Een technieklandschap vol ervaringen

Sterk Techniek Onderwijs door de (VR-) bril van een regiopartner

Sterk Techniek Onderwijs is in opmars. De ontwikkelingen op het gebied van techniek en technologie gaan razendsnel. Dat vraagt om continue inhoudelijke afstemming van onderwijsaanbod op de behoeften van de arbeidsmarkt. De ambitie is om met alle samenwerkingspartners (po-vo-mbo-bedrijven) een duurzaam en kwalitatief technisch en technologisch onderwijs te ontwikkelen. In de regio West-Brabant wordt dit onderwijs met een gemeenschappelijke leidraad vorm gegeven vanuit vier sub-regio’s.

Charlotte Groenhout werkt bij Curio, is voorzitter van de decanenkring vmbo uit de regio Breda en omstreken en maakt deel uit van de stuurgroep die de techniekmanifestatie Game On West-Brabant organiseert. Voor Sterk Techniek Onderwijs (STO) is Groenhout accountmanager van twee regio’s die de naam Techniektalenten heeft en die inhoud geven aan de doelstellingen van de techniekprogramma’s in de regio. 

‘Ook de ontwikkeling van de docent is belangrijk’

Charlotte Groenhout

Groenhout: ’De leerlingen in de regio West-Brabant hebben het niet makkelijk. Ik focus mij op deze regio omdat ik enerzijds hier werk en anderzijds hier een groot netwerk heb kunnen opbouwen door de verschillende rollen die ik heb.’ Het loopbaanleren dat op iedere vo-school aandacht verdient staat vooral voorop in het ontdekken van wat je kunt en waar je talenten liggen. Veel scholen steken veel tijd in allerlei projecten om te kunnen ontdekken waar en hoe de leerling het beste uit zichzelf kan halen. Groenhout: ‘Hoewel ik nauw betrokken ben bij alle ontwikkelingen die er in de regio zijn, is het ook voor mij lastig om al die goede en mooie initiatieven rondom opleidingen, innovaties, activiteiten, events en projecten in beeld te krijgen.’

Netwerk

Groenhout haalt graag een voorbeeld aan waarom zij trots is op haar netwerk en hoe het ingezet kan worden. ‘Iedere zaterdag ga ik hier met een smile naar de markt, waar ik na 25 jaar nog steeds door een oud-leerling als ‘juf’ aangesproken word. Ik ben trots, trots op die leerling in mijn klas die geen zin had om naar school te gaan, die niet in de boeken wilde staren. Ik zag wel zijn kwaliteiten en zijn talent. Hij was een aanpakker, een teamplayer, kreeg iedereen mee. Hij wilde niet op een stoel zitten, maar hij wilde sjouwen, werken, onder de mensen zijn. Zijn mooie, blije koppie, en de focus op zijn toekomst maakte dat ik voelde dat ik hem daarbij kon helpen, hem kon sturen en daar had ik mijn netwerk voor nodig.’

Netwerken is wat Groenhout heel concreet vanuit het STO doet. Voor het onderwijsaanbod komen nieuwe keuzevakken, die gericht zijn op de technologische innovaties binnen de top sectoren. Het aanbod voor activiteiten, in samenwerking met het bedrijfsleven, breidt zich uit en is gericht op het ontdekken van techniek en technologie. Het organiseren van loopbaanactiviteiten, zoals gastlessen en bedrijvenbezoeken, pakken de scholen op. Dit is een samenwerking tussen bedrijven en vervolgonderwijs die in de regio actief zijn. De grote techniekmanifestatie Game On gaat, in hybride versie, door en is hopelijk volgend schooljaar weer live, zodat de bedrijven zelf de leerlingen kunnen ontvangen. Veel scholen pakken de Lego League zelf op. De focus op meisjes in de techniek krijgt mede vorm door het organiseren van speeddates met dames uit de techniek en Girls Day krijgt in de regio een vast programma. 

Groenhout: ‘Dit alles bleek in coronatijd lastig, maar we gaan wel door. Nu we allemaal de handen in een geslagen hebben, moeten we het ook aanpakken. Lukt het niet ‘live’, dan maken we er online iets tofs en interessants van. Nee, de praktijk is mooier, het echte ’zien en voelen’, maar we kunnen niet wachten, want onze leerlingen staan voor belangrijke loopbaankeuzes. Door de activiteiten voor te bereiden met de leerlingen zelf en te reflecteren, maken we er echt iets van. We kijken naar de behoefte van de leerlingen en ook de docenten nemen we daar in mee.’

Loopbaankeuze

Het unieke is het samenwerken aan de doelstellingen binnen het STO-programma met het po, vo, de bedrijven, de gemeentes, het mbo en het hbo. Iedere partij ziet dat een regio brede visie op loopbaanleren belangrijk is en meer inhoudt dan het enkel organiseren van een activiteit. Het moet betekenis krijgen. Een plek binnen het landschap, waar de leerling doorheen wandelt. Ervaren wat techniek is. Het beroepsbeeld helder krijgen, de praktijk ervaren. Daarin kunnen skills en competenties gekoppeld worden binnen het loopbaanleren. Een win-win situatie. Groenhout: ‘Als alle partijen het er over eens zijn, dan is het makkelijker om het de leerling uit te leggen. De loopbaan van de leerling, maar ook de ontwikkeling van de docent is belangrijk. Wat ik nu nog groter heb kunnen maken is, dat ik mag bijdragen aan de ontwikkeling van het landschap waarin onze leerlingen hun loopbaan richting kunnen geven en ze de ruimte kunnen pakken om zich te ontwikkelen. We leven in een complexe en snel veranderende wereld. Dit is vooral het afgelopen jaar gebleken, toen ons onderwijs ineens online gegeven moest worden. Echter, er moeten keuzes gemaakt worden en voor de leerlingen is een van die keuzes een loopbaankeuze: ‘Welk profiel past bij jou?’, ‘Welke vervolgopleiding kies je?’, ‘Waar ga je stage lopen’ en ‘Welk beroep past bij jou?’ Kunnen zij daar antwoord op geven nu we maar steeds blijven zeggen en zien dat de banen van nu er over tien jaar niet meer zijn? Een leven lang ontwikkelen dat geldt voor iedereen.’

‘Techniek en technologie is zo veel meer’

VR-bril 

Groenhout leert veel van leerlingen, ouders, collega’s en bedrijven. Ze komt veel fantastische mensen tegen die samen met haar het landschap voor de leerlingen vorm willen geven. Ze is van mening dat de leerlingen op grond van hun intrinsieke waarden keuzes kunnen maken. Daardoor kunnen de leerlingen beter vertellen wie ze zijn. Groenhout: ‘Ze kunnen aangeven waar hun kwaliteiten liggen en wat hun ambitie is. Een ambitie aangeven als je in het tweede leerjaar op het vmbo zit, dat is niet makkelijk. Door de leerlingen mee te laten wandelen door het grote landschap waarin ze ervaringen op doen en blij worden van de dingen die ze tegenkomen, ontdekken ze wat bij hen past. Leerlingen de mogelijkheid geven om de wereld te verkennen met bijvoorbeeld een VR-bril, robots of met allerlei nieuwe technische gadgets voor de telefoon. Maar ook binnen andere sectoren is technologie belangrijk. Denk aan het boodschappen doen zonder kassa in de winkel, de technologische ontwikkelingen in de zorg en de ontwikkelingen van de biobased technologieën. We blijven niet hangen bij het ontwikkelen van kennis en vaardigheden, wat helaas nog altijd voorop staat in ons onderwijs, maar we leren ze hiermee vooral kijken naar hun persoonlijke mogelijkheden, ontdekken wie ze zijn en wat hun drijfveren zijn.’

Game On

Een van de activiteiten die dit jaar in hybride vorm door ging, is Game On West-Brabant. In samenwerking met onderwijs, overheid en bedrijfsleven werd Game On voor het derde jaar georganiseerd. Via de expeditie van de zeven werelden van techniek, ontdekten de leerlingen op een leuke en realistische manier welke wereld van techniek en technologie het beste bij ze past. De bedrijven uit de regio hebben zich in deze werelden, profiel overstijgend, gepresenteerd. Game on is techniek en technologie zien, doen en ervaren. Tijdens twee dagen worden leerlingen van het voortgezet onderwijs (klas 1 en/of 2 vmbo, havo en vwo) in de regio West-Brabant uitgenodigd om mee te doen. De kinderen bezoeken Game On in groepjes, begeleid door studenten van verschillende mbo-colleges. Interactie en doen staan voorop. Via Game On promoten de initiatiefnemers techniek bij de medewerkers van de toekomst. Ze bieden dit aan op interactieve techniekpleinen die ingedeeld worden per sector, zoals maritiem, machine- en apparatenbouw, logistiek en transport. Maar er is ook ruimte voor thema’s als agri & food, de medische sector, energie (clean en groen) en gebouwde omgeving, want ook in deze sectoren speelt technologie een cruciale rol.

Zaterdagmarkt 

Juist door deze prachtige initiatieven en activiteiten ziet Groenhout bij haar leerlingen wat ze aanspreekt. ‘Techniek en technologie is zo veel meer dan dat wij ze tot nu toe laten zien. We moeten de handen ineen blijven slaan om tot onze gewenste doelen te komen. Mooi om te zien hoe leerlingen openstaan voor technologie en hoe zij het beeld van de veranderende wereld koppelen aan wat ze willen en kunnen. Wat zou het fijn zijn als ik op de zaterdagmarkt nog meer leerlingen tegenkom die hun keuze gemaakt hebben op basis van alle aangeboden initiatieven. Dan ben ik super trots. Niet op mezelf maar op de leerlingen, die kansen gepakt hebben.’

 


Kiezen voor de toekomst

Hoe oriënteren vmbo-leerlingen zich op banen in een onzekere toekomst?

Hoe trekken we als onderwijs en bedrijfsleven gezamenlijk op om vmbo-leerlingen optimaal voor te bereiden op een onzekere toekomst? Een handreiking van het bestuur van het Platform vmbo Dienstverlening & Producten.

Onzekerheid

De coronacrisis zal door de schoolsluitingen de geschiedenisboeken ingaan als een periode met grote impact op het onderwijs. Het effect op het sociale leven, op het leren van onze vmbo-leerlingen en de zorgen rondom leerachterstanden van leerlingen is groot. De grote opdracht die het onderwijs na deze crisis wacht is hoe we leerlingen leren omgaan met die ervaringen en veranderingen. Want hoe bereiden we als onderwijs en bedrijfsleven onze leerlingen voor op een onzekere toekomst? 

