kwaliteit van hun onderwijsbeleid, […] de toepassing van het personeelsbeleid en de daarbij behorende ondersteuning aan medewerkers door team- en afdelingsleiders.’ Leraren geven deze onderdelen een voldoende tot een krappe voldoende. Dat is een discrepantie, al wordt daar volgens het katern van de VO-Raad hard aan gewerkt: ‘We hebben zwart-op-wit afgesproken dat schoolbesturen hier de komende jaren aan werken, gekoppeld aan de professionele ontwikkeling en duurzame inzetbaarheid van zowel leraren als schoolleiders. Want scholen zijn niet alleen een plek waar leerlingen leren, maar ook een plek waar leraren, schoolleiders en bestuurders zich ontwikkelen.’

Tegelijkertijd geven besturen in onderzoek ook aan dat volgens hen nog niet de helft van de leraren duurzaam inzetbaar is. Daarmee wordt bedoeld dat zij voldoende zijn toegerust om zich te blijven ontwikkelen. Motivatie om zich te ontwikkelen speelt daarbij een grote rol. Scholen lijken zich in het SHRM-beleid dan ook nog niet voldoende te bekommeren om ontwikkeling in brede zin: hoe kunnen leraren zich ontwikkelen náást hun vakgebied? De vele leraren die tot decaan zijn ‘gebombardeerd’ zonder dat ze enige hulp kregen om zich het vak meester te maken, zullen dat beamen.

Het besef van een gezonde en professionele leeromgeving lijkt te leven onder schoolbesturen en -directies. Dat is ook te zien bij SG Pantarijn in Wageningen, zo getuigt het interview met Inge Tromp, Senior HR-adviseur, op de pagina hiernaast.

‘Medewerkers in het onderwijs gaan vaak lang door’

Inge Tromp is Senior HR-adviseur bij SG Pantarijn. Zij heeft SRHM hoog op de agenda staan. Wat doet haar afdeling om het schoolpersoneel vitaal en duurzaam inzetbaar te houden?

Wat is de visie van Pantarijn op het gebied van duurzame inzetbaarheid? Duurzame inzetbaarheid is een breed begrip waar veel onder valt, denk bijvoorbeeld aan professionele ontwikkeling, motivatie en drijfveren en natuurlijk gezondheid en vitaliteit. Er is de laatste jaren veel aandacht voor het terugdringen van het ziekteverzuim, re-integratie en voor het begeleiden van werknemers naar ander werk. Tijdens de ontwikkeling van het nieuwe verzuimbeleid, stonden we echter ook stil bij de grote groep medewerkers die elke dag wél aan het werk is. Hoe houden we deze collega’s inzetbaar en vitaal? Werken in het onderwijs is een uitdagende baan waarbij het belangrijk is dat je fit en energiek bent en blijft om het werk te kunnen blijven doen.

Wordt er al veel over vitaliteit gesproken op school? Vanuit het verleden is dit een nogal moeilijk onderwerp, want het gaat al snel over leefstijl en gezondheid. Dat ligt dicht bij de privésfeer. We willen daarom vooral bewustwording stimuleren; laten zien dat je als medewerker zelf keuzes kunt maken. In andere sectoren doen ze al veel meer om duurzame inzetbaarheid en vitaliteit te promoten en een cultuur uit te dragen waar dat zichtbaar is. Binnen onze organisatie komt daar nu ook meer aandacht voor. Het is bijvoorbeeld mogelijk om een fiets aan te schaffen en je sportabonnement onder de WKR (werkkostenregeling) te laten vallen. Die fiscale ruimte willen we verder uitbreiden: wil je gebruik maken van een diëtiste? Dan kunnen we dat ook onder de werkkostenregeling brengen. Daarnaast staat het tijdig inzetten van interventies, zoals coaching, ook op de agenda. Denk bijvoorbeeld aan de verbetering van de balans tussen werk en privé.

Wordt er, in het geval van coaching, ook preventief iets gedaan? Wanneer een medewerker signalen afgeeft of er worden signalen opgepakt door een leidinggevende die ziet dat de emmer vol begint te raken bij een medewerker, dan proberen we hierop sneller in te spelen. Medewerkers in het onderwijs gaan vaak lang door, want anders is er lesuitval en daar voelt men zich verantwoordelijk voor. Maar het scheelt al wanneer je vraagt of dit de juiste, duurzame keuze is of dat het slechts een oplossing is voor de korte termijn.

