Een technieklandschap vol ervaringen

Sterk Techniek Onderwijs door de (VR-) bril van een regiopartner

Sterk Techniek Onderwijs is in opmars. De ontwikkelingen op het gebied van techniek en technologie gaan razendsnel. Dat vraagt om continue inhoudelijke afstemming van onderwijsaanbod op de behoeften van de arbeidsmarkt. De ambitie is om met alle samenwerkingspartners (po-vo-mbo-bedrijven) een duurzaam en kwalitatief technisch en technologisch onderwijs te ontwikkelen. In de regio West-Brabant wordt dit onderwijs met een gemeenschappelijke leidraad vorm gegeven vanuit vier sub-regio’s.

Charlotte Groenhout werkt bij Curio, is voorzitter van de decanenkring vmbo uit de regio Breda en omstreken en maakt deel uit van de stuurgroep die de techniekmanifestatie Game On West-Brabant organiseert. Voor Sterk Techniek Onderwijs (STO) is Groenhout accountmanager van twee regio’s die de naam Techniektalenten heeft en die inhoud geven aan de doelstellingen van de techniekprogramma’s in de regio. 

‘Ook de ontwikkeling van de docent is belangrijk’

Charlotte Groenhout

Groenhout: ’De leerlingen in de regio West-Brabant hebben het niet makkelijk. Ik focus mij op deze regio omdat ik enerzijds hier werk en anderzijds hier een groot netwerk heb kunnen opbouwen door de verschillende rollen die ik heb.’ Het loopbaanleren dat op iedere vo-school aandacht verdient staat vooral voorop in het ontdekken van wat je kunt en waar je talenten liggen. Veel scholen steken veel tijd in allerlei projecten om te kunnen ontdekken waar en hoe de leerling het beste uit zichzelf kan halen. Groenhout: ‘Hoewel ik nauw betrokken ben bij alle ontwikkelingen die er in de regio zijn, is het ook voor mij lastig om al die goede en mooie initiatieven rondom opleidingen, innovaties, activiteiten, events en projecten in beeld te krijgen.’

Netwerk

Groenhout haalt graag een voorbeeld aan waarom zij trots is op haar netwerk en hoe het ingezet kan worden. ‘Iedere zaterdag ga ik hier met een smile naar de markt, waar ik na 25 jaar nog steeds door een oud-leerling als ‘juf’ aangesproken word. Ik ben trots, trots op die leerling in mijn klas die geen zin had om naar school te gaan, die niet in de boeken wilde staren. Ik zag wel zijn kwaliteiten en zijn talent. Hij was een aanpakker, een teamplayer, kreeg iedereen mee. Hij wilde niet op een stoel zitten, maar hij wilde sjouwen, werken, onder de mensen zijn. Zijn mooie, blije koppie, en de focus op zijn toekomst maakte dat ik voelde dat ik hem daarbij kon helpen, hem kon sturen en daar had ik mijn netwerk voor nodig.’

Netwerken is wat Groenhout heel concreet vanuit het STO doet. Voor het onderwijsaanbod komen nieuwe keuzevakken, die gericht zijn op de technologische innovaties binnen de top sectoren. Het aanbod voor activiteiten, in samenwerking met het bedrijfsleven, breidt zich uit en is gericht op het ontdekken van techniek en technologie. Het organiseren van loopbaanactiviteiten, zoals gastlessen en bedrijvenbezoeken, pakken de scholen op. Dit is een samenwerking tussen bedrijven en vervolgonderwijs die in de regio actief zijn. De grote techniekmanifestatie Game On gaat, in hybride versie, door en is hopelijk volgend schooljaar weer live, zodat de bedrijven zelf de leerlingen kunnen ontvangen. Veel scholen pakken de Lego League zelf op. De focus op meisjes in de techniek krijgt mede vorm door het organiseren van speeddates met dames uit de techniek en Girls Day krijgt in de regio een vast programma. 

Groenhout: ‘Dit alles bleek in coronatijd lastig, maar we gaan wel door. Nu we allemaal de handen in een geslagen hebben, moeten we het ook aanpakken. Lukt het niet ‘live’, dan maken we er online iets tofs en interessants van. Nee, de praktijk is mooier, het echte ’zien en voelen’, maar we kunnen niet wachten, want onze leerlingen staan voor belangrijke loopbaankeuzes. Door de activiteiten voor te bereiden met de leerlingen zelf en te reflecteren, maken we er echt iets van. We kijken naar de behoefte van de leerlingen en ook de docenten nemen we daar in mee.’

Loopbaankeuze

Het unieke is het samenwerken aan de doelstellingen binnen het STO-programma met het po, vo, de bedrijven, de gemeentes, het mbo en het hbo. Iedere partij ziet dat een regio brede visie op loopbaanleren belangrijk is en meer inhoudt dan het enkel organiseren van een activiteit. Het moet betekenis krijgen. Een plek binnen het landschap, waar de leerling doorheen wandelt. Ervaren wat techniek is. Het beroepsbeeld helder krijgen, de praktijk ervaren. Daarin kunnen skills en competenties gekoppeld worden binnen het loopbaanleren. Een win-win situatie. Groenhout: ‘Als alle partijen het er over eens zijn, dan is het makkelijker om het de leerling uit te leggen. De loopbaan van de leerling, maar ook de ontwikkeling van de docent is belangrijk. Wat ik nu nog groter heb kunnen maken is, dat ik mag bijdragen aan de ontwikkeling van het landschap waarin onze leerlingen hun loopbaan richting kunnen geven en ze de ruimte kunnen pakken om zich te ontwikkelen. We leven in een complexe en snel veranderende wereld. Dit is vooral het afgelopen jaar gebleken, toen ons onderwijs ineens online gegeven moest worden. Echter, er moeten keuzes gemaakt worden en voor de leerlingen is een van die keuzes een loopbaankeuze: ‘Welk profiel past bij jou?’, ‘Welke vervolgopleiding kies je?’, ‘Waar ga je stage lopen’ en ‘Welk beroep past bij jou?’ Kunnen zij daar antwoord op geven nu we maar steeds blijven zeggen en zien dat de banen van nu er over tien jaar niet meer zijn? Een leven lang ontwikkelen dat geldt voor iedereen.’

‘Techniek en technologie is zo veel meer’

VR-bril 

Groenhout leert veel van leerlingen, ouders, collega’s en bedrijven. Ze komt veel fantastische mensen tegen die samen met haar het landschap voor de leerlingen vorm willen geven. Ze is van mening dat de leerlingen op grond van hun intrinsieke waarden keuzes kunnen maken. Daardoor kunnen de leerlingen beter vertellen wie ze zijn. Groenhout: ‘Ze kunnen aangeven waar hun kwaliteiten liggen en wat hun ambitie is. Een ambitie aangeven als je in het tweede leerjaar op het vmbo zit, dat is niet makkelijk. Door de leerlingen mee te laten wandelen door het grote landschap waarin ze ervaringen op doen en blij worden van de dingen die ze tegenkomen, ontdekken ze wat bij hen past. Leerlingen de mogelijkheid geven om de wereld te verkennen met bijvoorbeeld een VR-bril, robots of met allerlei nieuwe technische gadgets voor de telefoon. Maar ook binnen andere sectoren is technologie belangrijk. Denk aan het boodschappen doen zonder kassa in de winkel, de technologische ontwikkelingen in de zorg en de ontwikkelingen van de biobased technologieën. We blijven niet hangen bij het ontwikkelen van kennis en vaardigheden, wat helaas nog altijd voorop staat in ons onderwijs, maar we leren ze hiermee vooral kijken naar hun persoonlijke mogelijkheden, ontdekken wie ze zijn en wat hun drijfveren zijn.’

Game On

Een van de activiteiten die dit jaar in hybride vorm door ging, is Game On West-Brabant. In samenwerking met onderwijs, overheid en bedrijfsleven werd Game On voor het derde jaar georganiseerd. Via de expeditie van de zeven werelden van techniek, ontdekten de leerlingen op een leuke en realistische manier welke wereld van techniek en technologie het beste bij ze past. De bedrijven uit de regio hebben zich in deze werelden, profiel overstijgend, gepresenteerd. Game on is techniek en technologie zien, doen en ervaren. Tijdens twee dagen worden leerlingen van het voortgezet onderwijs (klas 1 en/of 2 vmbo, havo en vwo) in de regio West-Brabant uitgenodigd om mee te doen. De kinderen bezoeken Game On in groepjes, begeleid door studenten van verschillende mbo-colleges. Interactie en doen staan voorop. Via Game On promoten de initiatiefnemers techniek bij de medewerkers van de toekomst. Ze bieden dit aan op interactieve techniekpleinen die ingedeeld worden per sector, zoals maritiem, machine- en apparatenbouw, logistiek en transport. Maar er is ook ruimte voor thema’s als agri & food, de medische sector, energie (clean en groen) en gebouwde omgeving, want ook in deze sectoren speelt technologie een cruciale rol.

Zaterdagmarkt 

Juist door deze prachtige initiatieven en activiteiten ziet Groenhout bij haar leerlingen wat ze aanspreekt. ‘Techniek en technologie is zo veel meer dan dat wij ze tot nu toe laten zien. We moeten de handen ineen blijven slaan om tot onze gewenste doelen te komen. Mooi om te zien hoe leerlingen openstaan voor technologie en hoe zij het beeld van de veranderende wereld koppelen aan wat ze willen en kunnen. Wat zou het fijn zijn als ik op de zaterdagmarkt nog meer leerlingen tegenkom die hun keuze gemaakt hebben op basis van alle aangeboden initiatieven. Dan ben ik super trots. Niet op mezelf maar op de leerlingen, die kansen gepakt hebben.’