‘Investeren in deze jongeren betaalt zich later terug’

Scholen bereiden leerlingen binnen het vmbo voor op hun toekomst door het aanbieden van praktijkgericht onderwijs op verschillende manieren, zowel binnen als buiten de school. In de bovenbouw van het vmbo oriënteren leerlingen zich in profielen op mogelijke vervolgopleidingen en het werk dat ze uiteindelijk willen doen. Er zijn negen beroepsgerichte profielen en één breed oriënterend profiel: Dienstverlening & Producten (D&P). D&P biedt de mogelijkheid om het onderwijs flexibel in te richten en maatwerk te leveren, dit is mogelijk door de contextarme formulering van leerdoelen in het examenprogramma. 

Uitstel keuze

Op dit moment volgt bijna dertig procent van alle beroepsgerichte vmbo-leerlingen het profiel D&P. In samenwerking met het bedrijfsleven en het vervolgonderwijs oriënteren leerlingen zich op uiteenlopende arbeidsgebieden. Zij stellen studie- en beroepskeuze uit door pas in klas 4, in plaats van klas 2, een weloverwogen keuze te maken. Daardoor zijn ze beter voorbereid op de overstap naar het vervolgonderwijs en vallen ze minder vaak uit. In tegenstelling van wat vaak wordt gedacht: bij het profiel D&P is het ook gewoon mogelijk om na klas 2 voor een richting te kiezen. Dit onder het mom van brede keuzemogelijkheden waar het kan en smallere mogelijkheden waar het moet. Leerlingen kunnen bijvoorbeeld keuzevakken doen in een bepaalde richting, maar kunnen ook verschillende keuzevakken kiezen om zich breed te oriënteren. Een kwart van alle D&P leerlingen stroomt door naar een vervolgopleiding in de sector techniek. Veel van deze leerlingen overwegen die keuze in eerste instantie niet, maar krijgen een heel ander beeld van deze sector tijdens hun oriëntatie.

Aansluiten bij de regio

Vmbo-leerlingen zoeken vaak hun toekomst in de regio waarin zij opgroeien en leren het beste midden in de maatschappij. Binnen het profiel D&P doen leerlingen brede sector overstijgende praktijkervaringen op bij bedrijven, instellingen en het vervolgonderwijs in hun regio. Bedrijven en instellingen maken daardoor vroeg kennis met hun potentiële medewerkers. Investeren in deze jongeren betaalt zich later terug door loyale en trouwe collega’s die al bekend zijn met het bedrijf. Dit vraagt om een andere grondhouding en nieuwe vaardigheden van leerlingen en docenten. Door adequate begeleiding, maatwerk en differentiatie door de docenten kunnen leerlingen leren om hun ervaringen te gebruiken, om zichzelf te ontwikkelen en verantwoorde keuzes te maken. Door leerdoelen te koppelen aan maatschappelijke gebeurtenissen zoals de coronacrisis, leren leerlingen zich open te stellen voor andere onderwerpen en onderwerpen met elkaar te verbinden. Leerlingen leren hierdoor vroeg dat een ‘leven lang leren’ een vereiste is om adequaat te blijven functioneren op de arbeidsmarkt en in het sociaal maatschappelijk leven. Per slot van rekening kan een leven lang leren gaan om bijleren, maar ook over omscholen.

Uitdagingen

Naast de corona-crisis kennen vmbo-scholen ook andere uitdagingen voor de toekomst. In krimpregio’s is het lastig om een breed onderwijsaanbod in stand te houden. Juist in deze regio’s kunnen collega-scholen onder de paraplu van het profiel D&P samen tot een zo breed mogelijk onderwijsaanbod komen. Bijvoorbeeld door het opzetten van leerlijnen op regionaal niveau en het aanbieden van keuzevakken in co-creatie met collega-scholen, bedrijven en het mbo. Zo heeft een D&P school samen met de opleiding Veiligheid en Vakmanschap van een roc een route voor vmbo-leerlingen gemaakt die geïnteresseerd zijn in Safety & Security. Daarnaast kan een relatiemanager zorgen voor het verbinden, opbouwen en onderhouden van deze relaties, van vmbo tot en met hbo. Dit ‘onderhoud’ moet gericht zijn op persoonlijke contacten tussen leerlingen en ondernemers en tussen leraren en het bedrijfsleven. Zo worden meer leerlingen bereikt en geïnformeerd over beroepen waarvan zij het bestaan nog niet wisten. 

‘Laat de jongeren zich breed oriënteren’

Kortom, leerlingen staan voor de lastige opgave om in deze onzekere tijd keuzes te maken voor hun toekomst. Laat de jongeren zich breed oriënteren en ervaringen opdoen in de mogelijkheden die zij hebben in onze maatschappij, zodat zij allemaal hun plek kunnen vinden in de samenleving van morgen.

Waarom Dienstverlening & Producten?

Het examenprogramma van het profiel D&P biedt scholen de ruimte en kansen om vanuit het examenprogramma een schooleigen onderwijsprogramma D&P in te richten, zoals dat past bij de scholen, hun expertise en de sociaaleconomische karakteristieken van de regio. Dit heeft tot gevolg dat scholen werken met en aan diverse varianten van D&P programma’s. De deur naar de eigen ambitie van de school staat open, er is veel ruimte om een eigen wending te geven aan het onderwijsprogramma. De toekomst biedt ruimte en kansen voor het D&P profiel vanwege de mogelijkheden die het biedt aan de scholen. 

Het Platform D&P maakt zich sterk voor scholen om deze ruimte te benutten. 

Meer informatie: www.platformdenp.nl


Mensen en hun talenten

De NVS-NVL heeft een nieuwe coördinator voor de Academie: Kristella Hak. Vanuit haar achtergrond, ervaring en belangstelling was deze functie voor haar een logische stap. Daarover vertelt ze in dit interview.

Per april is Kristella Hak de coördinator van de NVS-NVL Academie. Zij volgt Ellen Rozeman op, die de Academie in 2016 met veel enthousiasme opzette. Waarom solliciteerde ze op deze functie? Hak: ‘Onderwijs en het begeleiden van mensen vind ik interessant. Ik ben zelf bezig geweest met het maken, geven en coördineren van trainingen, ook op het gebied van loopbaanbegeleiding. Ik heb ervaring met HR in het bedrijfsleven. Ik wilde graag meer richting werk met een maatschappelijke betekenis, wat het onderwijs bij uitstek is. Er is nu, na de startjaren, veel te doen om de Academie verder uit te bouwen en af te stemmen met het aanbod van de Academie van de VvSL waarmee de NVS-NVL fuseert. 

‘Samen verder werken aan nieuwe ontwikkelingen’

Ik vind het ontzettend leuk om hier samen met anderen aan te werken. Ik ontmoet collega’s met zo veel kennis, ervaring en vooral passie voor loopbaanbegeleiding en het ondersteunen van leerlingen. Dat inspireert me enorm.’ Hiernaast werkt ze ook nog bij European Leadership University, een online universiteit waar ze samen met trainers programma’s maakt voor mensen in het bedrijfsleven. ‘Het gaat daar vooral over tech skills waar op de arbeidsmarkt te kort van is.’

Uitzoomen

Hak vertelt dat haar belangstelling uitgaat naar leren en onderwijs. ‘Terugkijkend zie ik dat ik steeds stappen maak op dat gebied, vooral richting talentontwikkeling. Ik vind het mooi om te zien als mensen ‘het beste uit zichzelf halen’. Mensen vind ik interessant, dat staat bij mij centraal.’ Na het vo ging ze Taal- en Cultuurstudies studeren. ‘Dat is een brede opleiding waarbij je voor een groot deel je eigen programma samenstelt, je kunt je in van alles ontwikkelen, dat past bij mijn nieuwsgierigheid en brede interesses.’ Als meisje wilde ze juf worden. Toch heeft ze niet voor werk in het onderwijs zelf gekozen. Daarover denkt ze even na. ‘Ik denk dat ik beter ben in kaders of voorwaarden maken voor anderen waarmee ze zelf verder kunnen. Ik zit liever aan het systeem dan in het systeem, beschouwend en uitzoomend. In een gesprek bijvoorbeeld doe ik mee, maar na een tijdje stap ik eruit en ga ik kijken, denken, analyseren: Wat doen we eigenlijk? Wat is er nodig? Hoe verder? En ook nog verder: Hoe zou het moeten zijn? Dus moet ik niet zelf in een klas aan de slag. Wel, zoals met deze baan, in de voorwaardenscheppende sfeer. Ik ben ook geen specialist, meer een generalist.‘

Samen verder

Er moet de komende tijd voor de Academie heel wat gebeuren. ‘Heel belangrijk natuurlijk: verder gaan met de positionering van alles op de scholen dat niet vakinhoudelijk is. Dus het begeleiden en ondersteunen van leerlingen op alle gebieden, loopbaanontwikkeling, passend onderwijs, keuzes maken. Hierbij helpen wij professionals in de scholen om dat te kunnen doen door ondersteuning en scholing te bieden. Dat ik zelf niet uit het onderwijs kom heeft ook voordelen. Die expertise is in beide verenigingen volop aanwezig en ik kijk daarnaar met een onbevangen blik.’ Als tweede benoemt Hak de fusie met de VvSL. ‘De twee academies van de verenigingen gaan samen verder, er is overlap, we moeten dingen afstemmen en samen verder werken aan nieuwe ontwikkelingen, passend bij de toekomst van het onderwijs. We gaan kijken hoe we dat gaan doen. Daarvoor gaan we op zoek naar een gezamenlijke identiteit.’

Weten wie je bent

Net als in het bedrijfsleven heeft het onderwijs te maken met een snel veranderende wereld. ‘Daar moeten we zo snel mogelijk op inspelen: Wat gebeurt er en wat komt er aan? Juist voor het onderwijs is dat essentieel,’ geeft Hak nadrukkelijk aan, ‘want daar zitten de mensen voor de toekomst. Je moet er vooral voor zorgen dat je wendbaar bent. Corona is een goed voorbeeld van de noodzaak om snel te kunnen veranderen en hoe belangrijk flexibiliteit is.’ Wat zijn volgens haar belangrijke skills voor de toekomst? ‘Skills benoemen voor de toekomst is moeilijk en een valkuil. Het belangrijkste is dat je kunt omgaan met veranderingen, daarin moet het onderwijs voorop lopen. Daar hoort veerkracht bij, dat heb je nodig als alles anders gaat dan je verwacht. In een omgeving waar veel gebeurt en verandert kun je verdrinken. Het is dan vooral belangrijk dat je uitgaat van jezelf en weet wat je wilt. Dus is het nodig om te leren wie je bent, wat je kan en wat je drijft. Dit alles als een basis voor jezelf, een zekerheid om te leven en werken in een voortdurend veranderende samenleving.’