Er is eind vorig jaar een enquête uitgegaan over vitaliteit op de werkvloer. Wat waren de uitkomsten? De helft van de medewerkers heeft hierop gereageerd,  een mooie respons. Een grote groep gaf aan dat ze zich best bewust zijn van hun eigen duurzame inzetbaarheid en vitaliteit. Veel medewerkers doen daar ook al wat mee, maar dan vooral buiten het werk. We hoorden dat medewerkers er op het werk iets meer mee willen doen. Vooral de gezondheidscheck en het aanbieden van gezonde tussendoortjes aan het personeel vond men belangrijk. Ook het promoten van wat er al is werd aangemoedigd, want vaak weten mensen niet wat er al allemaal mogelijk is. We zijn nu met een kleine groep medewerkers gestart met het uitwerken van eerste initiatieven. Ons motto is: klein beginnen en spread the word! Verder werk ik met collega’s aan workshops voor bepaalde doelgroepen. Neem medewerkers van 57 jaar en ouder. Zij moeten vaak nog tien jaar werken: hoe willen ze die laatste jaren gaan invullen? Dit is mogelijk te combineren met een toekomstscan. In een toekomstscan wordt ook het financiële plaatje meegenomen. Stel dat iemand een dag minder wil werken om op die manier zijn energie en het plezier in het werk te behouden, dan ga je kijken welke mogelijkheden er zijn. Hoe is je persoonlijke situatie, wat zijn de consequenties voor het pensioen?


LOB: Hoe staat het ermee?

Het kan en moet beter

Hoe is het gesteld met LOB in het Nederlandse onderwijs? LOB staat hoog op de politieke agenda en het is vakjargon in het onderwijs geworden. Toch constateert Marc Drenth, beleidsmedewerker bij de NVS-NVL, dat het nog pover gesteld is met het inbedden van LOB in het onderwijs.

Iedereen die in het onderwijs werkt kan globaal vertellen wat LOB inhoudt, al zal de uitleg per school op detailniveau verschillen. Maar weet men ook hoe handen en voeten te geven aan die gewenste loopbaangerichte leeromgeving? Onder LOB versta ik het geheel van begeleiding en activiteiten waarmee de school jongeren tijdens hun vmbo-, havo/vwo- of mbo-opleiding ondersteunt bij het leren maken van loopbaankeuzes. De begeleiding van de school is gericht op het ontwikkelen van een arbeidsidentiteit van de jongere middels de vijf loopbaancompetenties: kwaliteitenreflectie, motievenreflectie, werkexploratie, loopbaansturing en netwerken.

Als beleidsmedewerker bij de NVS-NVL, maar ook als decaan, oprichter van Droomloopbaan en als regiocontactpersoon van het Expertisepunt LOB, kom ik op veel scholen. Als ik kijk naar de inbedding van LOB, dan is dit op veel scholen matig gesteld, ondanks alle tijd en energie die decanen er in steken en ondanks alle mogelijkheden die partijen zoals de NVS-NVL bieden met betrekking tot het faciliteren van goed LOB-beleid.

Dit beeld roept vragen op. Hoe staat LOB er landelijk voor? Waarom loopt de inbedding ervan stroef? Wat zijn aanbevelingen om het beter te doen? In een drieluik zal ik deze vragen beantwoorden; in dit artikel ga ik vooral in op de eerste vraag. Ik doe dat aan de hand van bestaand wetenschappelijk onderzoek, en ik probeer alle artikelen zo praktisch mogelijk weer te geven . Ik ben nieuwsgierig naar hoe het is gesteld met de kwaliteit van de uitvoering in de eerste lijn, het LOB-beleid en de positie van LOB in het curriculum.