 


Kiezen voor de toekomst

Hoe oriënteren vmbo-leerlingen zich op banen in een onzekere toekomst?

Hoe trekken we als onderwijs en bedrijfsleven gezamenlijk op om vmbo-leerlingen optimaal voor te bereiden op een onzekere toekomst? Een handreiking van het bestuur van het Platform vmbo Dienstverlening & Producten.

Onzekerheid

De coronacrisis zal door de schoolsluitingen de geschiedenisboeken ingaan als een periode met grote impact op het onderwijs. Het effect op het sociale leven, op het leren van onze vmbo-leerlingen en de zorgen rondom leerachterstanden van leerlingen is groot. De grote opdracht die het onderwijs na deze crisis wacht is hoe we leerlingen leren omgaan met die ervaringen en veranderingen. Want hoe bereiden we als onderwijs en bedrijfsleven onze leerlingen voor op een onzekere toekomst? 

‘Investeren in deze jongeren betaalt zich later terug’

Scholen bereiden leerlingen binnen het vmbo voor op hun toekomst door het aanbieden van praktijkgericht onderwijs op verschillende manieren, zowel binnen als buiten de school. In de bovenbouw van het vmbo oriënteren leerlingen zich in profielen op mogelijke vervolgopleidingen en het werk dat ze uiteindelijk willen doen. Er zijn negen beroepsgerichte profielen en één breed oriënterend profiel: Dienstverlening & Producten (D&P). D&P biedt de mogelijkheid om het onderwijs flexibel in te richten en maatwerk te leveren, dit is mogelijk door de contextarme formulering van leerdoelen in het examenprogramma. 

Uitstel keuze

Op dit moment volgt bijna dertig procent van alle beroepsgerichte vmbo-leerlingen het profiel D&P. In samenwerking met het bedrijfsleven en het vervolgonderwijs oriënteren leerlingen zich op uiteenlopende arbeidsgebieden. Zij stellen studie- en beroepskeuze uit door pas in klas 4, in plaats van klas 2, een weloverwogen keuze te maken. Daardoor zijn ze beter voorbereid op de overstap naar het vervolgonderwijs en vallen ze minder vaak uit. In tegenstelling van wat vaak wordt gedacht: bij het profiel D&P is het ook gewoon mogelijk om na klas 2 voor een richting te kiezen. Dit onder het mom van brede keuzemogelijkheden waar het kan en smallere mogelijkheden waar het moet. Leerlingen kunnen bijvoorbeeld keuzevakken doen in een bepaalde richting, maar kunnen ook verschillende keuzevakken kiezen om zich breed te oriënteren. Een kwart van alle D&P leerlingen stroomt door naar een vervolgopleiding in de sector techniek. Veel van deze leerlingen overwegen die keuze in eerste instantie niet, maar krijgen een heel ander beeld van deze sector tijdens hun oriëntatie.

Aansluiten bij de regio

Vmbo-leerlingen zoeken vaak hun toekomst in de regio waarin zij opgroeien en leren het beste midden in de maatschappij. Binnen het profiel D&P doen leerlingen brede sector overstijgende praktijkervaringen op bij bedrijven, instellingen en het vervolgonderwijs in hun regio. Bedrijven en instellingen maken daardoor vroeg kennis met hun potentiële medewerkers. Investeren in deze jongeren betaalt zich later terug door loyale en trouwe collega’s die al bekend zijn met het bedrijf. Dit vraagt om een andere grondhouding en nieuwe vaardigheden van leerlingen en docenten. Door adequate begeleiding, maatwerk en differentiatie door de docenten kunnen leerlingen leren om hun ervaringen te gebruiken, om zichzelf te ontwikkelen en verantwoorde keuzes te maken. Door leerdoelen te koppelen aan maatschappelijke gebeurtenissen zoals de coronacrisis, leren leerlingen zich open te stellen voor andere onderwerpen en onderwerpen met elkaar te verbinden. Leerlingen leren hierdoor vroeg dat een ‘leven lang leren’ een vereiste is om adequaat te blijven functioneren op de arbeidsmarkt en in het sociaal maatschappelijk leven. Per slot van rekening kan een leven lang leren gaan om bijleren, maar ook over omscholen.

Uitdagingen

Naast de corona-crisis kennen vmbo-scholen ook andere uitdagingen voor de toekomst. In krimpregio’s is het lastig om een breed onderwijsaanbod in stand te houden. Juist in deze regio’s kunnen collega-scholen onder de paraplu van het profiel D&P samen tot een zo breed mogelijk onderwijsaanbod komen. Bijvoorbeeld door het opzetten van leerlijnen op regionaal niveau en het aanbieden van keuzevakken in co-creatie met collega-scholen, bedrijven en het mbo. Zo heeft een D&P school samen met de opleiding Veiligheid en Vakmanschap van een roc een route voor vmbo-leerlingen gemaakt die geïnteresseerd zijn in Safety & Security. Daarnaast kan een relatiemanager zorgen voor het verbinden, opbouwen en onderhouden van deze relaties, van vmbo tot en met hbo. Dit ‘onderhoud’ moet gericht zijn op persoonlijke contacten tussen leerlingen en ondernemers en tussen leraren en het bedrijfsleven. Zo worden meer leerlingen bereikt en geïnformeerd over beroepen waarvan zij het bestaan nog niet wisten. 

‘Laat de jongeren zich breed oriënteren’

Kortom, leerlingen staan voor de lastige opgave om in deze onzekere tijd keuzes te maken voor hun toekomst. Laat de jongeren zich breed oriënteren en ervaringen opdoen in de mogelijkheden die zij hebben in onze maatschappij, zodat zij allemaal hun plek kunnen vinden in de samenleving van morgen.

Waarom Dienstverlening & Producten?

Het examenprogramma van het profiel D&P biedt scholen de ruimte en kansen om vanuit het examenprogramma een schooleigen onderwijsprogramma D&P in te richten, zoals dat past bij de scholen, hun expertise en de sociaaleconomische karakteristieken van de regio. Dit heeft tot gevolg dat scholen werken met en aan diverse varianten van D&P programma’s. De deur naar de eigen ambitie van de school staat open, er is veel ruimte om een eigen wending te geven aan het onderwijsprogramma. De toekomst biedt ruimte en kansen voor het D&P profiel vanwege de mogelijkheden die het biedt aan de scholen. 

Het Platform D&P maakt zich sterk voor scholen om deze ruimte te benutten. 

Meer informatie: www.platformdenp.nl


Durf te experimenteren

Hoe een innovatielab leerlingen voorbereidt op de toekomst

De afdeling PIE (Produceren, Instaleren en Energie) van het Pantarijn in Wageningen heeft als eerste in Nederland een Makeblock Innovation Space geopend. Een innovatielab met als doel om leerlingen beter voor te bereiden op de toekomstige arbeidsmarkt door ze de juiste 21e -eeuwse vaardigheden en kennis aan te bieden.

De Makeblock Innovatie Space is tot stand gekomen door een samenwerking tussen Makeblock, RSG Pantarijn en Techni Science. Hiermee kun je  binnen de doorlopende leerlijn een centrale plek creëren waar alle middelen voorhanden zijn om leerlingen met nieuwe en bestaande technologieën goed voor te bereiden op hun toekomst. De banen van nu vragen om andere vaardigheden en eigenschappen van de leerlingen dan we voorheen gewend waren. In de Makeblock Innovation Space krijgen leerlingen de mogelijkheid deze vaardigheden op te doen. Programmeren, robotica, lasersnijden, 3D printen en andere nieuwe technologieën worden op een laagdrempelige manier aangeboden. Joost Tax van RSG Pantarijn is docent techniek en de kartrekker van dit project. Ik heb met hem gesproken over het tot stand komen van de Makeblock Innovation Space. 

Wie is Joost Taks en wat heb je als kartrekker gedaan om dit project te realiseren?

Nou, ik moet eerlijk zeggen dat ik kartrekker ben, maar dat we het techniekonderwijs als team hebben vormgegeven. Elke schakel binnen ons team heeft zijn eigen kwaliteit. De laatste jaren hebben we een enorme ontwikkeling doorgemaakt op ons techniekplein. De laatste ontwikkeling is het supermooie nieuwe innovatielab, de eerste Makeblock Innovanion Space (MIS) van Europa. Drie jaar geleden zijn we begonnen om het techniekplein te reorganiseren. We startten met de werkplekken overzichtelijker in te richten, we hebben oude machines vervangen en nieuwe keuzevakken vormgegeven zoals domotica, automatisering en duurzame energie. Verder hebben we het gehele onderbouwprogramma op de schop gegooid en veranderd zodat het beter aansluit op het profielvak PIE en op de vernieuwde technologieën. Dit gaan we onder andere vormgeven in het innovatielab waar we ook basisscholen gaan ontvangen om de leerlingen kennis te laten maken met techniek. Kortom, we hebben veel aangepast met als doel het Techniekonderwijs binnen Pantarijn aantrekkelijk en kwalitatief te innoveren. 

Waarom zet jij je zo in voor vernieuwing in het onderwijs?

Door het sterk techniekonderwijs komen er middelen vrij, die je goed kunt gebruiken om meer mensen warm te maken voor techniek in de breedste zin. Om nu de jeugd te enthousiasmeren voor techniek, vind ik het belangrijk om met de nieuwe technieken mee te gaan. 

Hoe zet je de MIS in de praktijk in?