‘Leren wie je bent, wat je kan en wat je drijft’

Kristella Hak

Hak vertelt nog even over haar inzet voor ‘AM Talent dat het maakt’, een community voor jong vrouwelijk talent in Nederland. ‘Dat doe ik naast het werk. We zetten ons in voor een gezondere en veiligere werkvloer voor vrouwen die daarin verder kunnen groeien. We willen er voor zorgen dat alle vrouwen volwaardig mee kunnen doen in de maatschappij en dat het bedrijfsleven hier een representatieve afspiegeling van is. Dat doen we onder andere met trainingen en netwerkbijeenkomsten. Dit onderwerp gaat ook over gelijke kansen voor jongeren en hoe je keuzes maakt in het leven, ook een LOB-onderwerp.’ 

Ze heeft het gevoel dat de functie van coördinator van de Academie bij haar past als persoon. ‘Ik ben dankbaar voor deze rol en het fijne team en kijk uit naar de komende periode. Zo wens ik dat ook voor anderen. Met dit werk zet ik me daar graag voor in.’


De logica van de harmonica

Experiment: opleiden voor brede inzetbaarheid

De Servicemedewerker is een allrounder, een gastvrije duizendpoot en de uitgestoken hand van een organisatie. Hij stelt zich ondersteunend, dienstverlenend en servicegericht op. Hij is proactief, houdt rekening met en speelt in op de behoefte en verwachtingen van bezoekers. Hij beschikt over communicatieve vaardigheden in het Nederlands en Engels, is sociaal, alert en integer. Hij werkt volgens richtlijnen en procedures, is stressbestendig en altijd klantvriendelijk. Hij werkt nauwkeurig en koppelt op de juiste manier terug naar zijn leidinggevende. Kortom, de ideale medewerker voor een bedrijf of organisatie.

Het arbeidsmarktperspectief voor studenten in het mbo op niveau 2 is niet altijd positief. Wat doe je met deze doelgroep die elk jaar in groten getale voor de deur staat? Mbo-instellingen willen dit oplossen door brede niveau 2 opleidingen aan te bieden. In opdracht van de MBO Raad is in 2015 een verwantschapsanalyse uitgevoerd naar verwante werkprocessen en activiteiten van negen (herziene) kwalificaties (in de herziene kwalificatiedossiers profielen genoemd) op niveau 2. Het doel van deze analyse is te onderzoeken welke onderwerpen de roc’s eventueel in een brede niveau 2 opleiding aan studenten kunnen aanbieden.

Cross-over 

ROC Midden Nederland is initiatiefnemer van het cross-over dossier Servicemedewerker (een brede niveau 2 opleiding) geweest. In de voorbereiding hebben zij naar de verwantschapsanalyse van de niveau 2 opleidingen gekeken. In 2017 zijn zij als eerst gestart met Servicemedewerker om enerzijds ‘perspectief bieden’ op een volwaardige (arbeids)plek in de maatschappij en anderzijds om tegemoet te komen aan de vraag vanuit de arbeidsmarkt naar breed inzetbare werknemers. Inmiddels bieden 17 roc’s deze cross-over aan. Deze roc’s komen bij elkaar in het landelijk Netwerk Breed opleiden Niveau 2 (N2B). Dit netwerk van en voor mbo-professionals wil alle studenten perspectief bieden op de arbeidsmarkt en in de maatschappij. Het N2B wordt gefaciliteerd door CINOP en er zijn 26 leden van 18 mbo-instellingen. Het experiment duurt van 1 augustus 2017 tot en met uiterlijk 31 juli 2025. Bij de Les nam een ‘kijkje’ bij drie mbo’s die meedoen aan het onderwijsexperiment ‘cross-over kwalificaties’. 

‘Ik ga graag voor mensen die kansen gemist hebben’

Gastvrije duizendpoot

Jacqueline van Swaaij is teammanager bij Noorderpoort Groningen Appingedam. Van Swaaij was altijd al geïnteresseerd in laaggeletterdheid. Van Swaaij: ‘Ik ga graag voor mensen die kansen gemist hebben, die zijn opgevoed met: ‘het is niks en het wordt niks’. Bij het N2B wisselen we onze ervaringen uit, we hebben immers allemaal met dezelfde problematiek te maken. Werkgevers willen liever werknemers met een hoger niveau. Als ze dan wel een niveau 2 stageplek willen geven, dan willen ze een werknemer die breed inzetbaar is. Die willen ze als gastvrije duizendpoot in kunnen zetten, bijvoorbeeld én bij de catering én bij de telefoon. Daarnaast weten studenten op dit niveau vaak nog helemaal niet wat ze willen. Dus zo snijdt het mes van breed opleiden aan twee kanten.’

Michel Botman is opleidingscoördinator bij het Horizon College. Botman: ‘Wij hadden de smalle opleiding Administratief medewerker niveau 2. Voor de cross-over Servicemedewerker werd ik kartrekker, aanspreekpunt en onderwijsontwikkelaar. Het eerste jaar is net gestart, het N2B overleg en het contact met andere mbo’s is heel waardevol’. Botman gaf rekenlessen aan niveau 2 en boekhouden/bedrijfseconomie aan niveau 4. Botman: ‘Mijn hart ligt bij niveau 2. Als je voor deze studenten een stapje extra doet, dan wordt dat enorm gewaardeerd. Bovendien zal een niveau 2 student die iets nog niet goed kan, dat ook erkennen en dat samen met jou willen doen.’

Sanae Boukarfada is coördinator onderwijsontwikkeling en projectleider bij het Business & Administration College van ROC Midden Nederland (MN) in Utrecht. Vanuit haar rol heeft zij vanaf de start een essentiële rol gespeeld bij de totstandkoming van het cross-over dossier Servicemedewerker.  Boukarfada: ‘De beperkte kansen op de arbeidsmarkt voor een aantal niveau 2 opleidingen waren voor ons aanleiding voor het herpositioneren van onze niveau 2 opleidingen. Hierbij hebben we de smalle opleidingen met gering arbeidsmarktperspectief opgeheven en ondergebracht in de brede ontwikkelde cross-overopleiding Servicemedewerker’ waarbij de student zich kan oriënteren, een brede set aan vaardigheden meekrijgt en in verschillende contexten kan uitstromen. Hiermee streeft ROC MN ernaar studenten op niveau 2 een zo goed mogelijke start op de arbeidsmarkt te geven. Ook is de opleiding nadrukkelijk gericht op doorstroom naar niveau 3 en 4.‘ 

Van context switchen

Vanaf schooljaar 2017-2018 staat de positionering van de opleiding Servicemedewerker op de agenda van de stuurgroep niveau 2 van ROC MN. Uiteindelijk is de notitie ‘De logica van de harmonica’ in juni 2018 vastgesteld met een duidelijke visie over de plek van de opleiding Servicemedewerker in het portfolio van de niveau 2 opleidingen. Boukarfada: ‘Als metafoor voor een flexibel portfolio van niveau 2 opleidingen gebruiken we binnen ROC MN een harmonica. ROC MN biedt specialistische niveau 2 opleidingen aan als er arbeidsmarktrelevantie bestaat. Voor studenten die een opleiding willen volgen in een context waar geen specialistisch werk in is, bieden we de opleiding Servicemedewerker aan. De crebonummers waarvoor (tijdelijk) geen arbeidsmarktrelevantie bestaat behouden wij wel. Zo kunnen opleidingen in een veranderende arbeidsmarkt altijd weer aangeboden worden. De opleiding Servicemedewerker stelt de organisatie in staat te allen tijde contexten toe te voegen. Opleidingen kunnen ook kiezen voor breed starten in het eerste jaar, maar smal uitstromen op bestaande crebo’s.‘

Op basis van de notitie zijn er meerdere gesprekken gevoerd over de vraag welke contexten onderdeel moeten gaan uitmaken van de opleiding Service-medewerker in Utrecht en Amersfoort. Boukarfada: ‘Er is besloten daar uit te breiden met ICT en Logistiek (Zakelijk en Commercieel werd al aangeboden). In Utrecht bieden we de contexten Sport & Evenementen en Zorg & Welzijn niet aan. Daar is de smalle opleiding Sport, facilitair en helpende niveau 2 gebleven. Dit heeft o.a. te maken met de werkgelegenheid in de regio.’ 

‘Beroepen komen en gaan’

Door het curriculum te kleuren met stageplekken, werkplekleren en keuzedelen in de betreffende context ontstaat een aantrekkelijke brede opleiding voor de student en arbeidsmarkt. ‘Natuurlijk kunnen studenten gaandeweg ook van context switchen. Het crebo is en blijft dat van Servicemedewerker. Hierdoor kunnen studenten stage lopen in een omgeving die ze interessant vinden, want er is veel meer keus. Dit spreekt studenten (en ouders/verzorgers) aan. Zij zien bij de voorlichting dat ze veel meer opties hebben met een brede opleiding als Servicemedewerker en kiezen daar liever voor. We hadden normaal gesproken vier eerstejaars klassen Verkoper (smalle opleiding), tegenwoordig hebben we er nog maar één.’ 