De veranderende rol van de docent

Een mooie plek om te beginnen is het onderzoek dat kortgeleden is afgerond door Loes Evers en dat de moeite waard is om te lezen: ‘De veranderende rol van de docent bij LOB: match of mismatch?’ Evers vraagt zich hierin primair af hoe startende tweedegraads docenten toegerust zijn om jongeren in hun loopbaanontwikkeling te begeleiden conform het ‘Raamwerk voor loopbaanbegeleiding jongeren’. Dit raamwerk is in 2017 door Euroguidance ontwikkeld en geeft duidelijke kaders voor wat docenten en mentoren zouden moeten kunnen of waaraan ze zouden moeten werken. In het onderzoek wordt onderzocht in hoeverre startende docenten ervaren dat hun werkomgeving ondersteuning biedt om LOB te geven volgens het raamwerk.
Uit de onderzoeksresultaten blijkt o.a. dat de deelnemers binnen hun reguliere tweedegraads opleiding weinig tot niet zijn toegerust om loopbaanbegeleiding te kunnen bieden. Gebrek aan kennis op het gebied van LOB van startende tweedegraads docenten houdt een systeem in stand waarin alleen de mentor, de decaan en de ouders van de jongere betrokken zijn bij LOB.

Startende docenten worden bovendien niet op de hoogte gebracht van de LOB-visie van de school. Dit zorgt ervoor dat zij onvoldoende richting krijgen voor hun rol bij LOB, terwijl betrokkenheid van docenten bij LOB belangrijk is. Evers constateert dat scholen amper tot weinig bijdragen aan een professionele leeromgeving die startende docenten in staat stelt om zich deze stof meester te maken. Onderwijsinstellingen hebben LOB nog niet integraal ingericht, waardoor de mentor meestal nog steeds de enige uitvoerder is. Het potentieel van LOB wordt daarom niet benut. Evers concludeert:  ‘De uitdagingen zoals genoemd in de kamerbrief LOB van november 2017 zijn nog altijd actueel.´

LOB-componenten in lerarenopleidingen

Omdat het onderzoek van Evers zich beperkt tot tweedegraads lerarenopleidingen, bekijken we  ook een tweede onderzoek van Euroguidence : een inventarisatie van de LOB-componenten in lerarenopleidingen. Ook uit deze inventarisatie blijkt: het kan en moet beter. De LOB-component bij eerstegraads opleidingen is bijna nihil. Ook valt op dat een aantal opleidingsinstituten LOB niet als hun verantwoordelijkheid zien. Zij vinden dat dit hoort bij de professionalisering op de werkplek. Visie en beleid op LOB van een opleiding, of liever het gebrek daaraan, dragen bij aan het ontbreken van een grote beïnvloedende factor. Wanneer er een strategie en concrete doelstellingen binnen de opleiding zijn, dan is het gemakkelijker LOB te verweven in het reguliere curriculum. Dat laatste is natuurlijk niet verwonderlijk want dat geldt in het voortgezet onderwijs en het mbo net zo.

De resultaten van dit tweede onderzoek zijn overzichtelijk weergegeven en de aanbevelingen zijn helder. De eerste aanbeveling is om in het Raamwerk voor loopbaanbegeleiding jongeren onderscheid te maken tussen een startende of meer ervaren docent als het gaat om de gewenste rol en deskundigheid. Het splitsen van de rol van de docent en mentor m.b.t. de rol en taken op het gebied van LOB lijkt me een waardevolle aanbeveling Een andere aanbeveling is het opnemen van de LOB-competenties in het competentieprofiel van de lerarenopleiding en de toevoeging van een aantal vakken, bijvoorbeeld: arbeidsmarktontwikkelingen, LOB met nadruk op loopbaangerichte gesprekstechnieken, ontwikkelingspsychologie en methodiek/casuïstiek. Deze aanbevelingen zullen mijn inziens bijdragen aan een kwaliteitsslag van LOB in de eerste lijn op scholen.

Buiten Nederland

Als we de Nederlandse situatie vergelijken met andere landen uit Europa, dan valt vooral één ding op: in tegenstelling tot alle andere landen hebben we hier geen specifieke bachelor of master LOB. Dit valt onder meer te lezen in het onderzoek ‘Voorbeelden uit Europa’, eveneens van Euroguidence. De rol van de docent binnen LOB op school is per land verschillend. In Duitsland wordt LOB op scholen bijvoorbeeld voor het grootste deel vormgegeven door arbeidsbureaus. De medewerkers die dit uitvoeren hebben een studie gevolgd op het gebied van loopbaanoriëntatie en -begeleiding. In Denemarken (zie de casestudy op pagina 23 in Bij de Les 5 van 2020) en Oostenrijk ligt, net als in Nederland, de verantwoordelijkheid voor LOB bij de scholen, maar docenten hebben in deze twee landen een duidelijke rol als mentor of LOB-coördinator. Ook is er in beide landen duidelijk overheidsbeleid over de kwalificaties van docenten met LOB-taken.

