Aan de bak met een bezem, veger en blik

Hoe je als school een rol kan spelen in arbeidsparticipatie

De Schoonmaak Coöperatie is een leerwerkbedrijf dat ontstaan is uit een samenwerking tussen drie sociale werkvoorzieningsbedrijven. Hun missie is om als regionaal opererend leerwerkbedrijf optimale arbeidsparticipatie en ontwikkelingsmogelijkheden te bieden voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Dat doet het bedrijf met werk in de schoonmaak, bijvoorbeeld op het Beatrix College in Tilburg.

WSD, Weener XL en de Diamant-groep brachten samen de Schoonmaak Coöperatie tot stand. Amber van Druenen is hier de rayonleider. Van Druenen: ‘Met een gedreven instelling en hart voor hun werk zorgen onze medewerkers voor een hoog-waardig schoonmaakresultaat. Door het schoonmaakwerk op hun locatie kunnen onze medewerkers zich ontwikkelen en mogelijk een stap in hun carrière zetten.’ De Schoonmaak Coöperatie stuurt al haar medewerkers zelf aan. Op grotere locaties gebeurt dat door een groepsbegeleider en op kleinere locaties werken de medewerkers zelfstandig. Zij worden wel met grote regelmaat bezocht, begeleid en gecontroleerd door hun rayonleider. In het Beatrix College in Tilburg, waar een grote groep schoonmakers werkt en wat volgens Van Druenen een grote locatie is, is er ook een groepsbegeleider. 

Commerciële uitdaging

Van Druenen werkt drie jaar als rayonleider. Ze is 28 jaar en heeft de opleiding Maatschappelijk werker en Dienstverlener gevolgd. Zij miste het stukje commerciële uitdaging in haar werk. Dat is de reden dat ze hier nu op haar plek zit. Daarnaast is de doelgroep waar zij mee werkt voor het maatschappelijk belang, en dat is een prachtige combinatie in haar werk. De Schoonmaak Coöperatie is een uitvoerende partij van onder andere de Diamant-groep. Van Druenen: ‘Scholen worden lid en dat zorgt snel voor naamsbekendheid van onze coöperatie. Veel scholenstichtingen hebben meerdere scholen onder hun dak. Als we bij de een binnen zijn, dan volgen de andere scholen in de stichting ook.’ 

‘De leerlingen respecteren de schoonmakers’

Binnen het Beatrix College ervaren de onderwijsmedewerkers de schoonmaakploeg als plezierig. Van Druenen: ‘Vooral met een groot aantal medewerkers is er tijd voor een praatje, is het contact goed en is er zelfs aandacht als iemand van de ploeg met pensioen gaat of vertrekt naar een andere locatie.’ Van Druenen geeft aan dat ook bij nieuwe klanten, dus nieuwe panden, de reacties positief zijn. ‘We werken voornamelijk in overheidspanden, niet in de avonduren, maar overdag. Dat vraagt soms wat aanpassingen, maar die aanpassing is er snel.’

Participatiewet

De schoonmakers vallen onder de Participatiewet of onder de Wet sociale werkvoorziening. De Participatiewet zegt dat iedereen die kan werken maar het op de arbeidsmarkt zonder ondersteuning niet redt, onder deze wet valt. Deze wet moet ervoor zorgen dat meer mensen werk vinden, ook mensen met een arbeidsbeperking. De Participatiewet is in de plaats gekomen van de wet Werk en Bijstand, voor mensen in de sociale werkvoorziening (WsW’er) en een groot deel van de Wajong. Wie op 31 december 2014 WsW’er was, behoudt zijn/haar baan en salaris. Wie op 1 januari 2015 in dienst kwam gelden andere uitkeringen. Dat kan ook een arbeidsongeschiktheidsuitkering zijn. Van Druenen: ‘De Participatiewet biedt mogelijkheden tot ontwikkeling en doorstroom van het personeel. Dat is een groot voordeel. Hoewel we sommige medewerkers juist niet laten doorstromen omdat ze dat niet kunnen of omdat ze het niet willen. Als ze kunnen, moeten ze eigenlijk altijd doorstromen naar regulier werk. Soms levert verandering juist stress op bij medewerkers, anderen zien het weer als een uitdaging om op een andere plek te gaan werken.’