Een boost voor het leven

Van Swaaij: ‘Meer kansen op werk en doorstroom zijn ook conjunctuurgevoelig. We merken nu dat er weer een omslag komt. Werkgevers willen terug naar de helpende, de verkoopmedewerker. Wij willen uiteraard samen optrekken met het bedrijfsleven en opleidingen geven die aansluiten, maar wij vinden breed opleiden verstandiger. Het Noorderpoort heeft een clusteroverleg voor niveau 2 met alle teammanagers. Van daaruit ga ik naar het landelijk netwerk om te proberen samen een vuist te maken. Als we niveau 2 weer specialistisch op gaan leiden en het gaat niet goed in een bedrijf, dan zijn zij de eersten die op straat staan. Met een brede opleiding kunnen ze meer kanten op.’ Botman: ‘Afgelopen schooljaar heeft de SBB-sectorkamer Retail veel erkenningen van winkels als leerbedrijf ingetrokken. Het werk daar past bij de smalle opleiding Verkoop en volgens hen voldoet de Servicemedewerker daar niet aan. Wij gaan dan via het N2B met elkaar in gesprek, om samen te laten zien wat een Servicemedewerker kan en doet.’ Boukarfada: ‘Als je naar het kwalificatiedossier kijkt, begrijpen we dat het lastig is om als Servicemedewerker bij een kleine verkoopzaak stage te lopen, maar bij bijvoorbeeld een grote supermarkt met een servicebalie of koffiecorners zou het wel kunnen. Het is dus niet zo zwart-wit. Ik vind het prettig dat we hier als N2B met elkaar over in gesprek kunnen gaan en samen een reactie aan het SBB kunnen geven.‘

Kennismaken en ontdekken 

Botman: ‘In leerjaar 1 krijgen onze studenten een brede kennis van de zeven werkprocessen en in leerjaar 2 kiezen ze voor een keuzedeel. De opleiding Servicemedewerker verschilt ook per regio, want wij willen studenten geen worst voorhouden. Beroepen komen en gaan, daarom willen wij studenten zo goed mogelijk voorbereiden op werk. Naast de algemene vakken als Nederlands, Engels, rekenen maken we gebruik van werkplekleren. Studenten leren in een echte werkomgeving en krijgen ook opdrachten bij het bedrijf. Zo maken ze kennis met de beroepsvaardigheden van een beroep. En als dat niet bevalt kunnen ze een ander keuzedeel kiezen.’

‘Ze kunnen nog ontdekken wat ze willen’

Van Swaaij: ‘Het zijn goede medewerkers met potentie om door te groeien. In de panelgesprekken die pas gevoerd zijn met onze niveau 1 en 2 studenten, geven ze zelf ook aan dat ze het fijn vinden nog alle kanten op kunnen. In die twee jaar kunnen ze nog ontdekken wat ze willen. Het mooiste is als ze binnen een groot bedrijf of verpleeghuis stage kunnen lopen op diverse afdelingen. Dat ze een poosje meedraaien bij de front-office, bij de maaltijden uitdelen, in het magazijn of in de keuken. Een mooi praktijkvoorbeeld: een jongen voor wie alles tot nu toe mis ging, mocht stagelopen in het museum in Appingedam. Hij had een voorliefde voor geschiedenis. Hij bleek een geweldige dienstverlenende houding te hebben. Hij ontving de mensen, kon er zijn verhalen kwijt en ook een kopje koffie schenken. Zo’n succeservaring is een boost voor zijn verdere leven.’

Zie: https://cinop.nl/agenda/netwerk-breed-opleiden-niveau-2-editie-2021/ en
https://www.s-bb.nl/cross-overs


Kennis is een zee zonder kust

Redactielid Christel Isphording gaat in gesprek met Amir, een oud-student van het mbo die de Islam nauwkeurig wil naleven. Iets dat voor Isphording, als zijn docent Nederlands, zichtbaar en merkbaar was en waar ze nog altijd nieuwsgierig naar is.

Amir (21) is geboren in Nederland en heeft een Egyptische vader en een Poolse moeder. Zijn moeder bekeerde zich voor zijn geboorte tot de Islam. Hij spreekt vier talen, Nederlands, Arabisch, Engels en een beetje Pools. Met zijn diploma Sociaal Werk niveau 4 op zak is hij bezig met het diploma Fitnesstrainer B (periodieke sportbegeleiding), om zich te kunnen registreren als personal trainer. Hij hoopt de vaardigheden van deze twee diploma’s in zijn toekomstige werk te kunnen combineren. 

‘Leraren zijn meer dan alleen kennisoverdragers’

Vertel eens iets over jouw schooltijd en wanneer ontstond jouw interesse in de Islam?

‘Ik heb vroeger op een katholieke school gezeten. De verhalen die daar werden verteld hadden al vroeg mijn interesse en aandacht. Maar de toneelstukjes rond kerst over personages uit de Bijbel, daar kon ik niet om lachen. Het voelde voor mij oneerbiedig om van zulke heilige verhalen grappige toneelstukjes te maken. Toen ik naar de middelbare school ging, begon het leven er anders uit te zien. Als mens ontwikkel je je, je wereld wordt groter, je krijgt meer verplichtingen en je gaat kritischer nadenken over het leven. Er kwam een moment waarop ik in een emotionele dip terecht kwam. Die dip hield aan totdat ik meer in contact kwam met mijn geloof. 

Dat contact begon op vakantie in Egypte, het land van mijn vader waar ik veel familie heb. Het viel mij op dat de mensen heel erg gastvrij en behulpzaam zijn. Ik hoorde daar elke dag de oproep tot het gebed en voelde me hierdoor geroepen. Zo ben ik begonnen met het dagelijkse gebed. Met veertien jaar ging ik naar de Moskee en daar vond ik zo’n rust en kalmte. De innerlijke rust die ik daar heb ervaren, was het antwoord op mijn depressie. Je kunt het vergelijken met yin en yang. De Islam bracht voor mij mijn geest en lichaam in balans.’

Ik herinner me jou als een stille, rustige jongen op het mbo in Arnhem. Hoe vond jij dat eerste jaar?

‘Het viel me direct op dat de sfeer er heel anders was. De mensen waren erg sociaal en vriendelijk. Toen ik eens gezellig mee moest doen met de kerstviering, was ik het daar niet mee eens. Hoe kan ik vieren dat God een zoon heeft? Een boeddhist zal mij ook niet feliciteren met het offerfeest wanneer zijn heilige koe geofferd wordt. Ik leerde in dat jaar vooral zelfreflectie. De opdrachten van de opleiding waren daar erg op gericht. In het begin vond ik dat maar niks, maar achteraf bleek ik daar juist veel profijt van te hebben.’

In het eerste jaar van de opleiding maakten alle studenten een presentatie van hun lievelingsmuziek. Jij deed iets unieks. Kun je uitleggen waarom?

‘We moesten spreken over de achtergrond van de muzieksoort, hoe die is ontstaan, het doel ervan en waarom je hiervoor hebt gekozen. Aangezien ik geen muziek luister, presenteerde ik over de recitatie van de Koran. De Koran wordt namelijk gereciteerd, al eeuwenlang, en er wordt ook onderwezen hoe je de Koran correct kunt reciteren. Op deze wijze heb ik de opdracht ook naar behoren uitgevoerd.’ 

In de docentenvergadering werd soms besproken dat een moslimstudent een vrouw geen hand wil geven. Wat kun je ons hier over vertellen?

‘In de Islam is het zo dat je een andere vrouw buiten je familie om niet aanraakt. Dat geldt ook voor vrouwen ten aanzien van mannen. Dit heeft niets te maken met vrouwonvriendelijkheid, maar gaat over fysieke integriteit. De regels van de Islam wegen niet allemaal even zwaar. Zoals het niet drinken van alcohol bijvoorbeeld zwaarder weegt dan het niet aanraken van een vrouw. Je kunt die regels niet zelf aanpassen, want die staan vast. Maar het is uiteindelijk aan jou of je die regels wel of niet opvolgt. Ook zijn er natuurlijk uitzonderingen. Als u bijvoorbeeld was flauwgevallen voor de klas, dan zou ik u zeker geholpen hebben.’

‘Ik had gewild dat ik toen wist waarom …’

Als ik hardop bedenk dat als alle moslimmannen in de hele wereld zich aan deze regel zouden houden en alle moslimmannen geen alcohol zouden drinken, de wereld er beslist veel mooier uit zou zien, lachen we hier samen hartelijk om.

Is dit niet zwaar voor jou? Naast je dagelijks leven Arabisch leren, iedere dag bidden, Koranteksten lezen en naar de Moskee gaan?

‘Het bezig zijn met het geloof is voor mij vrije tijd. Iedereen heeft een bezigheid na school of werk. Dit is voor mij iets wat ik heel graag doe. Het kost me geen energie, maar het geeft me juist energie. Energie die mij vervolgens helpt in het dagelijks leven. Ik houd er ook van om kennis op te doen. Kennis is een zee zonder kust. Daarom begin je ook bij de basis, zodat je niet voor je voeten gaat lopen.’

Als jouw docent Nederlands was en ben ik onder de indruk van jouw manier van praten. Je gebruikt veel spreekwoorden die ik niet ken, maar die ik wel heel mooi vind. 

‘Spreekwoorden en uitdrukkingen geven kleur en diepgang aan een taal. Het maakt alles minder oppervlakkig en je wordt er ook wijzer van. Voor mij zijn er twee soorten wijsheden: wijsheid waarin je oudere mensen kunt raadplegen, omdat zij jaren op jou voorlopen en dus meer hebben gezien. En eigenwijsheid doordat het leven een leerproces is en jij door de tijd heen veel leert en jezelf ontwikkelt.’ 

Wat is jouw tip voor ons onderwijs?

‘Leraren zijn meer dan alleen kennisoverdragers. Zij zijn onderdeel van de vorming van onze toekomstige professionals. Omdat ze zo veel verschillende studenten kunnen verwachten, moeten ze daar altijd objectief mee om kunnen gaan.’

Wat had jij eerder willen weten?

‘Als je jong bent heb je weinig positieve motivatie voor school. Er is voornamelijk sprake van negatieve motivatie: strafwerk, nablijven of slechte cijfers. Ik had gewild dat ik toen wist waarom we moesten leren wat ons geleerd werd. Dat, als je bijvoorbeeld later van die hoge gebouwen zou willen neerzetten als in New York en in Dubai, je weet dat wiskunde dan superbelangrijk is. Of dat het leren van biologie onmisbaar is als je later arts zou willen worden. Zulke positieve kennis roept op tot inspiratie en motivatie.’


Wat wil de loopbaanbegeleider?

Hoe is de kwaliteit van loopbaanbegeleiding te verbeteren?

Euroguidance deed een onderzoek naar de ervaringen en behoeften van tweedelijns loopbaanadviseurs. Wat leverde dat op?