In de praktijk willen we de Innovation Space breed gaan inzetten. Er is een centrale plek gecreëerd waar alle middelen voorhanden zijn om leerlingen met nieuwe en bestaande technologieën goed voor te bereiden op hun toekomst. De banen van nu vragen om andere vaardigheden en eigenschappen van de leerlingen dan we voorheen gewend waren. In de Innovation Space krijgen leerlingen de mogelijkheid deze vaardigheden op te doen. Voor leerlingen die vanuit het po naar het vo gaan. werken we met een speciaal programma. De leerlingen van groep 8 krijgen hiervoor een uitnodiging en komen een middagje op locatie. Binnen het vmbo gaan we lessen verzorgen van klas 1 tot en met 4 en we gaan daarin ook de samenwerking aan met het mbo om voor een goede doorstroom te kunnen zorgen naar het mbo. 

Kun je wat meer vertellen over je ervaringen met de producten van Makeblock? 

Mijn eerste kennismaking met Makeblock was de M-Bot. Met deze robot maakten we kennis tijdens de ExPIErience 2019 van Platform PIE. We hebben er toen een aantal van aangeschaft om meer met robotica in de onderbouw te kunnen doen en ook leerlingen van het basisonderwijs hiermee in aanraking te laten komen. Gaandeweg hebben we onze plannen meer vorm gegeven en gingen we in gesprek met de directie om een innovatielab te creëren. Om het innovatielab ook een goede didactische invulling te kunnen geven, kwamen we in contact met Techni Science. Na een presentatie waren we verkocht en kwamen we met heel veel verschillende super gave producten in aanraking. 

STEAM-onderwijs verovert langzaam maar zeker een plek in de klas. STEAM is een afkorting van Science, Technology, Engineering, Art en Mathematics. Hoe belangrijk is voor jullie het STEAM-onderwijs en hoe pas je dat toe?

Laten we voorop stellen dat STEAM-onderwijs voor ons een nieuwe manier van werken is. En het is de perfecte manier om de huidige leerlingen te benaderen. Onderwijs en leerlingen veranderen continu. Zelf kom ik uit de generatie Y, maar de leerlingen van nu zijn van generatie Z. Daar zitten wezenlijke verschillen in. 

‘Leerlingen vinden hun antwoorden door te googelen’

Deze leerlingen vinden hun antwoorden door te googelen. Een groot verschil met vroeger is dat de leerlingen sneller afhaken als het ze niet interesseert. Daarom is het belangrijk dat leerlingen eigenaar worden van hun eigen leerproces door ontdekkend en ontwerpend te leren. Het mooie van deze manier van lesgeven is, dat het niet alleen voor techniek toepasbaar is. Je kunt STEAM bij alle vakken toepassen. Als docent moet je je onderwijs anders gaan organiseren en inrichten. Voor onze school zou ik dan ook graag zien dat we dit breed gaan inzetten. Zowel door middel van vakoverstijgend werken als STEAM inzetten bij andere vakken. Op het techniekplein zullen we met STEAM-onderwijs starten bij het aanbieden van wetenschap en technologieprogramma’s voor de basisscholen en klas 1 en 2 in het huidige geüpdatet programma. Wanneer dit draait gaan we het proberen door te voeren bij klas 3 en 4. 

Wat zijn je ambities rondom het vernieuwende onderwijs?

Door het vernieuwde onderwijs willen we meer leerlingen enthousiast maken voor techniek. Door een mooi programma neer te zetten voor de po-scholen en klas 1 tot en met 4 op het vmbo willen we zorgen dat er meer leerlingen gaan doorstromen naar het mbo binnen het techniekonderwijs. Verder hopen we dat we als school een voorbeeldfunctie mogen hebben voor de regio, waar andere scholen hun voordeel mee kunnen doen.


En nu: samen verder

Vanaf volgend schooljaar zullen de NVS-NVL en de VvSL verder gaan als één nieuwe vereniging. Met de steun van de leden is de weg vrijgemaakt voor een nieuwe toekomstbestendige en krachtige vereniging. In dit artikel lees je meer over de achtergronden van het samenkomen van beide verenigingen en kijken we vooruit naar hoe de nieuwe vereniging eruit komt te zien.

Het waarom van samen

De VvSL (Vereniging van Schooldecanen en Loopbaanbegeleiders) en de NVS-NVL (Nederlandse Vereniging van Schooldecanen en Leerlingbegeleiders) werken al enkele jaren en in toenemende mate nauw samen, vooral als het gaat om landelijke ontwikkelingen rondom LOB. Er blijkt meer te zijn dat de verenigingen met elkaar bindt dan dat hen scheidt. De beide verenigingen zien voor zichzelf een leidende rol als het gaat om LOB in het onderwijs. Die ambitie vraagt om één krachtige, toekomstgerichte en toekomstbestendige vereniging. De leden, het onderwijsveld en andere relevante stakeholders zijn gebaat bij één duidelijk en herkenbaar aanspreekpunt voor LOB in het gehele onderwijs. Het bundelen van krachten stelt de verenigingen bovendien in staat een betere kwaliteit van dienstverlening te bieden aan de leden. In verkennende gesprekken hebben beide verenigingen de ambitie uitgesproken om een leidende rol in te nemen als het gaat om LOB in het hedendaagse en toekomstige onderwijs. Daarvoor is het noodzakelijk om de krachten te bundelen.

Daarnaast is er op dit moment een overlap tussen beide verenigingen; er worden dingen dubbel gedaan. Het samengaan levert tijd en geld op om te investeren in een nog betere dienstverlening en belangenbehartiging voor al onze leden. 

Tessa Leonhard, directeur van de NVS-NVL:
‘We kijken ernaar uit om samen nog meer te bereiken voor LOB op scholen en alle LOB’ers in Nederland’

Het fusieproces vanaf het begin

Na een aantal verkennende gesprekken tussen de twee besturen in 2019 zijn de voordelen van een gezamenlijke toekomst opgetekend en op 2 maart 2020 met alle leden gedeeld. Vervolgens is onderzocht hoe die gezamenlijke toekomst eruit zou moeten zien. Dat leidde tot de intentieverklaring om tot een voorstel voor een juridische fusie van de twee verenigingen te komen. Deze werd op 6 april 2020 ondertekend en gedeeld met de leden. Daarna is een stuurgroep van twee leden van de VvSL en twee leden van de NVS-NVL, samen met een onafhankelijk procesbegeleider, aan de slag gegaan met het fusievoorstel. Onderdeel daarvan is een bijeenkomst met leden geweest die konden meedenken over hoe de toekomstige vereniging eruit zou moeten zien.
Dit is het uitgangspunt geweest voor de nieuwe statuten. Verder is het fusievoornemen een vast onderwerp geweest op de vergaderingen van de ledenraad. De positieve en bemoedigende reacties hebben het vertrouwen gegeven om deze fusie door te zetten. Tijdens een stemming met beide verenigingen hebben de leden van de beide verenigingen voor de fusie gestemd.

Minette van den Bemd, voorzitter van de VvSL:
‘We zijn verheugd met de steun van onze leden. Dat is voor ons een stimulans om de fusie verder vorm te geven’

Op naar de toekomst

In de zomer van 2021 zullen de verenigingen officieel samen gaan als een nieuwe vereniging met een nieuwe naam. De vereniging zal bestaan uit vier secties: 

· LOB vmbo

· LOB havo/vwo

· mbo

· Leerlingondersteuning

Elke sectie kent een beleidsmedewerker die op het bureau werkzaam is en een sectiecommissie van leden die als inhoudelijke sparringpartners de beleidsmedewerkers voeden en ondersteunen. Het schooljaar 2021-2022 zal een overgangsjaar zijn, waarin de beide verenigingen in de nieuwe vereniging zullen integreren.  

Top 3 veel gestelde vragen over de fusie

1. Wat verandert er voor leden van de NVS-NVL?

Er komt een nieuwe vereniging met een nieuwe naam, dus alles wordt in een nieuw jasje gestoken. Voor de leden van de NVS-NVL blijft er aanvankelijk ook veel hetzelfde: het bureau, de directeur, de locatie aan de Mariahoek. Ook de meeste activiteiten zullen doorgaan: de cursussen en trainingen, de congressen, de informatievoorziening via nieuwsbrieven en tijdschrift, de aansluiting bij de FvOv (Federatie van Onderwijsvakorganisaties), onze bijdragen aan landelijke projecten. Wel proberen we natuurlijk te leren van de kwaliteiten van de VvSL en daarmee iets extra’s te bieden, bijvoorbeeld door te differentiëren en daarmee nog beter aan te sluiten bij de behoeften van de verschillende doelgroepen. En uiteindelijk hopen we als krachtige, toekomstbestendige vereniging onze ambities te vergroten en te verwezenlijken.

2. Hoe werkt het met de contributie als er per 1 juli een nieuwe vereniging is?

De contributiefactuur voor 2021 is in januari verstuurd en (als het goed is) al betaald. Je krijgt dan ook geen nieuwe factuur na 1 juli. Pas in 2022 kun je een nieuwe contributiefactuur verwachten. Meer informatie daarover volgt later. Leden die nu al lid zijn van beide verenigingen, kunnen dit aan ons laten weten via bureau@nvs-nvl.nl  Er wordt geen geld terug gestort, maar er zal bij de nieuwe contributie-inning een correctie plaatsvinden.

3. Wat kan ik doen als ik nog vragen of opmerkingen heb over de fusie?

Vragen en opmerkingen over de fusie zijn altijd welkom. Je kunt het beste mailen naar directeur Tessa Leonhard via t.leonhard@nvs-nvl.nl

Kijk voor een volledig overzicht van de veel gestelde vragen op: nvs-nvl.nl, via ‘publicaties’ en ‘nieuws’.


Good dreaming: anders durven denken en doen

Hoe ziet jouw ideale school eruit?