Omgaan met pubers 

Het is mooi  om het personeel van de Schoonmaak Coöperatie tussen de pubers aan de slag te zien. Van Druenen: ‘De leerlingen respecteren de schoonmakers. We zien juist een verbondenheid omdat leerlingen na de pauze ook zelf aan de bak moeten met een bezem en veger en blik. Heel af en toe maken leerlingen opzettelijk rotzooi of laten ze troep achter als het net is schoongemaakt. Dat trekken de medewerkers van de schoonmaakploeg zich persoonlijk aan, terwijl ik probeer duidelijk te maken dat het niet tegen hen is maar een soort van kat en muis spel. Ik maak hen duidelijk dat het pubers zijn, die weleens wat uithalen. De teamleiders van de leerlingen zetten er overigens wel meteen actie op. Heel fijn dat die samenwerking er is.’ Het leukste in het werk ziet Van Druenen in de combinatie van het werk. De ontwikkelingen bij medewerkers en de veilige plek die het Beatrix College ze biedt. Van Druenen: ‘De uitdaging zit hem in nieuwe trajecten die in het begin moeizaam gaan en die na verloop van tijd slagen. Nieuwe medewerkers moeten even een plekje vinden, maar voelen zich snel veilig. Ze krijgen snel binding met de pubers en het
onderwijspersoneel.’ 

Maatschappelijk belang

Als scholen of andere overheidsgebouwen nog niet de stap hebben genomen om de medewerkers van dit leerwerkbedrijf in te zetten, heeft Van Druenen de volgende boodschap: ‘Het is zo ontzettend nuttig om deze mensen in de maatschappij op te nemen. Het integreren als belang van het maatschappelijk ondernemen. Het is een leerstuk voor ons allemaal.’ Zo ziet Van Druenen ook veel voorbij komen wat de medewerkers van het leerwerkbedrijf gelukkig maakt. ‘We hebben een medewerker die altijd opgewekt is, iedereen groet. Ze is enorm trots op de waardering die ze krijgt. Het wordt binnen de school zo normaal dat ze op de afdeling is. Het is een stukje puurheid wat in haar zit, wat het zo mooi maakt voor leerlingen en onderwijspersoneel. Ze schrijft kaartjes voor mensen die jarig zijn, breit of haakt van alles en geeft dat cadeau. Het betekent ook dat dit alleen kan als ons personeel zich veilig voelt in een omgeving die veiligheid biedt.’

‘Het is een leerstuk voor ons allemaal’

Amber van Druenen

Trots

De medewerkers van de Schoonmaak Coöperatie zijn er trots op dat ze een baan hebben en dat ze hun eigen geld verdienen. Ze voelen zich ook verantwoordelijk voor de afdeling waar ze staan ingepland. Sommige schoonmakers maken stappen in het ontwikkelproces. Die gaan iets meer doen of iets anders. Het voelt voor die mensen als een stapje naar meer zelfstandigheid. Van Druenen: ‘De veiligheid die de school biedt, heeft hier zeker een rol in. Als schoonmakers waardering krijgen of complimenten, dan groeit het zelfvertrouwen bij hen. Het is fijn om te merken dat de schoonmakers onderdeel zijn van de school. Ook zij doen ertoe!’ 


Mensen en hun talenten

De NVS-NVL heeft een nieuwe coördinator voor de Academie: Kristella Hak. Vanuit haar achtergrond, ervaring en belangstelling was deze functie voor haar een logische stap. Daarover vertelt ze in dit interview.

Per april is Kristella Hak de coördinator van de NVS-NVL Academie. Zij volgt Ellen Rozeman op, die de Academie in 2016 met veel enthousiasme opzette. Waarom solliciteerde ze op deze functie? Hak: ‘Onderwijs en het begeleiden van mensen vind ik interessant. Ik ben zelf bezig geweest met het maken, geven en coördineren van trainingen, ook op het gebied van loopbaanbegeleiding. Ik heb ervaring met HR in het bedrijfsleven. Ik wilde graag meer richting werk met een maatschappelijke betekenis, wat het onderwijs bij uitstek is. Er is nu, na de startjaren, veel te doen om de Academie verder uit te bouwen en af te stemmen met het aanbod van de Academie van de VvSL waarmee de NVS-NVL fuseert. 