Loopbaanbegeleiding is een steeds belangrijker thema binnen onderwijs en arbeidsmarkt. De kwaliteit van loopbaanbegeleiding hangt voor een groot deel af van de competenties van loopbaanprofessionals in de organisatie. Als nationaal kennispunt voor loopbaanbegeleiding vanuit de EU stimuleert, versterkt en verdiept Euroguidance onder andere de professionalisering van loopbaanbegeleiding in Nederland. Euroguidance heeft in 2014 een start gemaakt met een verkenning naar opleidingen voor (toekomstige) loopbaanprofessionals. In 2017 verscheen het servicedocument ‘Raamwerk voor loopbaanbegeleiding jongeren’ waarin de taken en deskundigheid beschreven zijn voor de verschillende rollen binnen LOB in het voortgezet onderwijs en mbo. In dit artikel gaan we in op de ervaringen en behoeften van tweedelijns loopbaanbegeleiders als het gaat om die taken en deskundigheid.

‘Loopbaanbegeleiding heeft een flinke flow gemaakt’

Volgens het raamwerk zijn er drie verschillende rollen: mentor/slb’er (eerstelijns); decaan/SLB-coördinator (tweedelijns) en stafmedewerker/manager (derdelijns). De taken en deskundigheid worden in het raamwerk per rol aan de hand van vier categorieën omschreven: oriëntatie en begeleiding, visie en beleid, organiseren en samenwerking. Deze taken en deskundigheid zijn een richtlijn en hebben geen verplicht karakter: het raamwerk is een groeimodel. Voor de ontwikkeling van het raamwerk maakte Euroguidance gebruik van bestaande raamwerken en competentieoverzichten uit Nederland en Europa. Een eerdere verkenning van Euroguidance richtte zich op de rol en competenties van startende docenten als eerstelijns loopbaanbegeleiders. Hieruit bleek dat de respondenten vanuit hun opleiding weinig tot niet zijn toegerust om de rol als mentor/slb’er uit te voeren. Als vervolg richtte deze verkenning zich op de tweedelijns loopbaanbegeleiders in het voortgezet onderwijs en mbo. 

Methode

Voor het onderzoek zijn zeven gesprekken gevoerd met tweedelijns loopbaanbegeleiders. Met behulp van NVS-NVL zijn deze respondenten geworven. Drie respondenten werkten in het voortgezet onderwijs en vier op het mbo. Deze beperkte steekproef geeft voldoende informatie om de antwoorden met elkaar te vergelijken en een beeld te geven van de behoeften en ervaringen van tweedelijns loopbaanbegeleiders.

Ervaringen

Op de vraag wat de respondenten van hun rol als tweedelijns loopbaanbegeleiders vinden, werd door iedereen uitermate positief gereageerd: ‘fantastisch, geweldig, interessant, het mooiste en leukste baantje van de school’. Iedereen benoemde het begeleiden van jongeren als hun belangrijkste taak. En dan met name de specifieke begeleiding: jongeren die vastlopen of een concrete loopbaanvraag hebben. De jongeren staan centraal bij loopbaanbegeleiding. Zij worden begeleid, zodat ze loopbaancompetent worden.

Professionalisering

De tweedelijns loopbaanbegeleiders die al langer in het vak zaten, ervaren de laatste jaren een sterke groei van hun vak: ‘Loopbaanbegeleiding heeft een flinke flow gemaakt, waardoor het nu een stuk professioneler gaat’. Hun rol wordt nu echt als een functie gezien en niet als een taak die ze er even naast doen. Bijna alle respondenten hebben dan ook een relevante vooropleiding gedaan en zijn sterk gemotiveerd om zich te blijven bijscholen. Om goede loopbaanbegeleiding te bewerkstelligen heeft de huidige vorm van loopbaanbegeleiding op de scholen volgens de respondenten nog wel verbetering nodig. Volgens hen is een integrale aanpak nodig. Een omgeving waarin de jongere steeds wordt uitgedaagd om zichzelf te leren kennen, leert te reflecteren op zijn ervaringen en van daaruit vervolgstappen voor de toekomst neemt. Wanneer docenten zich bewust zijn van het belang van zo’n omgeving, kan de omgeving steviger worden ingericht en kunnen jongeren effectiever leren en betere keuzes maken. Om dat te bereiken is het volgens de respondenten belangrijk om beleid te verbeteren: schoolbeleid en nationaal beleid. Met richtlijnen vanuit de overheid en het scheppen van duidelijkheid in school over loopbaanbegeleiding en de verschillende rollen daarbij. Kwaliteitscertificering van tweedelijns loopbaanbegeleiders is hier een voorbeeld van, hier is nu geen standaard voor. Met gerichter beleid is de kwaliteit van loopbaanbegeleiding niet meer afhankelijk van individuele docenten. Een ander genoemd verbeterpunt is het opnemen van loopbaanbegeleiding in de docentenopleiding: ‘loopbaanbegeleiding is immers een vak en niet zomaar een docententaak’.

Taken

Het raamwerk is in deze verkenning gebruikt om na te gaan welke taken de tweedelijns loopbaanbegeleider herkent en uitvoert. Het kan daarbij een bewuste keuze zijn om een taak niet op te pakken. De respondenten herkenden veel uit de categorieën van het raamwerk, voelden zich ook competent voor de uitvoering ervan en waren hier ook op voorbereid door afgeronde opleidingen of cursussen. Vooral over de taakbeschrijving onder de pijler ‘oriëntatie en begeleiding’, het bieden van specifieke hulp aan de jongeren, waren de respondenten gelijkgezind: ze benoemden dit als hun belangrijkste taak. De taken rondom ‘visie en beleid’ zagen de respondenten als belangrijk, maar wel iets wat ze naar zich toe moeten trekken. Deze taken worden vooral opgepakt door respondenten die ook een andere rol binnen het onderwijs hebben, zoals beleidsmedewerker, ambassadeur of lid van een werkgroep. Bij de taken rondom ‘organiseren’ noemden alle respondenten dat ze voor het organiseren van deskundigheidsbevordering meer tijd willen hebben. Meerdere malen werd genoemd dat het management van de school dit veelal tegenhoudt. Vaak komt dit omdat het management geen duidelijk beeld heeft van wat loopbaanbegeleiding inhoudt en de focus op een ander gebied van de school heeft liggen. De respondenten waren tenslotte zeer verdeeld over hun taken omtrent ‘samenwerking’, denk daarbij aan samenwerkingen met externe partners voor stage, instroom of uitstroom. Ze vonden het niet altijd een taak die bij tweedelijns loopbaanbegeleiders moet liggen. Dit hing mede af van de onderwijsinstelling en het onderwijsniveau. Zo wordt op havo-vwo weinig contact onderhouden met stagebedrijven, omdat daar minder stage is. Daarnaast zijn intakes en stagebegeleiding ook verschillend georganiseerd per school, dus niet altijd door loopbaanbegeleiders. 

Conclusie

In tegenstelling tot de startende eerstelijns loopbaanbegeleiders, waarnaar is gekeken in een eerdere verkenning, blijkt uit de resultaten van deze verkenning dat de bevraagde tweedelijns loopbaanbegeleiders goed zijn toegerust om loopbaanbegeleiding te geven en organiseren. De rol en de competenties sluiten grotendeels aan bij het raamwerk. Wanneer dit niet het geval is, komt dit doorgaans door de verschillen tussen onderwijsniveaus of omdat de taak elders binnen de school ligt. De resultaten wijzen er ook op dat de bevraagde tweedelijns loopbaanbegeleiders een duidelijke LOB-visie hebben en dat zij hier ook voldoende richting aan geven binnen hun school. Ze zijn wel kritisch over de huidige vorm van loopbaanbegeleiding. Ze hebben behoeften aan verbeteringen op beleidsniveau, opleidingsniveau en van bewustwording bij docenten. Dit zal de kwaliteit van loopbaanbegeleiding bij hen op school en door heel Nederland ten goede komen.

Meer lezen? Zie: raamwerklob.nl


Voorziening Vroegtijdig Aanmelden mbo

Wat moeten decanen weten over de VVA?

In betrekkelijke stilte maakt het aanmeldproces van het vo naar het mbo en de monitoring van de overstap een ingrijpende verandering door. In dit artikel in een notendop waar dat op neerkomt.

Het aanmelden voor een mbo-opleiding is voortaan centraal geregeld. Leerlingen melden zich voor een mbo-opleiding aan via hun DigiD op een hiervoor ontwikkelde app. Via dezelfde app kunnen zij hun aanmelding volgen, wijzigen of verwijderen. Dit heet het Centraal Aanmelden (CA). Op deze manier zijn leerlingen die zich voor 1 april (dit jaar 1 mei) aanmelden, verzekerd van een plekje op een onderwijsinstelling.

Voor de monitoring van de overstap zijn koppelpunten (gemeente, vo en mbo) ingericht die met elkaar communiceren, de zogenaamde Voorziening Vroegtijdig Aanmelden (VVA). De landelijke monitoring is een logisch gevolg van de Wet vroegtijdig aanmelden en toelatingsrecht tot het mbo, waarmee de status van de aanmelding een juridische grondslag krijgt.

Per september 2020 is het voor het voortgezet onderwijs (vmbo, pro, vso en vavo) verplicht om potentiële mbo-gangers berichten via de VVA (koppelpunt vo) te versturen in het Leerling Administratie Systeem (LAS) van de school. Het koppelpunt voor het voortgezet onderwijs (vmbo, pro, vso en vavo) is per september 2020 operationeel geworden en elke school heeft de oproep ontvangen om deze voor 1 februari gekoppeld te hebben aan het Leerling Administratie Systeem (LAS), zodat de gegevensuitwisseling tot stand komt. 

De mbo-instellingen zijn verplicht om de aanmelding van leerlingen door te geven aan de gemeenten en het voortgezet onderwijs. Zo maakt de VVA het mogelijk om in het LAS de voortgang van het aanmeldproces te monitoren. 

Maar, wat betekent dit voor de decanen in de uitvoering van hun werk?

Vragen

De NVS-NVL organiseerde onlangs hierover een overleg met daarin betrokken partners, zoals de vo-raad, MBO Raad, OCW, Kennisnet en een aantal decanen, schoolleiders en vsv-coördinatoren. Als decaan, vsv-coördinator en kringvoorzitter, mocht ik hierin participeren. Tijdens het gesprek constateerden we onder andere het volgende:

• Er waren op dat moment nog weinig v(s)o-scholen die hun LAS hadden ingericht op het koppelpunt vo.