Compleet zonder grenzen en beperkingen dromen over de ideale school van de toekomst. Dat is wat decaan en redactielid Yvonne Mulders samen deed met zorgcoördinator en redactielid Marjolein van Breda-Souman. Hoe richten we dit onderwijs in? En welke rol heeft de leerling, leerkracht, docent? En, moet de schoolbel nou wel of niet behouden blijven...?

Hoi Marjolein,

Laatst zat ik te denken aan een hele andere manier van onderwijs. Niet meteen het vrijeschoolsysteem of agora onderwijs, maar compleet out of the box onderwijs. Geen bel meer in de school, zo weinig mogelijk boeken (wel naslagwerken), geen docenten maar gastlessen door experts uit het bedrijfsleven, vaardigheden centraal stellen, samenwerken en vooral buiten de school aan doelen werken.

Ik zou leerlingen ontdekkers noemen. Mocht een ontdekker op school behoefte hebben aan praktijklessen, dan denk ik aan de ‘speelhoeken’ van de basisschool; Lego Leagues in een ruimte, escape-rooms voor economische vaardigheden, kinderopvang binnen de muren van de school, plantenkassen, duurzaamheidsopdrachten, enz. Ik zou helemaal los gaan. Het is natuurlijk een utopie, dat snap ik. Maar hoe mooi zou het zijn om ontdekkers op basis van een ontdeksysteem hun dromen te kunnen geven en waarmaken. 

‘Ik zou leerlingen ontdekkers noemen’

Weg met die centrale examens, geen hokjes denken, maar in gesprek gaan met de ontdekker over waarmee hij nog geholpen kan worden om vaardigheden uit te kunnen breiden. Volgens mij komen we in de maatschappij zo veel verder. Het bepalen van je eigen tempo en je eigen niveau zou volgens mij effectief zijn. Minder faalangst, minder stress. En daar waar ontdekkers ondersteuning nodig hebben, kunnen ze zelf om deze hulp vragen. Ouders zijn net als de ontdekkers welkom in de school om te helpen, uitleg of gastlessen te geven. Samen onderwijs maken, samen afstemmen wat nodig is, samen de toekomstloper uitleggen voor deze ontdekkers. 

Ik zie dit als een soort van nieuwe ‘planeet’ met meer kansengelijkheid. Niveau benoeming is er niet meer, iedereen ontwikkelt zich vanuit zijn eigen intrinsieke motivatie. En vindt de ontdekker moderne vreemde talen moeilijk maar vindt zijn/haar weg wel in de technologische kant, dan zeg ik: lekker doen. 

Waarom ik op deze utopische vorm van onderwijs kom, is dat we blijkbaar op latere leeftijd aangeven dat we iets anders zijn gaan doen dan waarvoor we geleerd hebben of dat we aangeven het anders hadden willen doen. We komen tot de ontdekking dat bepaalde vakken niet leidend zijn in de functie die we hebben. Ook geven volwassenen aan dat zoveel meer opleidingen een breed perspectief hebben en dat het in de maatschappij gaat om competenties en vaardigheden. De kennis doen we wel op met het leren in de praktijk. En ben je vanuit je genen al een mensen-mens, dan zul je niet snel kiezen voor een job waarbij je eenzaam in een hokje je werk zit te doen. 

Ik zou overigens met één school beginnen om te ervaren of het werkt en wat er nog gedaan moet worden. Over een ‘beloningssysteem’ heb ik bijvoorbeeld helemaal nog niet nagedacht. Er is nog veel droomwerk te verzetten. Marjolein, ik denk dat je zou zeggen: Yvonne, droom lekker verder. Maar ik ben ook heel benieuwd naar hoe jouw school eruit zou zien. Wat zou jij bedenken? En hoe zou jij het aanpakken? Of blijf jij bij het huidige systeem met wat andere aanpassingen of regels?

Ha Yvonne,

Mooi verhaal, en als ik het visualiseer en daar de zon bij denk dan word ik helemaal blij! Jouw vraag heeft eigenlijk betrekking op hoe we aankijken tegen het huidige onderwijs, dat best wel gesloten is. Er wordt al wel veel gedaan om innovatie en leren samen te brengen en om bekende werkwijzen en patronen te doorbreken maar het blijft lastig om veranderingen door te voeren. 

Soms zijn die veranderingen makkelijk toepasbaar maar andere kosten een eeuwigheid aan tijd. 

Denk nog even aan de Mammoetwet; in 1958 werd er een ontwerp van de wet op voortgezet onderwijs ingediend en pas in 1968 ging deze wet in werking! Leerlingen moeten competenties hebben waardoor ze succesvol in de maatschappij komen te staan, maar is het huidige onderwijssysteem hiertoe toereikend? Het vraagt veel tijd en aandacht om hier antwoord op te krijgen en om de knelpunten inzichtelijk te krijgen. Hoe ziet de ideale school van de toekomst er dan uit? Kijkend naar jouw droomschool denk ik dat er een aantal basisprincipes zouden moeten zijn om zo’n school te bouwen. Ik droom een stukje met je mee.

Het lijkt mij een heerlijk vooruitzicht om als kind op te groeien in de door jouw geschetste school. Ik zie deze school staan in een landelijke omgeving waar leerlingen zich bewust gaan worden van duurzaam-heid en milieubewustzijn ontdekken. De hele opsomming van nieuwe mogelijkheden kan ik nog wel even aanvullen hoor. Zo zou je oud en jong bij elkaar kunnen brengen. Niet alleen kinderdagopvang de school in brengen maar ook senioren integreren binnen de school. Of jongeren een paar dagen per week bij onze ouderen neerzetten. Geschiedenis en verhalen verteld door ervaringsdeskundigen en discussiëren over nieuwigheden uit deze tijd. Een verbinding tussen school en de maatschappij/de wereld. 

‘Oud en jong bij elkaar brengen’

Flexibele lesroosters en vakanties, maatwerk voor individuele leerlingen, talenten ontdekken en gebruiken. Het onderwijs personaliseren zodat iedere leerling een betere versie van zichzelf kan worden. Leerlingen en docenten samen laten werken. Mogelijkheden creëren om samen te overleggen, lesstof samen te ontwikkelen en toe te passen, en ook bezig zijn met beleid en visie.

Kijken, ervaren en reflecteren op het uitvoeren van opdrachten en op het leerproces. Geen schriftelijke toetsen meer die met de rode pen worden nagekeken maar met een groene pen waarmee je gerichte en positieve feedback geeft. De leerlingen worden op die manier getriggerd om zichzelf beter te reguleren en te monitoren (zelf verantwoordelijkheid nemen en zelfreflectie) wat hen weer eigenaar maakt van hun eigen leerproces. Verschillende studies hebben aangetoond dat leerlingen optimaal leren wanneer er wordt voldaan aan de drie basisbehoeften: autonomie, competentie en relatie. Onderwijs zou dus een verdieping moeten zijn op deze drie basisbehoeften samen met wat er gebeurt in de werelden daarin leren omgaan met diversiteit en vrijheden.

Ik zie mogelijkheden om zo’n nieuwe school te bouwen maar….laten we de BEL wel in ere houden anders gaan de jongeren nooit meer weg uit deze ideale school!

 


Meer mannen in de zorg

Wat kunnen we leren van mannen die werken in de ouderenzorg?

Sedik Kazemi

De ouderenzorg biedt ook mannen goede loopbaankansen. Meer mannelijke werknemers zou mogelijk ook goed zijn voor het imago van deze sector. In dit artikel zes lessen waarmee je mannen kunt motiveren om voor een opleiding in de zorg te kiezen.

De ouderenzorg is een grote, nog altijd groeiende en maatschappelijk relevante arbeidsmarkt. Volgens berekeningen van Actiz, de koepelorganisatie van ouderenzorginstellingen, waren tussen 2018 en 2022 specifiek in de verpleeghuissector 70.000 nieuwe zorgverleners nodig, en deze behoefte zet ook de komende jaren door. Dit maakt het werken in deze sector aantrekkelijk: niet zelden wordt aan werknemers die op latere leeftijd van elders de zorg instromen direct met een officiële opleiding een mogelijkheid tot omscholing aangeboden, met uitzicht op een vaste aanstelling. Graag brengen wij dit mooie carrièreperspectief ook bij decanen en Studie Loopbaan Begeleiders onder de aandacht. We hopen dat zij in het voortgezet onderwijs en de roc’s deze mogelijkheid vaker ook met mannen gaan bespreken. We gunnen jonge mannen de kans om serieus na te denken over een baan in de (ouderen)zorg; misschien ligt hier wel de droombaan die ze zelf niet zagen. En anders is er een zaadje geplant voor later, als ze op hun veertigste op zoek zijn naar een betekenisvolle baan. 

Over dit onderzoek

Sebastiaan Kool

‘Op het vmbo had ik nooit durven bekennen dat werken in de verpleging mij aantrok. Ik koos voor een duale mbo-opleiding in filiaalmanagement bij IKEA. Daar begon ik indertijd als karretjesverplaatser, maar later heb ik natuurlijk allerlei andere klussen mogen doen, te veel om op te noemen. Na zes en een half jaar IKEA was ik klaar voor een nieuwe uitdaging. Helaas vond ik de verpleegkunde toen nog steeds niet stoer en mannelijk. In retrospectief vind ik dat heel gek, want je moet behoorlijk je mannetje staan in de verpleging en het is eigenlijk juist heel stoer wat je allemaal kan.’
(Sebastiaan Kool, 32 jaar hbo)

Interviews met mannen

Het lectoraat ‘Verpleegkundige Intramurale Ouderenzorg’ van Hogeschool Leiden en zorgorganisatie Marente doet onderzoek in het werkveld van de ouderenzorg. In één van die onderzoeken hebben wij twintig mannen geïnterviewd die bij Marente werken. Dit heeft informatie opgeleverd waar duidelijk uit blijkt dat de ouderenzorg juist ook voor mannen goede loopbaankansen biedt. Meer mannelijke werknemers zou mogelijk ook goed zijn voor het imago van de sector. Volgens de Wet van Sullerot stijgt de status van een beroep naarmate er meer mannen in werken.