‘Samen verder werken aan nieuwe ontwikkelingen’

Ik vind het ontzettend leuk om hier samen met anderen aan te werken. Ik ontmoet collega’s met zo veel kennis, ervaring en vooral passie voor loopbaanbegeleiding en het ondersteunen van leerlingen. Dat inspireert me enorm.’ Hiernaast werkt ze ook nog bij European Leadership University, een online universiteit waar ze samen met trainers programma’s maakt voor mensen in het bedrijfsleven. ‘Het gaat daar vooral over tech skills waar op de arbeidsmarkt te kort van is.’

Uitzoomen

Hak vertelt dat haar belangstelling uitgaat naar leren en onderwijs. ‘Terugkijkend zie ik dat ik steeds stappen maak op dat gebied, vooral richting talentontwikkeling. Ik vind het mooi om te zien als mensen ‘het beste uit zichzelf halen’. Mensen vind ik interessant, dat staat bij mij centraal.’ Na het vo ging ze Taal- en Cultuurstudies studeren. ‘Dat is een brede opleiding waarbij je voor een groot deel je eigen programma samenstelt, je kunt je in van alles ontwikkelen, dat past bij mijn nieuwsgierigheid en brede interesses.’ Als meisje wilde ze juf worden. Toch heeft ze niet voor werk in het onderwijs zelf gekozen. Daarover denkt ze even na. ‘Ik denk dat ik beter ben in kaders of voorwaarden maken voor anderen waarmee ze zelf verder kunnen. Ik zit liever aan het systeem dan in het systeem, beschouwend en uitzoomend. In een gesprek bijvoorbeeld doe ik mee, maar na een tijdje stap ik eruit en ga ik kijken, denken, analyseren: Wat doen we eigenlijk? Wat is er nodig? Hoe verder? En ook nog verder: Hoe zou het moeten zijn? Dus moet ik niet zelf in een klas aan de slag. Wel, zoals met deze baan, in de voorwaardenscheppende sfeer. Ik ben ook geen specialist, meer een generalist.‘

Samen verder

Er moet de komende tijd voor de Academie heel wat gebeuren. ‘Heel belangrijk natuurlijk: verder gaan met de positionering van alles op de scholen dat niet vakinhoudelijk is. Dus het begeleiden en ondersteunen van leerlingen op alle gebieden, loopbaanontwikkeling, passend onderwijs, keuzes maken. Hierbij helpen wij professionals in de scholen om dat te kunnen doen door ondersteuning en scholing te bieden. Dat ik zelf niet uit het onderwijs kom heeft ook voordelen. Die expertise is in beide verenigingen volop aanwezig en ik kijk daarnaar met een onbevangen blik.’ Als tweede benoemt Hak de fusie met de VvSL. ‘De twee academies van de verenigingen gaan samen verder, er is overlap, we moeten dingen afstemmen en samen verder werken aan nieuwe ontwikkelingen, passend bij de toekomst van het onderwijs. We gaan kijken hoe we dat gaan doen. Daarvoor gaan we op zoek naar een gezamenlijke identiteit.’

Weten wie je bent

Net als in het bedrijfsleven heeft het onderwijs te maken met een snel veranderende wereld. ‘Daar moeten we zo snel mogelijk op inspelen: Wat gebeurt er en wat komt er aan? Juist voor het onderwijs is dat essentieel,’ geeft Hak nadrukkelijk aan, ‘want daar zitten de mensen voor de toekomst. Je moet er vooral voor zorgen dat je wendbaar bent. Corona is een goed voorbeeld van de noodzaak om snel te kunnen veranderen en hoe belangrijk flexibiliteit is.’ Wat zijn volgens haar belangrijke skills voor de toekomst? ‘Skills benoemen voor de toekomst is moeilijk en een valkuil. Het belangrijkste is dat je kunt omgaan met veranderingen, daarin moet het onderwijs voorop lopen. Daar hoort veerkracht bij, dat heb je nodig als alles anders gaat dan je verwacht. In een omgeving waar veel gebeurt en verandert kun je verdrinken. Het is dan vooral belangrijk dat je uitgaat van jezelf en weet wat je wilt. Dus is het nodig om te leren wie je bent, wat je kan en wat je drijft. Dit alles als een basis voor jezelf, een zekerheid om te leven en werken in een voortdurend veranderende samenleving.’