• In principe is de VVA een administratieve voorziening die eerder een taak is voor bijvoorbeeld een leerlingadministratie. Wat moet en kan een decaan ermee?

• Gaat dit een vervanger worden voor monitoring systemen zoals Intergrip? Wat betekent dit voor de begeleiding van de leerling als deze alleen nog beperkt gemonitord kan worden in het LAS?

• Wat is nog het nut en noodzaak van een Digitaal Doorstroomdossier? Hoe borgen we de overdracht van kwetsbare leerling wanneer deze geen of beperkte plek krijgt in een aanmeldproces?

• Het koppelpunt voorziet niet in eenregionale sturing op vsv.

• Wat te doen met havo-leerlingen, zakkers en tussentijdse uitstromers die niet gemonitord worden in het systeem?

Dubbel werk?

Voor decanen is het heel fijn om via één systeem, bijvoorbeeld Intergrip, de opleidingskeuze van de leerling en de status daarvan te kunnen volgen. Hiermee is zichtbaar welke leerlingen zich nog moeten aanmelden voor 1 april. 

Het aansturen van mentoren, ouders en uiteraard de leerling zelf is daarbij belangrijk. Decanen krijgen het gevoel dat er met de VVA een dubbel monitoringsysteem ontstaat. Voor het mbo is deze wet leidend en zij zal zich minder met Intergrip bezig houden, terwijl het vo met deze voorziening niet meer de hele groep overstappers in beeld heeft zoals zij gewend waren. Bijvoorbeeld een havo leerling die zich aan gaat melden op het mbo, wordt door de decaan handmatig toegevoegd in Intergrip, maar wordt niet gemonitord in de VVA. Krijgen de vo-scholen een melding over leerlingen die zich nog niet hebben aangemeld? Kan het vo zien voor welke opleiding en welk niveau de leerling is aangemeld? Veroorzaakt de VVA dubbel werk, lijkt het overzicht te verdwijnen? 

Op de agenda

Als vsv-coördinator zie ik deze vragen ook in onze regio. Diverse mbo’s onderzoeken hoe zij hun aanmeldproces inrichten op het CA en de VVA en zijn zoekende hoe het doorstroomdossier daarin een plek gaat krijgen (of niet?) en hoe de warme overdracht van kwetsbare overstappers plaatsvindt. Hoewel dit ondersteunende processen zijn van de aanmelding en toelating, valt het mij op dat er nog weinig afstemming plaatsvindt tussen vo en mbo en partijen onvoldoende noodzaak lijken te voelen om hierin samen op te trekken. Daarnaast is het belang van eenduidige regionale afstemming op de monitoring van vsv essentieel om zicht te houden op vsv en de overstap van kwetsbare overstappers. Deze twee constateringen moeten een aanmoediging zijn om met elkaar in gesprek te gaan hoe zo optimaal mogelijk gebruik kan worden gemaakt van beide tools. Ik wil met dit artikel decanen en decanenkringen oproepen dit punt hoog op de agenda te zetten om te komen tot regionale afstemming tussen het vo en het mbo, met een duidelijke agenda op vsv, de waarborg van de warme overdracht van kwetsbare overstappers en een visie op een overdrachtsdossier in de vorm van een DDD of bijvoorbeeld een loopbaandossier. Hoe mooi is het als we door gezamenlijk op te trekken iedere leerling kunnen begeleiden naar de juiste plek?

Simone Slagboom

Simone Slagboom is al jarenlang decaan van een vmbo-school in Eindhoven. Daarnaast is zij kringvoorzitter van de vmbo-decanen in de regio Eindhoven en sinds twee jaar werkzaam als doorstroomcoördinator vsv, waarbij zij alle vo-leerlingen monitort in de overstap naar het mbo. In de regio Eindhoven is zij betrokken bij Naardejuisteplek.nl, een website die als vindplaats fungeert om alle partijen die betrokken zijn bij de overstap van een jongere, aan elkaar te verbinden. 

Simone is lid van de ledenraad van de NVS-NVL en daarnaast verzorgt ze af en toe trainingen en workshops

Relatie met LOB?

‘Waar kan ik vinden hoe het met mijn aanmelding staat?’ Elke decaan zal deze vraag met enige regelmaat krijgen. Leerlingen vergeten soms op hun e-mail te kijken of ze al een bericht hebben gekregen van het mbo. Met de app kunnen ze straks eenvoudig hun aanmelding doen, volgen of ook weer verwijderen. Toch hoop ik dat leerlingen net zo vaak mijn kantoor blijven binnenlopen met deze vraag. Het is altijd een aanknopingspunt om over hun keuze te praten. Hoe zeker ben je van je keuze? Hoe heb je je georiënteerd? Dicht op het aanmeldproces zitten van de leerling zie ik als een belangrijk onderdeel van het LOB-proces. Ik ben dan ook benieuwd hoe decanen de huidige ontwikkelingen zien in relatie tot LOB. Reageren kan via een bericht naar de redactie.

Meer informatie over de VVA, zie: support.kennisnet.org/display/FAQ/VVA en nvs-nvl.nl/publicaties/nieuws/voorziening-vroegtijdig-aanmelden-vva


Leren van collega’s

Tijdens de vervolgcursus decanaat

Waarom meldde je je aan voor de tweedaagse vervolgcursus decanaat? En hoe beviel je dat? Daarover, en over hoe het is om decaan of LOB-coördinator te zijn, vertellen twee deelnemers van verschillende scholen.

Teunis Jan Visser is sinds anderhalf jaar decaan havo bij Visser ’t Hoofd Lyceum in Leiden. Voor hij de overstap maakte naar het onderwijs, werkte hij bij een milieuorganisatie, de overheid en het opbouwwerk. Na tien jaar wilde hij wat anders en hij solliciteerde bij het onderwijs voor invalwerk als docent. Visser: ‘In het gesprek kwam mijn onderwijservaring ter sprake. Dat was voorleesvader op de basisschool. Ik werd aangenomen.’ Hij begon voor drie maanden als docent wiskunde. Hij had scheikunde gestudeerd en behaalde daarmee zijn eerste graad bevoegdheid. Na twintig jaar docentschap wilde hij nog eens een switch, leuk om nog een keer wat anders te doen. Dat werd het decanaat. Het bevalt hem. Visser houdt vooral van de motiverende kant van het werk. ‘Het leukst vind ik om met leerlingen, en soms de ouders erbij, te praten als ze niet weten hoe ze verder moeten met kiezen. En ze dan aan het werk zetten, te motiveren om in actie te komen, zelf verder te gaan en zien dat ze dan tevreden zijn. De administratieve kant vind ik het minst. Heel precies de gekozen vakkenpakketten invoeren bijvoorbeeld, en de veranderingen die er daarna zijn. Dat moet allemaal wel heel zorgvuldig.’

Draagvlak vergroten

Visser meldde zich na de basiscursus decanaat aan voor de vervolgcursus. ‘Een reden was dat bij ons op school LOB niet zo’n flink draagvlak heeft. Ik ben de tweede lijn, dus ben je voor de uitvoering afhankelijk van je collega’s, de mentoren. Het is best lastig om ze voor LOB te motiveren. ‘Hoe kan ik het draagvlak vergroten?’ is dus mijn vraag. Een tweede reden is het feit dat ik als decaan een beginneling ben. Ik wil heel graag de ervaringen van anderen horen. In de praktijk heb ik ook wat aan de ervaren collega’s van onze decanenkring die twee keer per jaar bij elkaar komt. Een mooi praktijkvoorbeeld hoorde ik laatst ook van de Hogeschool Utrecht. De leerlingen komen daar binnen met een LOB-CV, gemaakt op hun reguliere school. Daar gaan ze tijdens hun hbo-opleiding mee verder. Zo’n doorlopende lijn zou ook wat voor hier zijn. Een goed instrument voor de komende tijd.’ Visser noemt nog een kleine derde reden: ‘Het is met dit werk moeilijk om je persoonlijke kwaliteiten te meten. Dat kan als docent wat meer, bijvoorbeeld door naar je eindexamenresultaten te kijken. Tip tijdens de cursus was om in de Vensters voor Verantwoording vragen op te nemen over het onderwerp LOB op school en dat door verschillende partijen laten invullen. Als duidelijk is dat er wat mee moet, dan is het een verantwoordelijkheid voor de hele school en moet iedereen er wat mee.’

‘Hoe doe jij dat?’

Vooral het kijkje in de keuken van anderen vindt Visser dus belangrijk tijdens de cursus. Visser: ‘De ervaringen van anderen dragen bij aan mijn kennisontwikkeling. De tweede cursusdag was online. Vier uur achter een scherm zitten is wel vermoeiend. Maar, tot het eind bleef je geconcentreerd bezig, het bleef boeien. We deden tijdens de cursus opdrachten in wisselende groepjes. Steeds komt daar de vraag ‘Hoe doe jij dat nou? ‘ aan te pas. Dat is voor mij het belangrijkste aspect van de cursus.’ Visser vertelt over het verbreden van draagvlak voor LOB. ‘Zet bijvoorbeeld een ouderklankbordgroep op. Daarin vraag je ouders om mee te denken over LOB-activiteiten voor hun jongeren. Een mooie tip vond ik ook die voor het onderwerp ‘draagvlak bij mentoren (‘Nou dat weer, we hebben het al zo druk!’)’. Dat ging over het uitwisselen van goede ervaringen. Bespreek met de groep mentoren wat zij zoal doen aan keuzebegeleiding. Je hebt mentoren die dat al tien jaar zijn en in van alles op dat vlak ervaring hebben. Zo krijgen ze niet het gevoel weer wat extra’s te moeten, wel dat er in de praktijk al heel veel is. En dat is ook zo.’ Wat kan in de cursus beter? ‘Ik heb in geen jaren meer een cursus gedaan, geen behoefte aan’, zegt Visser. ‘Ik was zeer tevreden. En ik bén kritisch.’

Lydia de Winter is nu ongeveer vier jaar LOB-coördinator bij vmbo C.T. Stork College in Hengelo. Ze begon in een projectgroep LOB op een kleine locatie. Inmiddels is de school samengegaan met andere scholen. In de nieuwe grote scholengemeenschap is al veel gebeurd op het gebied van LOB. Er ligt een programma voor een doorlopende leerlijn LOB vanaf klas één tot en met vier en een zelfgemaakte methode: het Stork Loopbaan Kompas. De Winter: ‘We hadden een digitale methode, dat beviel niet. Leerlingen zaten te veel alleen achter een computer werkjes in te vullen, zonder echt over zichzelf na te denken en ze raakten het overzicht kwijt. We werken nu met een boekje in de klas onder begeleiding van de mentor als coach. De LOB-activiteiten zelf voeren de leerlingen zoveel mogelijk uit buiten de school.’ 