Kohnstamm Instituut

Er zijn onlangs twee handreikingen gemaakt om vmbo-scholen te ondersteunen bij de vormgeving en uitvoering van ouderbetrokkenheid en werkexploratie. Met enige aanpassingen zijn ze ook zeer geschikt voor havo/vwo en het mbo. Het Kohnstamm Instituut onderzoekt het implementeren en uitvoeren van het project ‘Op weg naar een toekomst, Werkexploratie  in het vmbo’. Het is een uitgebreid project waarin werkexploratie in het vmbo centraal staat. Dus geen LOB aan de hand van wat testjes en opdrachten, wel werkexploratie aan de hand van echte ervaringen die goed worden voorbereidt en waar leerlingen op reflecteren.

Aan het begin van dit onderzoek deden vijftien scholen mee. Deze hebben zich vrijwillig opgegeven. Een goed teken lijkt me, het straalt zelfvertrouwen uit over het eigen LOB-beleid. Gaandeweg het onderzoek vielen echter vijf scholen uit. Van de tien overgebleven scholen zijn er uiteindelijk twee waar men overwegend enthousiast blijft over het draagvlak rondom LOB binnen de school. Het onderzoek schetst in een later deel context  rondom de tegenvallende resultaten. Niet één van de scholen heeft het voor elkaar gekregen om het gehele project uit te voeren zoals het bedoeld was. Drukte is een belangrijke reden. Soms verschuift de aandacht van LOB naar een ander aspect binnen het onderwijs. Ook te weinig kennis en gebrek aan eigenaarschap van LOB bij docenten en mentoren in de eerste lijn blijkt een belangrijke oorzaak. Dat gaat ook vaak gepaard met de veel te hoge werkdruk in het onderwijs.
Binnen het onderzoek Werkexploratie in het vmbo kregen alle participerende scholen een externe procesbegeleider aangewezen tijdens de begeleiding rondom werkexploitatie. Zo’n functionaris is een waardevolle toevoeging om een loopbaangerichte leeromgeving handen en voeten te geven blijkt uit de conclusie van het onderzoek: ‘Een externe procesbegeleider was in dit project onontbeerlijk. Het is de vraag of scholen het zonder procesbegeleider lukt om zo’n programma te ontwikkelen, uit te voeren en te behouden.’ LOB is in het vmbo in de wet opgenomen. Het onderzoek toont aan dat scholen niet in staat blijken om een loopbaangerichte leeromgeving goed vorm te geven.
We hebben dus nog een heel lange weg te gaan. In het volgende artikel in dit drieluik ga ik nader in op de vraag waarom we nog niet in staat zijn om LOB in de eerste lijn goed vorm te geven. Terwijl dit juist de plek is waar we onze leerlingen goed (moeten) voorbereiden op de toekomst.


Loopbaanleren in Denemarken: een casestudy

Verslag van de Transnational Cooperation Activities

Momenteel is de uitval in het Deense beroepsonderwijs maar liefst 60%. Het Deense onderwijs heeft zichzelf daarom voorgenomen dat er in 2025 meer leerlingen voor beroepsonderwijs kiezen en dat bovendien meer leerlingen zo’n opleiding afronden. Om dit te bewerkstelligen is er een project gestart dat zich richt op jongeren in de laatste jaren van de onderbouw op het voortgezet onderwijs: Insights and Outlooks. Wat kunnen we van dit project leren voor de onderwijssituatie in Nederland? Loopbaanexperts Ivette Kleijngeld en Sandra Mors schrijven in dit artikel over het Deense onderwijssystem en de opbrengsten van hun werkbezoek aan Denemarken.