‘De ouderenzorg is onbetwist de zorgsector waar de komende jaren het meest zal gaan veranderen; de menselijke maat, het hoogstpersoonlijke, is voor medewerkers en cliënt essentieel en moet overeind blijven, terwijl ook macro-uitdagingen in de demografie, de arbeidsmarkt en de financiën opgelost moeten worden.’ (Anne (m) Leemhuis, econoom en bestuurslid bij Marente)

De twintig geïnterviewde mannen werken binnen Marente in de zorg, ook in leidinggevende, advise-rende of ondersteunende functies. Ook hebben we gezocht naar diversiteit in leeftijd, herkomst en opleidingsniveau. Er valt altijd iets bij te dragen in de ouderenzorg, wie je ook bent. Graag inspireren wij decanen, begeleiders en leerlingen met de zes belangrijkste lessen die we uit de interviews hebben getrokken. 

Les 1. Schooladvies aan mannen richting de zorg is nodig.

Wesley Erades

Driekwart van de twintig geïnterviewde mannen heeft een functie in de verzorging (niveau mbo-3) of verpleging (niveau mbo-4 of hbo). Niet één van deze mannen is op de middelbare school ooit geattendeerd op de richting ‘zorg en welzijn’. ‘Er moet voorlichting gegeven worden op de mavo en het roc over de ouderenzorg, als men wil bereiken dat ook jongens vaker voor deze tak van zorg gaan kiezen.’ (Wesley Erades, 28 jaar, Verzorgende) 

Les 2. Stoer: Jongens die voor de zorg durven te kiezen.

De mannen die op jonge leeftijd voor verzorging of verpleging in de ouderenzorg kiezen, doen dit vrijwel uitsluitend omdat hun moeder of een ander nabij familielid hen dit heeft aanbevolen. Op school moeten zij dan nog behoorlijk tegen de stroom in roeien. 

‘Toen ik op het mbo zat en een keuzevak mocht kiezen koos ik voor het vak ‘zorg en welzijn’. Mijn vrienden deden daar toen erg lacherig over. Ik werd niet echt gepest, maar ze vonden het gek, dat ik, de voetballer, als man in de zorg wilde gaan werken. Zelf kozen zij voor wiskunde of economie. Ik trok me daar niks van aan. Want als we ’s avonds uitgingen, dan bleek dat de meisjes het juist heel leuk vonden, als ik vertelde dat ik in de zorg ging werken. Meisjes beschouwen je dan als een zorgzame man en dat vinden ze kennelijk aantrekkelijk. Dat is een leuke bijkomstigheid!’ 

(Jesse van Waveren, 19 jaar, in opleiding tot Verzorgende IG)

Les 3. Wat je als man belangrijk vindt in je werk, kun je ook vinden in de zorg.

Mannen die op latere leeftijd de zorg instromen doen dat omdat ze uitgekeken zijn op hun eerdere beroep. Vaak gaat het om mannen die in een commerciële sector werkten en daar op een gegeven moment genoeg van krijgen: de arbeidstijden worden te zwaar, er is sprake van vergaande verzakelijking of het werk zelf is te eentonig. Voor anderen kan het salaris niet meer groeien of heerst een gebrek aan persoonlijke ontwikkelingsmogelijkheden. Overstappen naar de zorg geeft dan nieuwe inspiratie en voldoening. 

‘Tot september 2019 ben ik vrij succesvol geweest als supermarktmanager. Maar de laatste paar jaar voelde ik me niet meer op mijn plek in het beroep. Op een gegeven moment heb ik besloten te solliciteren op een baan in de zorgsector. Hier voelde ik mij onmiddellijk thuis. Wat mij in het verpleegkundige werk zo aanspreekt is dat je zowel snel moet kunnen handelen, invoelen, als nadenken. Het is dus een heel compleet vak.’ 

(Mark Nijssen, 42, in opleiding tot mbo verpleegkundige)

Les 4. Wanneer is de (ouderen)zorg geschikt voor een jonge man? 

Op de vraag wat de ouderenzorg aantrekkelijk maakt voor jonge mannen zijn de antwoorden duidelijk: zij worden er uiterst hartelijk welkom geheten; het werk is nooit saai, want elke bewoner is weer anders; er is sprake van creatief en afwisselend teamwork met bewoners met wie ze een veel langduriger relatie aangaan dan bijvoorbeeld met patiënten in een ziekenhuis. Daardoor kunnen ze echt verschil maken in het leven van de mensen. Ze waarderen het harde werken, ze voelen zich extra nuttig wanneer hun spierkracht nodig is; de onregelmatige werktijden leveren naast extra inkomen ook extra vrijheid op en niet zelden is het werk inhoudelijk veel uitdagender dan gedacht. 

‘Al mijn vrienden verklaarden me voor gek toen ik koos voor een baan in woonzorglocatie Jeroen in Noordwijk. ‘Hoe kun je met een koksdiploma nu gaan werken in een instelling waar men alleen stamppot eet?’ Maar ik heb vanuit Marente driemaal meegedaan aan een landelijke wedstrijd voor instellingskoks. Twee maal won ik de eerste prijs voor ‘Het beste menu in de zorg’. En twee jaar geleden heb ik met een collega in Marente een ‘Kookboek voor kleinschalige woon-groepen’ geschreven en geproduceerd.‘ 

(Jaco Groen, 46, voormalig kok en nu teamleider gastvrijheid)

Als zorgverlener in de ouderenzorg heb je bovendien relatief veel autonomie, vergeleken met arbeidsplaatsen waar de werkcultuur strak en hiërarchisch is. 

‘Ieder die tegen mij zegt ‘de ouderenzorg heeft geen uitdaging, het is alleen maar wassen’, die nodig ik uit eens met mij te komen meelopen. De ouderenzorg is na 2015 echt veel complexer geworden! De mensen komen in een veel slechtere toestand binnen en je moet dus heel veel moeilijke verpleegtechnische handelingen verrichten en veel mensenkennis hebben om hier goed te kunnen functioneren. De ouderenzorg van 2021 kan met de zorg in ziekenhuizen wedijveren.’

(Sedik Kazemi, 28 jaar, verpleegkundige)

Ook voor de mannen in adviserende of leidinggevende beroepen bleek het vooral de maatschappelijke relevantie van de ouderenzorg die de doorslag gaf bij hun keuze. 

Les 5. Als je als man in een omgeving werkt met veel vrouwen, ben je extra waardevol‘.

‘Iedereen was dolblij met mij: ‘Gelukkig! Wéér een man erbij.’ Een qua sekse gemengd team pakt in de zorg dan ook inderdaad goed uit: niet alleen worden de gespreksonderwerpen diverser, de bewoners kunnen ook kiezen door wie ze geholpen willen worden. Ook kunnen ze iemand weigeren. Zo zijn er op mijn afdeling twee bewoners die perse niet aangeraakt willen worden door een man. Terwijl sommige andere mannen juist veel liever met een man willen praten dan met een vrouw. Dat kan allemaal als je een gemengd team hebt’. 

(Mike van der Sanden, 19, leerling verpleegkundige)

Zoals deze quote van Mike laat zien verandert de aanwezigheid van mannen in zorgteams de zorg. Voor mannelijke ouderen is het fijn om ook met mannen te kunnen praten, er is dan ‘andere gespreksstof’. Volgens anderen brengen mannen meer nuchterheid in een team, denken ze vaker ‘out-of-the-box’, nemen ze meer risico of proberen ze eerder nieuwe dingen uit. 

Les 6. Mannelijke rolmodellen.

Tot slot willen we nog het belang benadrukken van mannelijke ‘rolmodellen’ in de zorg. Veel interviews die wij hebben afgenomen zijn door Marente al op haar website geplaatst met een foto, in de hoop weer andere mannen aan te trekken. Dit lijkt vruchten af te werpen. In 2020 konden 52 nieuwe mannen worden aangesteld, tegenover 40 in 2019. Een groei van 25%. 

De auteurs zijn verbonden aan het Lectoraat Verpleegkundige Intramurale Ouderenzorg, Hogeschool Leiden en Marente. Zie: werkenbijmarente.nl/mannen 


Wat wil de loopbaanbegeleider?

Hoe is de kwaliteit van loopbaanbegeleiding te verbeteren?

Euroguidance deed een onderzoek naar de ervaringen en behoeften van tweedelijns loopbaanadviseurs. Wat leverde dat op?

Loopbaanbegeleiding is een steeds belangrijker thema binnen onderwijs en arbeidsmarkt. De kwaliteit van loopbaanbegeleiding hangt voor een groot deel af van de competenties van loopbaanprofessionals in de organisatie. Als nationaal kennispunt voor loopbaanbegeleiding vanuit de EU stimuleert, versterkt en verdiept Euroguidance onder andere de professionalisering van loopbaanbegeleiding in Nederland. Euroguidance heeft in 2014 een start gemaakt met een verkenning naar opleidingen voor (toekomstige) loopbaanprofessionals. In 2017 verscheen het servicedocument ‘Raamwerk voor loopbaanbegeleiding jongeren’ waarin de taken en deskundigheid beschreven zijn voor de verschillende rollen binnen LOB in het voortgezet onderwijs en mbo. In dit artikel gaan we in op de ervaringen en behoeften van tweedelijns loopbaanbegeleiders als het gaat om die taken en deskundigheid.