Liever het vmbo

De Winter vertelt over haar keuze om LOB-coördinator te worden: ‘Aandacht voor nadenken over jezelf en begeleiding bij kiezen mistte ik zelf als leerling. Bovendien komt bij dit werk mijn achtergrond als secretaresse goed van pas: allerlei activiteiten organiseren en coördineren. Dat je zelf ook docent bent is een voordeel, je weet wat er speelt.’ Toen ze als secretaresse bij een business school werkte, raakte ze geïnspireerd door de aandacht voor persoonlijke ontwikkeling op die school. Ze merkte een behoefte aan meer zinvol bezig zijn, iets van betekenis voor de maatschappij. Op haar vijfendertigste ging ze naar de pabo. Ze ontdekte tijdens een vmbo-stage dat ze het werken met pubers leuker vond dan met basisschoolleerlingen. Ze besloot op het vmbo te blijven en haalde op haar eenenveertigste haar onderwijsbevoegdheid Nederlands. ‘Ik ga vooral graag in gesprek met de jongeren. LOB-coördinator worden was voor mij een logische volgende stap gezien mijn belangstelling en ervaring.’ 

Voor het eerst coach

De cursus vindt ze vooral zinvol vanwege de ervaringen en tips die je van andere scholen en de cursusbegeleiders meekrijgt. ‘LOB is flink in ontwikkeling, anderen horen vertellen over hoe zij het doen is waardevol. Je hoeft ook niet zelf het wiel uit te vinden. Allerlei onderwerpen komen langs: een doorlopende leerlijn opzetten, hoe zorg je voor borging, hoe motiveer je mentoren.’ De Winter vertelt dat zij nu op school pas met de zelfgemaakte methode werken. ‘De meeste mentoren stappen voor het eerst in de rol van coach, dat kan niet iedereen zomaar. Het is belangrijk om collega’s hierbij te begeleiden. Wat leerlingen vooral lastig vinden is reflecteren op wat ze hebben gedaan, bijvoorbeeld na een bedrijfsbezoek je afvragen wat dat voor jou heeft betekend. Dus begeleiden we mentoren bij het voeren van een reflectiegesprek en hoe je een leerling stimuleert zelf initiatief te nemen en vanuit persoonlijke motivatie aan de slag te gaan.’ 

Docent gestuurd

‘We sturen nog zelf veel. Beter is om te werken vanuit de vraag van de leerlingen en de ouders’, merkt De Winter op. ‘De ideeën van andere collega’s en de ervaringen op andere scholen helpen je hierbij verder. Bijvoorbeeld keuzes voor opdrachten en activiteiten samen met de ouders en leerlingen doen, zo stem je af waar zij zelf behoefte aan hebben. Het onderwijs is vanuit traditie docent gestuurd en moet voldoen aan wetgeving. Juist bij LOB moet je van de leerling en z’n ouders uitgaan, dat is een soort tegenstelling in het onderwijs. Maar het kan wel. Door de vragen die er zijn bij ze neer te leggen en uit te gaan van wat zij belangrijk vinden. Dan ontstaat er ook meer motivatie bij de leerling om met zichzelf aan de slag te gaan.’

De Winter had tijdens de cursus graag wat meer aandacht gehad voor het uitdiepen van een doorlopende LOB-lijn vanuit het basisonderwijs naar het vmbo en van het vmbo naar het mbo. ‘Maar, de tijd is te kort om overal op in te gaan. We hebben als groep met elkaar afgesproken om in het voorjaar bij elkaar te komen. Je zit na die twee dagen zo boordevol ideeën, dat je daar behoefte aan hebt. Benieuwd naar hoe iedereen verder is gegaan in z’n eigen proces.’


Wat had je willen weten voordat...

Medewerkers RSG Pantarijn kijken terug op hun loopbaan

Wat had je willen weten voordat je aan deze functie begon? Redacteur Marjolein van Breda-Souman stelde deze vraag aan een aantal collega’s van vmbo Pantarijn in Wageningen.

Kregen wij vroeger niet allemaal de vraag gesteld: ‘Wat wil je later worden als je groot bent?’ Als ik dan zei dat ik zuster wilde worden vroeg nooit iemand: ‘Waarom’ of  ‘Wat weet je daar al van?’ Ik betrap mezelf erop dat ik het nu ook regelmatig aan leerlingen vraag. De ene leerling heeft daar meteen een overtuigend antwoord op, de ander is nog aan het twijfelen. Als ik doorvraag naar het waarom en wat weet je nu al van dat beroep, dan krijg ik vaak dezelfde antwoorden: ‘Lijkt me wel leuk’ of ‘Daar kan ik veel geld mee verdienen’. Als ik terugkijk naar mijn eigen beroepskeuze en de switch die ik gemaakt heb (van gezondheidszorg naar onderwijs), had ik graag meer willen weten over wat het beroep inhield.  Voor mijn werk als zorgcoördinator op een vmbo-school geldt, dat ik meer had willen weten van de doelgroep, meer kennis had willen hebben over oplossingsgericht werken of motiverende gespreksvoering. De vraag ‘Wat had je willen weten voordat je aan deze functie begon?’ heb ik uitgezet bij collega’s van verschillende disciplines op onze school. Nieuwsgierig naar hun antwoorden. Ik stel deze vraag ook graag aan jou: ‘Wat had jij willen weten?’

Maud Hansen

Sinds dit schooljaar is Hansen zorgcoördinator op de mavo-havo-vwo locatie van het Pantarijn.Hiervoor was Hansen mentor en begeleider passend onderwijs op het sbo, vo en het praktijkonderwijs.

‘Wat ik had willen weten: het zitvlees dat ik nodig heb, het is een zittend beroep. Daarnaast zie ik nu, doordat ik geen les geef op deze school, nauwelijks leerlingen. Wat had me dat opgeleverd? Een nog betere afweging, je weet dan nog beter waar je voor kiest.’

Ingrid van Kleef

Van Kleef werkt sinds september 2016 als managementassistent op het vmbo Zij verzorgt o.a. de leerlingadministratie en is applicatie-beheerder. Voor deze functie werkte Van Kleef als secretaresse van het College van Bestuur bij ROC Rivor in Tiel. ‘Wat had ik willen weten? Eigenlijk ben ik geen onverwachte dingen tegengekomen, het enige dat ik me kan bedenken is dat alle afspraken die mondeling worden gemaakt bij de sollicitatieprocedure ook schriftelijk worden vastgelegd.

Hiermee had een ellenlange discussie over  wel of niet toegezegd voorkomen kunnen worden. Uiteindelijk is het wel netjes opgelost, maar kostte veel tijd en energie.’

Otto van Noort

Van Noort is zorgcoördinator. ‘Ik ben opgeleid als docent LO en ruim tien jaar geleden in deze functie ‘geduwd’. Vanuit de opleiding LO was er weinig tot geen aandacht geweest voor kinderen in het autisme-spectrum.Ook geen aandacht voor verschillende gesprekstechnieken. Zo vanuit de gymzaal, samen met je nieuwe collega, uitzoeken hoe de hulpverlening in Nederland in elkaar zit, is ook een sudoku, kan ik je vertellen! De afgelopen tien jaar vele workshops gevolgd op verschillende gebieden. Verder veel sparren met mijn collega zorgco en zo vanuit de praktijk ons veel dingen eigen gemaakt. Nu zijn we zeer trots op de zorgstructuur op onze locatie!’

Harry

Harry is ruim veertien jaar werkzaam als pedagogisch medewerker. Daarvoor was hij een half jaar conciërge op dezelfde school. ‘Ik had willen weten wat ik nu weet. Dat het vrijwel altijd beter is mezelf te blijven in plaats van proberen te voldoen aan verwachtingen waarvan ik zelf heb aangenomen dat anderen die van mij hebben. Dat docenten ook maar heel gewone mensen zijn en niet de bollebozen waar ik met mijn ternauwernood behaalde havo-diploma tegenop moet kijken. Dit had mij meer rust en zelfvertrouwen opgeleverd: twee ingrediënten die toch best belangrijk zijn om je werkgoed te kunnen doen.’

Leanne Kroes

Ruim zeven jaar is Kroes werkzaam als orthopedagoog en voor het tweede jaar bij Pantarijn. Voordat zij bij Pantarijn ging werken, werkte ze als orthopedagoog bij een expertise centrum voor onderwijs en zorg op Bonaire. Hier voerde zij veel psychodiagnostisch onderzoek uit en was zij verantwoordelijk voor de leerlingenzorg op drie scholen.

‘Ik had willen weten dat geen dag hetzelfde is (and I love it!) en je er niet vanuit hoeft te gaan dat je met een vaste planning kan werken, want de dagen lopen regelmatig anders dan je van te voren denkt. In het begin is het even schakelen, maar daarna is het heel prettig werken omdat je daardoor steeds beter leert om prioriteiten te stellen en je de ruimte kan maken om leerlingen in het moment te helpen, als het echt niet goed met ze gaat.

Verder is het wel een lastige vraag want het werk van een orthopedagoog is meestal wel vrij duidelijk. Maar voor startende orthopedagogen is het denk ik wel heel goed om te weten dat je een brede kennis en vaardigheden op het gebied van zowel gedrag als leerproblemen nodig hebt en zelf ook sterk in je schoenen moet staan omdat er veel wisselende, en ook heftige problematieken voorkomen. Wat heeft me dat opgeleverd? Perfectionisme iets eerder loslaten. En de werkzaamheden zijn zo divers dat overzicht houden belangrijk is.’

Jacq Top

Top is sinds 2006 teamleider. Voor deze functie volgde hij een opleiding aan het Seminarium voor Orthopedagogiek, onderdeel van Hogeschool Utrecht. Dit is een Masteropleiding tot Schoolleider waarbij integraal centraal heeft gestaan.