‘Guidance is regarded as a continuous process that should help young people become more conscious  of their abilities, interests and possibilities, thus enabling them to make decisions regarding education an employment on a qualified basis’  (Het Deense ministerie van Kinderen en Educatie)

Het Deense onderwijssysteem

In Denemarken wordt onderwijs vanuit belastinggeld bekostigd. Daarmee kan iedereen kosteloos deelnemen aan het Deense onderwijssysteem en worden gelijke kansen gestimuleerd. Kinderen vanaf 1 jaar kunnen naar de voorschoolse educatie, waar wordt ingezet op ‘playful learning’, oftewel speels leren (dus niet: schools leren). Vanaf 6 tot en met het 15 gaan kinderen naar de voorbereiding op de basisschool (vergelijkbaar met de kleuterklas in Nederland), de basisschool en uiteindelijk naar de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Dit onderwijs wordt doorgaans binnen één schoolgebouw aangeboden. De ambitie van de regering is het bieden van inclusief onderwijs, met focus op wetenschap, technologie, economie, wiskunde, 21st century skills, digitaal onderwijs en taal. Daarnaast is er in de laatste twee jaar van de onderbouw van het voorgezet onderwijs ruimte voor loopbaanleren.

Op dit moment stroomt 70% van de leerlingen door naar het academische voortgezette onderwijs (vergelijkbaar met havo-vwo in Nederland), 20% naar het beroepsonderwijs en 10% valt uit. Voorspeld wordt dat er een groot tekort aan praktische vakmensen ontstaat. Daarom is de ambitie om de uitval te verlagen en om meer leerlingen door te laten stromen naar het mbo.

Externe loopbaanadviseurs

Sinds 2003 spelen in Denemarken 45 externe onafhankelijke loopbaanbureaus een grote rol in het loopbaanleren en in het waarmaken van bovengenoemde ambitie. Deze bureaus zijn niet commercieel, maar aan de overheid verbonden. Ze zijn in departementen verdeeld over Denemarken. In Nederland zijn ze vergelijkbaar met samenwerkingsverbanden. Loopbaanbegeleiders die aan deze externe bureaus verbonden zijn, hebben een masterdiploma op zak en zijn bij wet voor gemiddeld één dag in de week gekoppeld aan een school. Ze hebben een begeleidende rol (op de eerste lijn) en een specialistische/coördineerde rol (op de tweede lijn).

Transnational Cooperation Activities
De Transnational Cooperation Activities zijn georganiseerd door Euroguidance en Erasmus+. Tijdens het Deense evenement waren 37 LOB-professionals uit 17 Europese landen aanwezig. Namens Nederland waren dat Sandra Mors van de NVS-NVL en Ivette Kleijngeld van het Expertisepunt LOB.

Dit vraagt om complexe afstemming. Wanneer een loopbaanbegeleider drie tot vijf scholen onder zich heeft, moet deze kunnen afstemmen met drie tot vijf verschillende directies, groepen docenten en het regionale bedrijfsleven. Loopbaanbegeleiding wordt als uitgangspunt daarom klassikaal gegeven door de externe loopbaanbegeleider. De mentor wordt verzocht aanwezig te blijven bij deze lessen, zodat er afgestemd wordt in het proces. Tijdens de lessen worden diverse activiteiten aangeboden en reflectiegesprekken gevoerd. Middels speels leren reflecteren leerlingen op elkaars kwaliteiten en motieven. Dat gebeurt o.a. door opdrachten met LEGO uit te voeren. Loopbaanleren wordt daarnaast ook geïntegreerd bij andere vakken. Zo leren de leerlingen in de les Deens om een sollicitatiebrief te schrijven, of er worden diverse bezoeken aan verschillende type vervolgonderwijs aangeboden. Ook een weeklang stage lopen is mogelijk.

‘Voorspeld wordt dat er een groot tekort aan praktische vakmensen ontstaat’

In het achtste en negende leerjaar worden leerlingen geëvalueerd op hun sociale-, persoonlijke- en beroepsvaardigheden: zijn ze klaar voor het vervolgonderwijs? De loopbaanbegeleider begeleidt vanaf dat moment de leerlingen die niet aan de eisen voldoen. De ouders worden bij dit proces betrokken. Sinds 2013 is de Deense leerling bovendien verplicht om een portfolio bij te houden, waarin hij/zij opgedane ervaringen en indrukken beschrijft en hierop reflecteert. Het format van het portfolio is nationaal gelijk en vastgesteld door de overheid. Voor de begeleiding ligt hier ook een rol voor de docent, al blijft de externe counselor leidend in het loopbaanproces.

De overheid monitort de jongeren tot hun 25e. Ze dienen hiervoor o.a. een opleidingsplan in bij de gemeente waarin ze woonachtig zijn.