‘Leren wie je bent, wat je kan en wat je drijft’

Kristella Hak

Hak vertelt nog even over haar inzet voor ‘AM Talent dat het maakt’, een community voor jong vrouwelijk talent in Nederland. ‘Dat doe ik naast het werk. We zetten ons in voor een gezondere en veiligere werkvloer voor vrouwen die daarin verder kunnen groeien. We willen er voor zorgen dat alle vrouwen volwaardig mee kunnen doen in de maatschappij en dat het bedrijfsleven hier een representatieve afspiegeling van is. Dat doen we onder andere met trainingen en netwerkbijeenkomsten. Dit onderwerp gaat ook over gelijke kansen voor jongeren en hoe je keuzes maakt in het leven, ook een LOB-onderwerp.’ 

Ze heeft het gevoel dat de functie van coördinator van de Academie bij haar past als persoon. ‘Ik ben dankbaar voor deze rol en het fijne team en kijk uit naar de komende periode. Zo wens ik dat ook voor anderen. Met dit werk zet ik me daar graag voor in.’


Zichtbare en onzichtbare zorgen van scholieren

Veerkrachtstraining voor jonge mantelzorgers

Voor jonge mantelzorgers is een veerkrachtstraining ontwikkeld. Deelnemers en trainers vertellen over de eerste ervaringen, dat is om te beginnen het belang van lotgenotencontact.

Scholieren die thuis een ziek familielid of een familielid met een verslaving of beperking hebben, maken zich vaak zorgen. Ook leveren zij dikwijls een bijdrage in de zorg voor hun zieke familielid of andere broertjes en zusjes. Vorig schooljaar deelden we in Bij de Les januari dat jongeren vooral het zorgen maken om een ziek familielid als zwaar ervaren. In Bij de Les april gaven we tips van experts over hoe je jonge mantelzorgers op school kunt ondersteunen, bijvoorbeeld door het thema bespreekbaar te maken tijdens een gastles of het toepassen van bestaande vormen van ondersteuning, zoals bij topsporters. In dit artikel beschrijven we de eerste ervaringen met een in co-creatie ontwikkelde veerkrachtstraining (ME-WE model: ·Mentaal-Welbevinden) voor jonge mantelzorgers. De training is getest op scholen en bij steunpunten mantelzorg. Trainers en deelnemende jonge mantelzorgers vertellen in dit artikel over hun ervaringen. 

‘Het staat gewoon niet op de agenda’

Zelfde schuitje

Eerste inzichten uit het onderzoek laten zien dat veel deelnemende jonge mantelzorgers het contact met andere jonge mantelzorgers erg waarderen. Door vergelijkbare situaties thuis was er begrip en herkenning: ‘Fijn dat ik nu weet dat er meer op school zijn die dezelfde zorgen hebben als ik heb’. Ook de trainers van scholen of steunpunten mantelzorg merkten op dat het ‘lotgenotencontact’ jongeren veel steun gaf: ‘Wat ik in het ME-WE-project met name zag is een soort lotgenotengroep waarin je gewoon je verhaal kwijt kan [...]. Ik merk dan bij die leerlingen dat ze daar heel veel aan hebben. Want ze geven ook heel duidelijk aan dat je met vrienden daar eigenlijk moeilijk over kunt praten omdat die niet snappen hoe het in elkaar steekt en in de trainingsgroep wel, dat hielp al heel erg.’ Dat dit contact digitaal doorging tijdens de lockdown waardeerden deelnemers ook: ‘Was fijn om in ieder geval mensen te spreken. Ook al is het niet face to face, je spreekt mensen die in het zelfde schuitje zitten en die begrijpen wat ik zeg.’