‘Het gaat vooral om leren systeemdenken. Het een kan niet zonder een ander. Alle radartjes werken op elkaar in. Een mooie studie! Ik werkte op een vmbo-school in Arnhem als docent. Teamvergaderingen, schoolontwikkelingen, onderwijsvernieuwing. Ik wilde hier meer van weten. Hoe maak je samen de school beter? In deze tijd merkte ik dat ik steeds nieuwsgierig werd naar hoe de school als organisatie werkt.Dit was voor mij de opstap naar de studie tot schoolleider. Dat leverde me veel mooie ervaringen op en nieuwe inzichten met medestudenten met gelijkwaardige ambities om schoolleider te zijn. Het samenwerken aan projecten, het sparren vanuit je eigen schoolpraktijk. Mooiste ervaring was een studiereis naar Zweden. Daar hebben we onderzoek gedaan naar het Zweedse schoolsysteem. Het bezoeken van andere scholen en culturen was een enorme verrijking van mijn bagage. Het is voor iedereen aan te raden om andere scholen te bezoeken, eventueel in het buitenland. Je merkt dan dat je horizon aanmerkelijk wordt verbreed.’

Sven Joseva

Joseva Is ruim vier jaar conciërge op het vmbo. Voordat hij hier kwam was hij een paar jaar werkzaam als sportinstructeur in het leger en daarna veertien jaar gymdocent.

‘Ik had niet iets specifieks willen weten voordat ik deze baan aanging. Het was voor mij wel duidelijk wat de functie inhield. Daarnaast is het een kwestie om de functie die je bekleedt je eigen te maken.’

Charlotte Vreeman

Vreeman is nu anderhalf jaar mentor. Ze stroomde halverwege een schooljaar in als tweede mentor van de groep. ‘Hierdoor had ik nooit helemaal het volledige ‘mentor’-gevoel en kon ik niet alles op mijn eigen manier doen. Nu heb ik sinds afgelopen schooljaar mijn eigen klas, en voel ik mij een echte mentor! Deze klas is van mij. Hiervoor heb ik de bachelor docent Beeldende Kunst & Vormgeving op de kunstacademie in Arnhem gevolgd. Tijdens de opleiding was ik de passie om docent te worden een beetje kwijt-geraakt omdat het binnen de opleiding niet het grootste onderdeel was waar ik mee bezig was. Het was vooral veel werk maken. Ik begon met het werken in een kunstgalerie. Daarna kreeg ik een baan aangeboden om tekenlessen te geven. Het draaide hier vooral om het kind zelf en het vak stond op de tweede plek. Ik werd in het diepe gegooid. De vergaderingen, leerling-bespreking, regie in eigen handen hebben, lessen ontwikkelen en het zien van ontwikkeling bij de leerlingen vond ik echt te gek. Zo anders dan tijdens stages. Hier heb ik zo veel geleerd, en wist ik eigenlijk meteen dat dit het werk is wat ik echt heel graag doe.’

Wat had je willen weten voordat je mentor werd? ‘Eigenlijk niets. Wat ik wel lastig vind, is dat er geen vaste planning is met wat er binnen een jaar ‘gedaan’ moet worden binnen het mentoraat. Soms vallen dingen een beetje uit de lucht voor mijn gevoel. Voor anderen die langer mentor zijn, zijn dit logische dingen. Ik pak het meestal wel op, en ik ontdek veel, hierdoor leer ik denk ik ook snel en meer. Ik voel mij soms een pionier. Van te voren had ik wat meer inzicht willen hebben in mijn taak als mentor. Ik zou het soms wel fijn vinden om even te checken of ik het goed doe, aan de hand van een takenlijst bijvoorbeeld. Wat wordt er eigenlijk van mij verwacht? Maar dat zijn veelal zakelijke dingen. Ik vind het veel leuker en belangrijker om spellen en activiteiten te doen, en aandacht te besteden aan de persoonlijke gesprekken en begeleiding.’


(Ont)bindend studieadvies

Corona wakkert discussie over bindend studieadvies aan

Hogescholen, universiteiten en mbo’s zien dit schooljaar in verband met de corona af van een bindend studieadvies (BSA). Werkt dit in het voordeel of juist in het nadeel van de student?

Het bindend studieadvies (BSA) is een decennium geleden ingevoerd als onderdeel van een breder pakket om het studiesucces van studenten te bevorderen. Daarmee wilden de politiek en het hoger onderwijs de hoge uitval in het bacheloronderwijs terugdringen, de gemiddelde studieduur verkorten en studenten helpen om zo snel mogelijk op de bij hen passende opleiding terecht te komen. Het BSA voor het mbo is in 2018 in werking getreden.

Wat is BSA? 

Het BSA houdt in dat studenten na het eerste jaar moeten stoppen met hun opleiding als zij niet genoeg studiepunten behalen. Het is een beslissing van de universiteit, hogeschool of het mbo over de voortgang van de opleiding. Elke student krijgt een studieadvies aan het einde van het eerste studiejaar. Het advies kan negatief zijn. Je moet dan stoppen met de opleiding. Dit is dus het geval als je niet genoeg studiepunten hebt en er voor jou geen bijzondere omstandigheden gelden. Die bijzondere omstandigheden kunnen van persoonlijke aard zijn zoals ziekte, zwangerschap, functiestoornissen of familieomstandigheden. 

Hogescholen, universiteiten en mbo’s geven hun eerstejaars studenten dit schooljaar geen bindend studieadvies. Vanwege de coronamaatregelen is besloten dat studenten een extra jaar krijgen om aan de opleidingseisen te voldoen. De reden van het opschorten van het BSA is dat studenten door het onverwachts stopzetten van fysieke lessen en andere coronamaatregelen studievertraging opliepen. 

Impact corona op het BSA

Op de hogescholen wordt het BSA geschrapt omdat studenten daar vaker studievertraging oplopen doordat het bijvoorbeeld niet lukt om tijdens de coronacrisis een stage te vinden. Door het BSA dit schooljaar te schrappen, wil men voorkomen dat studenten uitvallen door deze crisis. Hogescholen geven de mogelijkheid de BSA-norm te halen in het volgend studiejaar. Daarnaast zullen hogescholen zich inzetten om studenten zo goed mogelijk te begeleiden en adviseren, wanneer de studie toch niet passend blijkt.

Ook mbo’s moeten bij het afgeven van het BSA rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van de student. Als een student onvoldoende studievoortgang heeft geboekt vanwege de coronamaatregelen en daardoor niet alle resultaten heeft kunnen behalen, gaat het BSA vervallen voor een student. 

‘Gras gaat niet harder groeien als je eraan trekt’

De universiteiten bleven in de beslissing eerst achter. Zij vonden in eerste instantie een coulanceregeling niet nodig omdat de lessen online doorgingen en er minder stages worden gelopen bij academische studies. De Vereniging van Universiteiten (VSNU) heeft recent aangegeven dat de verlengde lockdown de situatie veranderd heeft. Het studieniveau is op peil gebleven, maar het welzijn van de studenten staat onder druk. De universiteiten blijven zich wel maximaal inspannen om studenten te helpen bij de problemen die ze nu ondervinden als gevolg van de coronacrisis. 

Gevolgen

Studenten zullen de vakken die ze dit jaar hebben gemist, volgend jaar moeten inhalen. Het gevolg hiervan zou kunnen zijn dat studenten alsnog vastlopen in hun studie en dat het uitvalpercentage alsnog gaat stijgen. 

Studenten kunnen in de modus gaan zitten dat het wel goed komt en dat het makkelijk is dat je twee jaar over je propedeuse kan doen. De druk en de stress om een aantal studiepunten in het eerste jaar te halen verdwijnt. Echter, deze druk zal wellicht in het tweede jaar weer toe kunnen nemen. Met andere woorden, de studiedruk en -last wordt verschoven.

Een deel van de studenten op een hbo of mbo zou het liefst wel een BSA willen. Deze jongeren willen graag de stages ervaren en dat op hun propedeuselijst afgevinkt zien. Helaas gaat het stagelopen in veel gevallen niet. Studenten weten dat ze die stage in het volgende jaar of de volgende jaren moeten inhalen. Naast alle theoretische vakken neemt de druk in het tweede jaar dan weer toe. Daarnaast ervaren veel studenten dat het studieritme wordt verstoord en de motivatie voor de opleiding verdwijnt als veel lessen niet door kunnen gaan. 

BSA kan een stok achter de deur zijn om je studie af te maken en een objectief advies te krijgen of de studie wel of niet bij je past en of de kans op het behalen van een diploma realistisch is. In deze coronatijd zou het afschaffen van een BSA een tijdelijke oplossing kunnen zijn. Uit onderzoeken bij de Erasmus Universiteit blijkt dat door het behouden van het BSA de uitval sterk verminderd is (23%) en dat studenten minder lang over hun studie doen (9%). Ook de doorverwijzing naar andere passende studies is verbeterd. Bovendien zijn studenten beter voorbereid op de vakken in het tweede jaar. De basis is dan stevig genoeg om door te pakken. 

Door het schrappen van het BSA krijgen studenten weer ruimte om zich in hun eigen tempo te ontwikkelen. Studentenorganisaties pleiten al jaren voor afschaffing van het BSA. Lector Ellen Klatter, werkzaam aan de Hogeschool Rotterdam, legt in Trouw (14 november 2020) uit: ‘Universiteiten en hogescholen moesten voortaan hun best doen om studenten binnen vier jaar te laten afstuderen. En daar zit precies het probleem.’ Zij onderzocht de relatie tussen studiesucces en het BSA en bracht daarover advies uit aan haar hogeschool. Klatter: ‘In wiens belang moet er sneller worden afgestudeerd? Dat van de instelling, niet de student. Gras gaat niet harder groeien als je eraan trekt. Wel als je het van de juiste voeding voorziet.’

Ook neuropsycholoog Jelle Jolles (Trouw, 14 november 2020) pleit voor afschaffing van het BSA: ‘Het is niet meer van deze tijd. Dertig jaar terug, ook met de invoering van het bindend advies, lag de nadruk vooral op het cognitieve aspect van studeren. Maar nu zien we dat de sociale en emotionele componenten net zo belangrijk zijn voor de ontwikkeling van studenten. Een boom die traag groeit, kan alsnog de hoogste boom worden; daarvoor zegt het BSA eigenlijk niks.’

De Tweede Kamer wil dat onderwijsminister Ingrid van Engelshoven aan de slag gaat met het afschaffen van het BSA. De ingediende motie heeft de strekking dat het studieadvies adviserend van aard moet zijn en niet verplichtend. Er is in de Tweede Kamer in ieder geval een breed draagvlak om de discussie aan te gaan.