Project Insights and Outlooks

Om meer leerlingen te laten doorstromen naar het beroepsonderwijs, is het project ‘Insights and Outlooks’ over loopbaanleren in 2015 en 2016 uitgevoerd. Tijdens het project werd duidelijk dat leerlingen vaak een te beperkt beeld hebben van opleidingen en beroepen, vooral binnen het mbo. Daarnaast zouden docenten zich meer dienen te ontwikkelen op het gebied van loopbaanbegeleiding en kunnen ze hun kennis over het beroepsonderwijs verbreden. Ten derde stimuleren ouders hun kinderen om zich vooral te richten op het ontwikkelen van kennis. Daarmee laten ze het Deense mbo al snel links liggen. Tot slot zien de leerlingen niet altijd dat er na het mbo ook nog diverse doorstroommogelijkheden zijn. Zo kunnen zij zich praktijkgericht én theoretisch ontwikkelen.

Onderzoek binnen het project richtte zich op het effect van ervaringsgericht leren bij openbare scholen. Op dertien scholen werden diverse ervaringsgerichte activiteiten bedacht en uitgevoerd. Tijdens dit proces kwamen de diverse scholen zes keer bij elkaar in een professionele leergemeenschap (PLG). Zij wisselden dan kennis en ervaringen met elkaar uit. De centrale vraag tijdens deze bijeenkomsten was: ‘Welke manier van leren en vaardigheden zijn van belang om tot actie te komen, zodat een kwalitatieve keuze gemaakt kan worden?’ Het resultaat uit de PLG was dat om loopbaanleren effectief te laten zijn, het voorwaardelijk was om een loopbaanactivitieit (of een ontmoeting met de praktijk) goed voor te bereiden en achteraf hierop te reflecteren.

Vibe Skolen in Ullerslev, Nyborg, is één van de scholen die deelnam aan het project. Tijdens het bezoek aan deze school gaven leerlingen, docenten, de loopbaanbegeleider en de directie voorlichting over de activiteiten die deze school had bedacht en uitgevoerd om loopbaanleren te stimuleren. Zo konden leerlingen zich inschrijven voor twee sectoren waarbinnen vijftig regionale bedrijven actief zijn. De leerlingen werden dan ingedeeld bij een van de bedrijven. Bij dit bedrijf moest hij/zij eerst een interview afnemen en daarna vijf dagen stage lopen. Deze praktijkervaring werd goed met de leerling voorbereid en van deze ervaringen maakten de leerlingen een presentatie die ze aan ouders en klasgenoten presenteerden. Tijdens ons bezoek kregen wij ook een drietal presentaties van leerlingen. Zij vertelden ons dat ze meer open stonden voor het beroepsonderwijs. Door de ervaringen veranderde de perceptie en het respect voor de beroepsopleidingen bij zowel de leerlingen als bij de ouders, docenten en begeleiders. Dit resultaat was op alle dertien scholen te zien.

Conclusie

Hoewel het onderwijssysteem en de doorstroomproblematiek in Denemarken niet een-op-een te vergelijken is met de Nederlandse situatie, kunnen we toch lering trekken uit de studiereis, de onderzoeksresultaten en het belang van de keuze voor het beroepsonderwijs. Ook in Nederland bestaat het gevaar dat er een groot tekort aan praktische vakmensen ontstaat. Zo is in de ‘Staat van het Middelbaar Beroepsonderwijs’ te lezen dat ook in Nederland een terugloop van mbo-studenten te zien is. De verwachting is dat het totaal aantal mbo-studenten na 2020 gaat dalen. De verwachte afname wordt veroorzaakt doordat minder leerlingen naar het vmbo gaan, maar ook omdat de populatie jongeren kleiner wordt.