Inhoudelijk hebben jongeren bijvoorbeeld geleerd: ‘Een stukje verwerking, en hoe je dingen van je af kunt zetten. Het lukt nog niet altijd even goed, maar het zijn zeker dingen die ik vaker zal gebruiken.’ Ze ontdekken ook dat ze soms niets aan de situatie kunnen veranderen, maar wel hun gedachtes en gedrag kunnen aanpassen. Niet altijd hoeven te luisteren naar de kritische ‘adviseur stem’ en mogen ontdekken wat bij hun eigen waarden past: ‘Ik ben zelfverzekerder maar in huis zelf is er niks veranderd, alleen ik ben veranderd.’ Ook trainers deelden positieve ervaringen over het gedachtegoed van de training: ‘Het heeft mijn eigen denken beïnvloed en daardoor ook het contact met jonge mantelzorgers en zelfs met mijn eigen puberdochters.’

Vanzelfsprekend

Mantelzorg is nog geen vanzelfsprekend thema op school: ‘Het staat gewoon niet op de agenda’, aldus een trainer op school (zie Bij de Les april 2020). Veel onderwijsprofessionals weten niet dat ook jongeren zorgtaken kunnen hebben. Jonge mantelzorgers zien hun taken als vanzelfsprekend en vragen hier zelf geen aandacht voor. 

Meer bewustwording over het thema jonge mantelzorgers bij jongeren en onderwijsprofessionals was daarom de eerste stap in het onderzoek. Vaak bestond dit uit een thema-les (‘kick-off’) over mantelzorg. Het betrekken van (ex) jonge mantelzorgers hierbij is essentieel voor het aanslaan van de juiste toon en het vergroten van herkenning onder jongeren. Ook stil staan bij de diversiteit van verschillende situaties kan bijdragen aan herkenning volgens een trainer: ‘Bijvoorbeeld de zorgen voor een gehandicapte broer of zus, roepen andere associaties op dan een (psychisch) zieke of gehandicapte vader of moeder.’ 

De trainers vertelden dat de bewustwording van docenten en jongeren is vergroot na de kick-off’s, waardoor er meer over werd gepraat. Zo zegt een jongere: ‘Ik kon ineens zeggen dat mijn vader gehandicapt is, dat heb ik nog nooit aan iemand op school verteld.’ Ook docenten deelden hun eigen ervaringen met zorgen. ‘Wat ook hielp als gespreksstarter, was dat ik ook open was over mijn eigen rol als mantelzorger.’

Trainers geven aan dat als je het gesprek over zorgen start, veiligheid belangrijk is, zodat jonge mantelzorgers open durven zijn, ook over moeilijke aspecten van het zorgen. Wanneer een jongere het ergens niet over wil hebben, is dat oké. Als je bijvoorbeeld als mentor weet dat iemand een zorgsituatie thuis heeft, maar de leerling vertelt hier zelf niet over tijdens de les, benoem dit dan niet in de groep, maar spreek de leerling later individueel aan en stel de open vraag: ‘Hoe gaat het met je?’ 

Onder ogen zien

Er waren tijdens het onderzoek veel jongeren die aangaven jonge mantelzorger te zijn en interesse te hebben in de training, maar toch afhaakten. Een reden daarvoor is volgens trainers dat het onder ogen zien van dat je mantelzorger bent, al een hele stap is. Aan de slag gaan met deze rol kwam voor hen wellicht te snel. ‘Dat ze dan al gezegd hebben van: ‘Nou, ik ben mantelzorger’, is dan echt al een hele stap. Maar daarna doen we gewoon snel de deur weer dicht, want ‘Ik heb het druk’, ‘Ik heb toetsen’, ‘Ik heb geen tijd’, ‘Ja, maar eigenlijk komt het nu even niet uit’, ‘Ik wil niet dat klasgenoten of mijn ouders weten dat ik me zorgen maak’, allemaal verhalen en dan haken veel af.’