‘Loopbaanbegeleiding heeft een flinke flow gemaakt’

Volgens het raamwerk zijn er drie verschillende rollen: mentor/slb’er (eerstelijns); decaan/SLB-coördinator (tweedelijns) en stafmedewerker/manager (derdelijns). De taken en deskundigheid worden in het raamwerk per rol aan de hand van vier categorieën omschreven: oriëntatie en begeleiding, visie en beleid, organiseren en samenwerking. Deze taken en deskundigheid zijn een richtlijn en hebben geen verplicht karakter: het raamwerk is een groeimodel. Voor de ontwikkeling van het raamwerk maakte Euroguidance gebruik van bestaande raamwerken en competentieoverzichten uit Nederland en Europa. Een eerdere verkenning van Euroguidance richtte zich op de rol en competenties van startende docenten als eerstelijns loopbaanbegeleiders. Hieruit bleek dat de respondenten vanuit hun opleiding weinig tot niet zijn toegerust om de rol als mentor/slb’er uit te voeren. Als vervolg richtte deze verkenning zich op de tweedelijns loopbaanbegeleiders in het voortgezet onderwijs en mbo. 

Methode

Voor het onderzoek zijn zeven gesprekken gevoerd met tweedelijns loopbaanbegeleiders. Met behulp van NVS-NVL zijn deze respondenten geworven. Drie respondenten werkten in het voortgezet onderwijs en vier op het mbo. Deze beperkte steekproef geeft voldoende informatie om de antwoorden met elkaar te vergelijken en een beeld te geven van de behoeften en ervaringen van tweedelijns loopbaanbegeleiders.

Ervaringen

Op de vraag wat de respondenten van hun rol als tweedelijns loopbaanbegeleiders vinden, werd door iedereen uitermate positief gereageerd: ‘fantastisch, geweldig, interessant, het mooiste en leukste baantje van de school’. Iedereen benoemde het begeleiden van jongeren als hun belangrijkste taak. En dan met name de specifieke begeleiding: jongeren die vastlopen of een concrete loopbaanvraag hebben. De jongeren staan centraal bij loopbaanbegeleiding. Zij worden begeleid, zodat ze loopbaancompetent worden.

Professionalisering

De tweedelijns loopbaanbegeleiders die al langer in het vak zaten, ervaren de laatste jaren een sterke groei van hun vak: ‘Loopbaanbegeleiding heeft een flinke flow gemaakt, waardoor het nu een stuk professioneler gaat’. Hun rol wordt nu echt als een functie gezien en niet als een taak die ze er even naast doen. Bijna alle respondenten hebben dan ook een relevante vooropleiding gedaan en zijn sterk gemotiveerd om zich te blijven bijscholen. Om goede loopbaanbegeleiding te bewerkstelligen heeft de huidige vorm van loopbaanbegeleiding op de scholen volgens de respondenten nog wel verbetering nodig. Volgens hen is een integrale aanpak nodig. Een omgeving waarin de jongere steeds wordt uitgedaagd om zichzelf te leren kennen, leert te reflecteren op zijn ervaringen en van daaruit vervolgstappen voor de toekomst neemt. Wanneer docenten zich bewust zijn van het belang van zo’n omgeving, kan de omgeving steviger worden ingericht en kunnen jongeren effectiever leren en betere keuzes maken. Om dat te bereiken is het volgens de respondenten belangrijk om beleid te verbeteren: schoolbeleid en nationaal beleid. Met richtlijnen vanuit de overheid en het scheppen van duidelijkheid in school over loopbaanbegeleiding en de verschillende rollen daarbij. Kwaliteitscertificering van tweedelijns loopbaanbegeleiders is hier een voorbeeld van, hier is nu geen standaard voor. Met gerichter beleid is de kwaliteit van loopbaanbegeleiding niet meer afhankelijk van individuele docenten. Een ander genoemd verbeterpunt is het opnemen van loopbaanbegeleiding in de docentenopleiding: ‘loopbaanbegeleiding is immers een vak en niet zomaar een docententaak’.

Taken

Het raamwerk is in deze verkenning gebruikt om na te gaan welke taken de tweedelijns loopbaanbegeleider herkent en uitvoert. Het kan daarbij een bewuste keuze zijn om een taak niet op te pakken. De respondenten herkenden veel uit de categorieën van het raamwerk, voelden zich ook competent voor de uitvoering ervan en waren hier ook op voorbereid door afgeronde opleidingen of cursussen. Vooral over de taakbeschrijving onder de pijler ‘oriëntatie en begeleiding’, het bieden van specifieke hulp aan de jongeren, waren de respondenten gelijkgezind: ze benoemden dit als hun belangrijkste taak. De taken rondom ‘visie en beleid’ zagen de respondenten als belangrijk, maar wel iets wat ze naar zich toe moeten trekken. Deze taken worden vooral opgepakt door respondenten die ook een andere rol binnen het onderwijs hebben, zoals beleidsmedewerker, ambassadeur of lid van een werkgroep. Bij de taken rondom ‘organiseren’ noemden alle respondenten dat ze voor het organiseren van deskundigheidsbevordering meer tijd willen hebben. Meerdere malen werd genoemd dat het management van de school dit veelal tegenhoudt. Vaak komt dit omdat het management geen duidelijk beeld heeft van wat loopbaanbegeleiding inhoudt en de focus op een ander gebied van de school heeft liggen. De respondenten waren tenslotte zeer verdeeld over hun taken omtrent ‘samenwerking’, denk daarbij aan samenwerkingen met externe partners voor stage, instroom of uitstroom. Ze vonden het niet altijd een taak die bij tweedelijns loopbaanbegeleiders moet liggen. Dit hing mede af van de onderwijsinstelling en het onderwijsniveau. Zo wordt op havo-vwo weinig contact onderhouden met stagebedrijven, omdat daar minder stage is. Daarnaast zijn intakes en stagebegeleiding ook verschillend georganiseerd per school, dus niet altijd door loopbaanbegeleiders. 

Conclusie

In tegenstelling tot de startende eerstelijns loopbaanbegeleiders, waarnaar is gekeken in een eerdere verkenning, blijkt uit de resultaten van deze verkenning dat de bevraagde tweedelijns loopbaanbegeleiders goed zijn toegerust om loopbaanbegeleiding te geven en organiseren. De rol en de competenties sluiten grotendeels aan bij het raamwerk. Wanneer dit niet het geval is, komt dit doorgaans door de verschillen tussen onderwijsniveaus of omdat de taak elders binnen de school ligt. De resultaten wijzen er ook op dat de bevraagde tweedelijns loopbaanbegeleiders een duidelijke LOB-visie hebben en dat zij hier ook voldoende richting aan geven binnen hun school. Ze zijn wel kritisch over de huidige vorm van loopbaanbegeleiding. Ze hebben behoeften aan verbeteringen op beleidsniveau, opleidingsniveau en van bewustwording bij docenten. Dit zal de kwaliteit van loopbaanbegeleiding bij hen op school en door heel Nederland ten goede komen.

Meer lezen? Zie: raamwerklob.nl


Een positief domino-effect

Worden scholen steeds beter in afstandsonderwijs?

Inmiddels zijn de scholen in het voorgezet onderwijs mondjesmaat weer open. Al is er nog lang geen sprake van een lessituatie zoals deze was voor de corona-periode. Moeten we daar wel naar terug? Welke ontwikkelingen zien we? En onderschatten we de leerlingen niet in hun veerkracht en flexibiliteit? Decaan en redactielid Yvonne Mulders gaat hierover in gesprek met zorgcoördinator en redactielid Marjolein van Breda-Souman.

Ha Marjolein,

 Laatst las ik op LinkedIn een artikel over de achterstand in onderwijsstof bij kinderen in het voortgezet onderwijs. Dat een groep kinderen in Nederland het onderwijs op afstand niet goed kan volgen begrijp ik. Deze leerlingen hebben geen fatsoenlijke plek in huis om te leren, misschien ook geen goede internetverbinding en wellicht gebrek aan begeleiding van ouders. Deze leerlingen zijn niet altijd in beeld bij de docent die op afstand zijn of haar online lessen geeft. Er wordt gebeld met ouders, er wordt gemaild met de leerlingen, maar geen of nauwelijks reactie. Komt er bij deze leerlingen straks een onderadvisering voor het te volgen niveau, voortkomend uit  de sociaal economische status (SES) van de ouders? Bij veel meer, dan alleen de genoemde groep leerlingen, blijken de achterstanden in de kernvakken toe te nemen en is het lastig om praktijkvakken op niveau aan te bieden.

Het afstandsonderwijs is in de laatste maanden verbeterd. Ik spreek leerlingen individueel online en vraag hen of ze het vol kunnen houden met die online lessen. De antwoorden van deze leerlingen vind ik in tegenstelling tot wat anderen beweren. Leerlingen geven aan dat ze zeker het sociale stuk missen. Even lekker roddelen op school, je vrienden zien en spreken, lol hebben in de klas. Ook geven leerlingen aan dat het op afstand leren wel gaat wennen en dat de concentratie eigenlijk beter is dan in de klas. Daardoor ben ik mijn beeld bij achterstand in lesstof gaan bijstellen. Misschien onterecht omdat er nog steeds een groot deel van de kinderen juist op school beter presteert. De eindexamenleerlingen, die in de tweede coronagolf op school onderwijs kregen, merkten dat er een betere concentratie is. Er zijn minder prikkels om hen heen, er is rust in de school. De cijfers van de laatste centrale toetsweek vielen voor veel leerlingen erg mee. 