Bill Law
De filosofie en theoretische onderbouwing voor het ontwikkelen van beroepsvaardigheden komt van Bill Law. De theoretische benadering van Law komt overeen met de theorie rondom de loopbaancompetenties van Marinka Kuijpers en andere wereldwijde loopbaantheorieën die gebaseerd zijn op narratieve loopbaanbegeleiding. Door vragen te beantwoorden over ervaring (kwaliteiten, motieven) en het eigen verhaal (zoals via playful learning met een LEGO-opdracht) geeft de leerling betekenis aan zijn/haar ervaring en kan de leerling vervolgstappen maken (loopbaansturing). Law heeft de basis gelegd voor loopbaanleren in Denemarken. Door de onderwijs- en werkactiviteiten waaraan leerlingen deelnemen met elkaar te verbinden en er vervolgens over na te denken, zijn hulpmiddelen verkregen voor de loopbaanbegeleiding.
Dit gaat in 4 stappen:
1. Sensing, finding out – De leerling vraagt zich af: wat zie, hoor, voel ik, wie ben ik en wat wil ik?
2. Sorting out – De leerling organiseert en verbindt (globale) onderwijs- en ervaringsactiviteiten.
3. Focussing, checking out – De leerling gaat in gesprek met ouders, vrienden, gaat daadwerkelijk ervaring opdoen en vraagt zich af: Wat is belangrijk voor mij en anderen?
4. Understandig, working out – De leerling kan reflecteren op de ervaring, de ervaring presenteren en uitleggen welke verdere acties nodig zijn om tot een keuze te komen.

Kijk voor meer informatie op  careersintheory.wordpress.com/tag/bill-law


Testen in het onderwijs: het doel heiligt niet altijd de middelen

Studiekeuzeadviseur Theo Grevers schrijft over het nut en de kul van testen in het onderwijs. Er zijn veel tests, er zijn veel testafnemers en er zijn veel testaanbieders. Waar moet je op letten als je zelf met tests aan de slag gaat?

Toen ik in de jaren tachtig met mijn werk begon, was het afnemen van psychologische tests (capaciteiten-, interesse- en persoonlijkheidstests) voorbehouden aan universitair afgestudeerde (ortho)pedagogen en psychologen met een psychodiagnostische aantekening. Beroepskeuzeadviseurs liftten op dit alleenrecht mee. Het waren vooral de afspraken tussen de testuitgevers en de beroepsverenigingen die dit systeem lange tijd in stand hielden. Natuurlijk kende het voordelen: deze beroepsbeoefenaars waren theoretisch en methodisch goed onderlegd. Overigens zag ik aan de toenmalige werkwijze in de beroepskeuzeadvisering nadelen. Zo ergerde mij het meest dat uitspraken vaak ‘over’ leerlingen gedaan werden en dat meningen van henzelf, hun ouders en schooldecanen niet of nauwelijks werden meegewogen in rapportages en adviezen. Als later bleek dat het advies niet klopte, wat meestal alleen aan het
Testen in het onderwijs: het doel heiligt niet altijd de middelen
Studiekeuzeadviseur Theo Grevers schrijft over het nut en de kul van testen in het onderwijs. Er zijn veel tests, er zijn veel testafnemers en er zijn veel testaanbieders. Waar moet je op letten als je zelf met tests aan de slag gaat?
door Theo Grevers
licht kwam als een leerling tegen het advies in tóch een uitdaging met succes was aangegaan, kwam het ongenoegen vaak na lange tijd alsnog naar boven. Zo hoorde ik over een vader die de psycholoog van zijn dochter belde toen ze geslaagd was voor haar vwo-examen. Hij had haar daarvoor een nogal zuinig advies gegeven. ‘Weet u wat ik na al die jaren met uw rapport ga doen?’ zo sneerde hij aan de telefoon. ‘Daar veeg ik m’n reet mee af!’

De uitbreiding van tests in de praktijk

De afspraken over bevoegdheden hielden stand totdat de grootste testuitgever zelf korte trainingen in het toepassen van psychologische tests niet alleen aan beroepskeuzeadviseurs ging aanbieden, maar aan een veel bredere groep professionals, zoals HRM-adviseurs van bedrijven en in het algemeen aan mensen zonder een achtergrond in psychologie en diagnostiek. Deze ontwikkeling kwam pas écht in een stroomversnelling met de opkomst van gecomputeriseerd testgebruik. Inmiddels wordt er heel wat gebruik van tests gemaakt door vogels van allerlei pluimage en zijn veel tests, al dan niet deel uitmakend van een begeleidingsmethode, vrij te koop.

‘Weet u wat ik na  al die jaren met uw  rapport ga doen?’