‘Minder prikkels, er is rust in de school’

Daarom denk ik dat het met de achterstanden wel eens mee zou kunnen vallen. Is het niet zo dat leerlingen flexibel zijn, dat leerlingen improvisatietalent hebben, creatief zijn? En dat ze daardoor in de komende jaren minder achterstand hebben dan ik denk? Denk jij dat er een domino-effect is voor de komende jaren  en dat leerlingen het niveau waarop ze onderwijs volgen niet bij kunnen spijkeren? Welke ondersteuning hebben zij nodig? Is dat alleen in bijlessen of ook op andere gebieden? 

Het zijn weer veel vragen Marjolein. Ik ben benieuwd hoe jij hier tegenaan kijkt en of jij verschillen ziet tussen de eerste keer sluiting van de scholen en de tweede keer. En de laatste vraag die ik je stel: Denk je niet dat er in de toekomst misschien een mix komt van online lessen en fysiek op school lessen volgen? Gaan we gewoon niet naar een nieuw tijdperk waar de dominostenen weer blijven staan? 

Hoi Yvonne,

Een zeer actueel onderwerp heb je aangeroerd. De kranten staan er bol van. Ook ik zit er middenin omdat in deze periode de intake van de basisschoolleerlingen is begonnen. Ik spreek veel leerkrachten en interne begeleiders die een schooladvies moeten geven. Als ik ze vraag hoe zij tegenover een leerachterstand staan is het antwoord divers. Wat mij opvalt, is dat er eerder gesproken wordt over een achterstand die sociaal/emotioneel gerelateerd is. Kinderen die geen makkelijke thuissituatie hebben of die sowieso van de radar zijn, lopen een groot risico om een leerachterstand op te lopen. Dit herken ik ook op het vmbo. Er zijn leerlingen die thuis niet aan leren toe komen. Gelukkig kunnen we deze leerlingen voor de online lessen op school opvangen, waar ze ook met hun vragen terecht kunnen bij een van de pedagogisch medewerkers. Een merendeel van deze leerlingen geeft aan dat ze zich thuis niet prettig voelen en zich op school beter kunnen focussen. Dan gaan er bij ons (leden van het zorgteam) weer andere radars draaien en proberen we te achterhalen wat de problematiek is en of het veilig is thuis. 

Inderdaad zijn er ook leerlingen die eigenlijk heel goed gedijen in deze lockdown. Leerlingen in de onderbouw die zich via de online lessen beter kunnen concentreren, zich duidelijke doel stellen (eerst huiswerk maken en dan iets anders doen) en hierdoor goede resultaten behalen. Dit was tijdens de eerste lockdown minder omdat nog niet iedereen goed geëquipeerd was en de expertise van het online lesgeven nog niet ontwikkeld was. Voor de leerlingen van de bovenbouw geldt dat zij op school kunnen komen om aan hun examens te werken. Zowel theorie als praktijk volgen zij op de normale manier, waardoor er nauwelijks achterstand  ontstaat. Er is maar een enkeling die door omstandigheden niet op school komt. En als dat zo is, moeten we  opletten of de leerling  genoeg voorbereid is om examen te kunnen doen.

‘Leerlingen die gedijen in de lockdown’

Ik loop wel met de gedachte rond om een meting te doen bij de eerstejaars leerlingen die nu zo’n tien weken online lessen hebben gevolgd. Van deze leerlingen hebben wij  de leerachterstanden in beeld.  Aan het eind van het schooljaar zou je  een drempelonderzoek af kunnen nemen om te kijken of deze achterstanden groter zijn geworden. Dit is natuurlijk geen wetenschappelijk onderbouwd onderzoek, maar geeft wel een beeld van de achterstanden die er dan zijn. Daar kun je dan in het tweede jaar aan werken.

Wat leren we nou van deze periode? Ik voel er voor om te kijken naar leerlingen die duidelijk baat hebben bij het volgen van online lessen. Kun je het onderwijs hiermee misschien passend maken voor een aantal leerlingen zonder dat je hen tekort doet op sociaal gebied? De combinatie van online lessen en onderwijs op school zou misschien voor deze leerlingen tot betere resultaten leiden op cognitief en sociaal gebied.

Tot zover maar weer, in afwachting van betere tijden...

 


Passend onderwijs: vijf jaar verder

In augustus 2014 werd het passend onderwijs ingevoerd. Het was een stelselherziening voor het onderwijs voor leerlingen met extra ondersteunings- behoeften. In mei 2020 kwam het eindrapport van het vijfjarig evaluatieonderzoek uit. De vraag die veel scholen bezighield in de voorbereiding naar passend onderwijs was: Wat heeft onze organisatie nodig om passend onderwijs passend te krijgen voor zowel de leerling als de docent? Hoe is het gegaan?

Hierover ga ik in gesprek met twee docenten die meer dan vijf jaar als docent werkzaam zijn in het voortgezet onderwijs.

Peter de Kiewit

Peter de Kiewit is docent Engels op het vmbo en werkt al 17 jaar in het onderwijs. Eerst een aantal jaren op een mavo-havo-vwo-school en sinds 2015 op het vmbo. Peter is weinig betrokken geweest bij de voorbereiding van passend onderwijs. Zoals hij zelf zegt : ‘De school waar ik destijds werkte was afwachtend en het personeel werd niet meegenomen in de ontwikkeling. De overgang was ook erg groot toen ik de overstap naar het vmbo maakte.’

Marie-Antoinette van de Heuvel

Marie-Antoinette van de Heuvel is docent Kunst en Cultuur op het vmbo en 21 jaar werkzaam in het onderwijs. Zij geeft aan wel te zijn meegenomen in de voorbereiding naar passend onderwijs. ‘We hebben in de voorbereiding veel tijd gestoken en het zorgteam is voldoende uitgerust om goede stappen te zetten richting passend onderwijs. Ook de docenten hebben zich meer geschoold in het omgaan met zorgleerlingen. Hier zijn we nog steeds mee bezig. We zijn nu aan het oefenen met het formuleren van de juiste hulpvraag. De begeleider passend onderwijs geeft tijdens de leerlingbespreking adviezen waar docenten mee verder kunnen.’

Is het een meerwaarde voor leerlingen dat zij in een reguliere setting met maatwerk naar school gaan?

Van de Heuvel: ‘Ik denk zeker dat het voor de leerlingen een meerwaarde is. Wij zijn een kleine school, kennen de leerlingen goed en weten wat ze nodig hebben. Zeker de leerlingen die van speciaal onder- wijs komen zijn super trots dat ze het redden op een reguliere school en met een mooi diploma naar het mbo kunnen gaan. Ik denk dat we best een aantal successen hebben geboekt maar ik moet ook zeggen dat er wel grenzen zijn. Als de maximale begeleiding gegeven wordt aan een leerling en er is geen verbetering zichtbaar, de leerling voelt zich ongelukkig, wordt belemmerd in zijn/haar functioneren of heeft een te grote invloed op het groepsproces, dan is het regulier onderwijs misschien toch niet de plek.’

De Kiewit: ‘Ik vraag me eerder af of onze organisatie ingericht is op de idealen van passend onderwijs die vijf jaar geleden zijn ingezet. Dan is het antwoord helaas: nee. Onze school is niet geschikt om iedere soort leerling onderwijs te bieden dat hij of zij nodig heeft. Ik denk dat dat komt omdat ons systeem niet veranderd is. We krijgen steeds meer kinderen met een ‘label’ en die proberen we bijna in hetzelfde systeem te duwen dat er altijd al was. Terwijl die kinderen juist iets anders nodig hebben dan dit systeem, anders hadden we geen stelsel herziening hoeven doen. Er blijven kinderen tussen de wal en het schip vallen omdat de tijd en de ruimte ontbreekt.’

Wat betekent passend onderwijs voor jullie en passen jullie in passend onderwijs?

Van de Heuvel: ‘In het jaar dat wij met passend onderwijs gingen werken was er veel ruis op de lijn. Je merkte dat collega’s heel veel moeite hadden met de zorgleerlingen die in hun les zaten en al snel vonden dat ze handelingsverlegen waren. Ik geef een creatief vak en merkte daar wat minder van. Ik zag het natuurlijk wel als er een leerling met een gedragsprobleem was, maar dat hoeft bij mijn vak niet in de weg te staan. Ik kan toch op een creatieve manier aan de slag. Voor mij is het belangrijk om een goede relatie met een leerling te krijgen zodat ze zich veilig voelen. Ik merk dat de leerlingen bij mij niet opvallend anders zijn of opvallend passend onderwijs nodig hebben. Ik liet mij in het begin wel meevoeren met collega’s die hier wat negatief tegenover stonden, maar voor mijzelf zag ik geen problemen om met leerlingen die gedragsproblematiek hebben te gaan werken. Ik kan makkelijk aanpassingen maken in mijn lessen. Als een leerling kan uitleggen waarom hij liever een opdracht alleen wil doen in plaats van samen met anderen, dan laat ik hem alleen werken.’

De Kiewit: ‘Toen ik begon op het vmbo paste ik daar totaal niet in. Het was een wereld van verschil toen ik van een mhv-school overstapte naar het vmbo. Leerlingen met zware problematiek was ik nog niet tegen gekomen, ik had er wel van gehoord maar persoonlijke betrokkenheid of inleving had ik niet. Na twee maanden dacht ik: ‘Peter, wat voor een carrièremove heb je nou gemaakt?’ Ik was totaal niet in touch met deze kinderen en ik snapte er helemaal niets van. Ik maakte deel uit van het systeem en was dus niet geschikt om met deze kinderen om te gaan. Totdat ik me erin ging verdiepen en begreep wat deze kinderen nodig hadden. Ik kon het niemand kwalijk nemen, ik was aangenomen als docent maar mijn eigen expertise schoot te kort. Met name in de omgang met kinderen die een andere achtergrond hadden dan ik gewend was. Maar op een gegeven moment ontdek je hoe het werkt en wordt je expertise op de werkvloer vergroot. Ik moest ontzettend leren om een andere structuur aan te brengen tijdens de lessen, mijn tempo te verlagen zodat de kinderen op adem konden komen zonder dat je hun belangstelling verliest. Ik heb (in tegenstelling tot Marie-Antoinette) twee jaar nodig gehad om erachter te komen dat de relatie die je opbouwt met de kinderen tot prestatie leidt en niet de vakidioot die zijn kennis wil overbrengen.’

Is passend onderwijs gelukt?

De Kiewit: ‘Ieder kind heeft recht op de idealen die passend onderwijs heeft en het is onze taak om dat te organiseren. Dat is mijn inziens niet gelukt. Hoe het wel zou moeten, dat is natuurlijk de standaard slogan: kleinere klassen. Nu varieert de klassengrootte van 20 tot 26. Wil je echt passend onderwijs invoeren zou je niet meer dan 16 leerlingen per klas moeten hebben. Maar je moet er ook competent voor zijn. Een ‘vakidioot’ zal zich nooit voldoende willen verdiepen in de achtergrond van een kind. Als docent neem je als deel van je werk je eigen persoonlijkheid mee om passend onderwijs meer tot een succes te maken dan dat nu het geval is.’

Van de Heuvel: ‘Ik denk dat het voor een groot deel wel gelukt is. Zo zijn de klassen kleiner geworden en is er met 20-22 leerlingen goed te werken. Maar misschien is dit voor mij in de creatieve vakken zo. Als de klassen groter zijn merk je meteen dat er leerlingen zijn die het niet redden op school. Als docent Engels, of bij andere theoretische vakken, loop je misschien eerder tegen dingen aan als leerlingen een traag werktempo hebben, iets niet kunnen of minder gemotiveerd zijn. Creatief bezig zijn, zowel met je brein als met je handen is een heel ander proces dan wanneer je een theorieles Engels hebt. Bij mij doet het er minder toe of er een gedragsprobleem is. We gaan iets maken met elkaar en ieder mag dat op zijn eigen manier doen. Dit spreekt leerlingen vaak aan. Ik word daar zelf ook meer ontspannen van dan voorheen omdat ik zie dat deze manier van werken passend is voor die leerling en ik de strijd niet hoef aan te gaan. Maar het zou inderdaad mooier zijn als de klassen nog kleiner zouden zijn. Het schuurt soms wel als je ziet dat een leerling worstelt met iets en dat je niet de tijd hebt om even één op één met hem te kunnen gaan zitten om extra instructie te geven. Passend onderwijs valt of staat met het beeld wat een docent heeft en hoe hij hierop reflecteert. Waarom moet alles zoals ik het geleerd heb? Als je dit loslaat zie je vaak hele andere dingen bij leerlingen gebeuren die heel positief kunnen uitpakken.’

Welke verbeteringen zou je graag nog willen bereiken?

Van de Heuvel: ‘Wat nog beter kan is de samenwerking binnen het team. Met elkaar bekijken wat een leerling nodig heeft en hoe je dat met elkaar kunt realiseren.’ De Kiewit: ‘Er valt nog winst te halen. Niet door het systeem bij te schaven om meer leerlingen te accommoderen, maar een schoolsysteem in te richten naar de behoeften van de kinderen die er op die school zijn. Dat vraagt lef, verbeelding en doorzettingsvermogen van iedereen, dat is mijns inziens de enige weg vooruit.’

Het eindrapport van het evaluatieonderzoek passend onderwijs is te lezen via : evaluatiepassendonderwijs.nl


Comfortabel in de spotlights

Hoe je het podium pakt tijdens die jaarlijkse (online) informatieavond

Hoe kan het dat je een avond lang geboeid naar een toneelvoorstelling of film kunt kijken, terwijl een gemiddelde presentatie nog geen tien minuten interessant is? Tijdens de LOB Inspiratiedag 2021 in april verzorgt Maike Pollaert de workshop: Presenteren voor decanen. Deelnemers leren om te spelen met de aandacht van het publiek en om overtuigend op het schoolpodium te staan.

Pollaert: ‘Ik heb de havo in Roermond gedaan. Na de havo wilde ik graag naar de toneelschool. In groep 4 begon ik met toneelspelen ( je mocht erop zodra je kon lezen) en werd ik gegrepen door het ‘theater- virus’. Mijn moeder was programmeur van de schouwburg in Roermond. Zij zag de acteurs in de artiestenfoyer worstelen met hun bestaan en raadde me aan een andere keuze te maken. ‘Kind, begin er niet aan!’ was haar duidelijke boodschap. Na een meeloopdag op de toneelschool was het ook voor mij duidelijk dat hier - voorlopig - niet mijn toekomst lag.’

‘JA! Iets voor jou’

Pollaert herinnert zich de decaan op de havo als een man met een kamertje in de kelder van school. ‘Ik bedacht zelf welke studie ik dan wel wilde gaan doen en liep daar beneden maar eens binnen om die keuze te verifiëren. Ik zat op de havo in allerlei com- missies en dus leek het me leuk om evenementen te gaan organiseren. De keuze viel op facilitaire dienst- verlening. Een opleiding Evenementenorganisatie bestond toen nog niet. Ik zie de decaan nog altijd voor me. Met de klink nog in zijn hand riep hij al: ‘JA! dat is helemaal iets voor jou’. En daarmee was mijn studiekeuze beklonken. Ik ging naar Wageningen voor de hbo-opleiding Facilitaire dienstverlening.

Toneelspelen was nog steeds mijn grote liefde en ook in Wageningen bezocht ik het amateurtoneel. In die tijd speelde ik bijvoorbeeld in Shakespeares Midzomernachtdroom de rol van Puck de nar. In die rol kon ik helemaal losgaan. De voorstellingen waren in de buitenlucht, een geweldige ervaring. De oplei- ding is me vanaf de eerste dag nooit echt bevallen. Tijdens de stage wist ik zeker dat de facilitaire dienst van een bedrijf me niet echt interesseerde. Wat ik wel interessant vond was te zien hoe mensen zich ontwikkelen in een organisatie. Daarom koos ik voor een vervolgstudie: Opleidingskunde aan de universiteit van Leiden.’

Cirkel werd rond

Deze opleiding beviel haar stukken beter. ‘Niet alleen bleek het leuk te zijn om een vak te leren dat je interesse heeft, ook mijn best doen leverde voldoening op! In Leiden bleef ook mijn toneelbloed stromen en zo kwam ik uiteindelijk toch nog op een toneelschool terecht. Op de toneelschool in Amsterdam deed ik auditie voor rollen, gezocht door studenten die afstudeerden aan de opleiding regie. Dit was toneel op een veel hoger niveau, en dat was echt heel tof! Ik speelde daar bijvoorbeeld in een surrealistisch stuk van Franz Kafka. Dat was geen rol maar een functie, heel bijzonder om te doen.

Mijn afstudeerscriptie ging over de meerwaarde van trainingsacteurs in trainingen. Zo werd de cirkel toch nog rond. Na mijn afstuderen ging ik werken bij de HAS in Den Bosch. Na al die verstandige keuzes en met een titel op zak dacht ik dat ik nu ook wel eens ‘onverstandig’ mocht zijn. Ik meldde me aan voor de deeltijdopleiding Regie voor amateurtheater in Rotterdam.’

Trainingen sloegen aan

Pollaert: ‘Door al dat toneelspelen had ik intussen zelf ook veel ideeën. Hoe vertel je een verhaal en in welke vorm vertel je wat je wilt vertellen? Tijdens deze opleiding bleek Regie ook in te houden dat je acteurs op hun best laat zien. Als regisseur geef je de aanwijzingen die ervoor zorgen dat de acteurs zich comfortabel voelen en gaan schitteren. Dit bleek de gedeelde interesse te zijn in zowel regisseren als in mijn werk als opleidingskundige. Na acht jaar bij de Has gewerkt te hebben, ben ik overgestapt naar de lerarenopleiding van de Radboud Universiteit. Daar organiseerde ik bijscholingscursussen voor docenten in het eerstegraadsgebied. Ik bezocht voor mijn werk veel scholen en lessen en zag daar hoe (beginnende) docenten vaak moeite hadden met zich staande houden voor een groep leerlingen (En ja die leerlingen die ruiken dat!). Ik dacht: waarom leer ik die docenten niet wat ik mijn acteurs ook leer? Het ‘Het is allemaal theater’ draait voor docenten - net als voor acteurs - groten- deels om de juiste non-verbale communicatie.’ Pol- laert bood een jaar lang overal gratis trainingen aan. ‘Theatertechnieken voor docenten: dat sloeg aan.

Twee scholen vroegen of ik hun decanen kon helpen om een presentatie voor ouders voor te bereiden. Ik bedacht: als twee scholen tegelijkertijd met die vraag komen, zijn er vast meer scholen en decanen met dezelfde vraag. En nu geef ik met veel plezier trainingen aan decanen. Individueel of in groepen. Ook deze trainingen zijn gebaseerd op theatertech- nieken. Aandacht vasthouden, de opbouw van je verhaal, comfortabel in the spotlights staan: het is allemaal theater.’

‘Mijn bedrijf heet PEPP-R’, vertelt Pollaert. ‘Ik pep je op en help je te presenteren met impact en zelfver- trouwen. Ik leer je het podium te pakken, je publiek te prikkelen en echt een verhaal te vertellen. Nu de wereld online is gegaan richt ik me, samen met iemand uit tv-land, op online trainingen: hoe breng je je boodschap over door de camera?’ Speel je zelf nog toneel? ‘Nee, dat komt er nu niet van met jonge kinderen en een eigen bedrijf. Maar dat zal ongetwijfeld wel weer gaan gebeuren in de toekomst.’