Hier heb ik het vooral over testgebruik door beroepskeuzeadviseurs ten behoeve van studie- en beroepskeuze aan jongeren binnen het voortgezet onderwijs. Om voor het publiek de kwaliteit van de professional zichtbaar te maken, waren of ontstonden er kwaliteitskeurmerken, zoals het NOLOC, het register BKA en het NIP. Dit was uiteraard een prima ontwikkeling, want door dergelijke keurmerken hebben de leerlingen en hun ouders de zekerheid van goed opgeleide en betrouwbare beroepskeuzeadviseurs en psychologen die zich houden aan ethische regels en aanspreekbaar zijn op hun functioneren. Ook schooldecanen, mentoren en zorgcoördinatoren worden opgeleid door hun beroepsvereniging en kunnen tests bij bepaalde aanbieders inkopen; in hoeverre deze aanbieders ook degelijke trainingen in verantwoord testgebruik geven, onttrekt zich aan mijn waarneming.

De aanleiding van een test

Tests worden in vele situaties binnen het onderwijs ingezet en als het goed is, worden ze gebruikt om inzicht in een bepaalde vraag te krijgen. Bijvoorbeeld of een leerling slim genoeg is voor het vwo of als hulpmiddel bij de keuze voor een vervolgstudie. Bij diverse vraagstellingen over studie- en beroepskeuze van leerlingen kunnen tests een goede bijdrage leveren aan de beantwoording ervan. En toch zie ik het geregeld mis gaan: zo hoorde ik laatst van een moeder dat haar dochter in de brugklas mavo/havo een capaciteitentest moest doen voor het vervolgtraject. Maar toen bleek dat zij op een gemiddeld havoniveau uitkwam, werd haar tóch geadviseerd om voor alle zekerheid de mavo (vmboT) te doen, waarop zij zelf aangaf dat ze dan net zo goed de test niet had hoeven doen. Op zich al een slimme conclusie voor een meisje van dertien. Ik weet inmiddels het vervolg: aan het eind van de brugklas kreeg dit meisje een vwo-advies! Ook heb ik weleens gezien dat jongeren in een faalangsttraining worden geplaatst zonder duidelijke aanleiding. Blijkbaar weet de school dit gemakkelijk aan te bieden in de hoop dat het ‘iets’ oplost, maar zo’n schot in het duister heeft al zeker niet gewerkt bij de leerling die ik hierbij voor ogen heb. Onderzoek is dus prima, mits je je vooraf bedenkt waarop je een antwoord hoopt te vinden.

‘Van prima tot troep’

Dan de test zelf. Ik kan direct duidelijk zijn: de kwaliteit loopt uiteen van prima tot troep. In een van mijn eerdere artikelen noemde ik al eens de quick and dirty tests die goedkoop of gratis op de markt te vinden zijn. Soms blijft in het vage waarvoor of voor wie de test precies bedoeld is. Ook lees ik wel eens mooie pretenties, bijvoorbeeld dat de culturele achtergrond van de leerling geen invloed op het resultaat zou hebben, maar enige onderbouwing of bewijs daarvan ontbreekt. Met verbazing zag ik eens een vraag uit een observatievragenlijst van een zorginstelling waarin er naar twee van elkaar volkomen losstaande gedragingen werd gevraagd, maar waar je wel met ‘ja’ of ‘nee’ op moest antwoorden: ‘Kan de cliënt zelfstandig douchen en met zakgeld omgaan?’ Ik zit er nu nog naar te staren… Een goede test maken valt kennelijk niet mee. Het vraagt een samenspel tussen inhoudsdeskundigen en psychometrisch geschoolde testconstructeurs. Wil je iets goeds maken, dan kost dat ontwikkeltijd en geld. Het sluitstuk behoort een duidelijke handleiding te zijn die een verantwoord en correct gebruik mogelijk maakt. Aan een ‘prettest’ heb je in het onschuldigste geval niets, maar ik heb in mijn praktijk vaak meegemaakt dat mensen schade hebben ondervonden van een slechte test of ondeskundig gebruik.

‘Kan de cliënt zelfstandig douchen en met  zakgeld omgaan?’

In Nederland bestaat een onafhankelijke instantie die de kwaliteit van tests en toetsen beoordeelt, de Commissie Testaangelegenheden Nederland (COTAN): www.cotan.nl. Als een test door de COTAN positief is beoordeeld, kun je er vertrouwen in hebben, maar alweer geldt: mits degene die ermee werkt weet wat hij doet. Dat wil overigens niet  zeggen dat een test die niet aan de COTAN ter  beoordeling is aangeboden, niet zou deugen, maar het blijft opletten.