Sfeer

Het advies is ook om te investeren in een prettige, informele sfeer. De jonge mantelzorgers die de training wel volgden zeiden het persoonlijk contact met trainers te waarderen. Zoals de berichtjes die trainers tussen de trainingen via WhatsApp stuurden of de tasjes met trainingsmaterialen en wat lekkers die zij aan de deur hingen. Een goede onderlinge sfeer in de groep sprak hen ook erg aan. Dit werd gefaciliteerd door de trainers, door bijvoorbeeld een lekkere lunch/pizza te regelen. Zo vertelt een jongere: ‘Ik vond het persoonlijk prettig, want de groep was leuk en gezellig, maar ik heb ook dingen geleerd uit de training.’ 

‘Jonge mantelzorgers zijn niet zielig’

Zelf trainen

Hoe kun je zelf de training geven? Zoek als eerste de verbinding met het Steunpunt Mantelzorg in de regio. Zodat je ook na afronding van de training, of bij lastige situaties, ondersteuning kunt vragen. Trainers vertelden: ‘Als wij op school de training na afronding van het onderzoek weer gaan aanbieden, zullen we zeker gebruik maken van de kennis en mogelijkheden van het steunpunt met wie we nu goed contact hebben. Zij kunnen veel meer dan wij op het eilandje van de school, bijvoorbeeld een maatje koppelen.’Vervolgens worden toekomstige trainers opgeleid in het gedachtegoed van de DNA-V door een bekwame trainer. Daarnaast worden de trainers getraind in het herkennen van en samenwerken met jonge mantelzorgers. Zo vertelde een trainer: ‘Jonge mantelzorgers zijn niet zielig, maar die neiging had ik wel om dat te denken. Belangrijk is het focussen op de persoon en wat hij of zij nodig heeft om te kunnen groeien, in plaats van de zorgsituatie. Dat was voor mij wel een eyeopener.’ Tijdens de train-de-trainer wordt het boek ‘Ruimte om te groeien’ (Louise Hayes en Joseph Ciarrochiz) en de speciaal ontwikkelde trainershandleiding gebruikt. 

Na de train-de-trainer kunnen de nieuw getrainde trainers, in samenwerking met een (ex) jonge mantelzorger, de kick-off bijeenkomst geven en daarna de training geven aan jonge mantelzorgers. In de flyer ‘Veerkrachtstraining ME-WE voor jongeren die zorgen’ vind je alle praktische informatie over het ME-WE model in één overzicht.

Onderzoekers Renske Hoefman (Sociaal en Cultureel Planbureau) en Nynke de Jong (Vilans) deden onderzoek vanuit het programma Me-We. Onder andere naar hoe het zorgen invloed heeft op het leven van jonge mantelzorgers. Meer informatie: www.vilans.nl 

Wil je zelf een thema-les mantelzorg aanbieden, dan kun je kijken op: www.mantelzorg.nl. Of neem contact op met een steunpunt in de regio.

ME-WE project

Ervaringen van jongeren en trainers in dit artikel zijn afkomstig uit het ME-WE onderzoek (https://me-we.eu). Dit is een Europees onderzoek in zes landen naar het welbevinden van jonge mantelzorgers. In Nederland deden 27 jonge mantelzorgers in de leeftijd van 15 t/m 17 jaar mee in de studie naar de effectiviteit van het ME-WE model. Het ME-WE onderzoek wordt gefinancierd vanuit het Europese Horizon 2020 Research and Innovation-program, subsidienummer 754702.

Na afronding van het onderzoek en goedkeuring van het consortium, wordt het trainingsmateriaal beschikbaar gesteld voor trainers van steunpunten en scholen.

Ben je geïnteresseerd in de training; meld je aan via mewesupport@vilans.nl en we houden je op de hoogte wanneer en hoe de training beschikbaar wordt gesteld.


De logica van de harmonica

Experiment: opleiden voor brede inzetbaarheid

De Servicemedewerker is een allrounder, een gastvrije duizendpoot en de uitgestoken hand van een organisatie. Hij stelt zich ondersteunend, dienstverlenend en servicegericht op. Hij is proactief, houdt rekening met en speelt in op de behoefte en verwachtingen van bezoekers. Hij beschikt over communicatieve vaardigheden in het Nederlands en Engels, is sociaal, alert en integer. Hij werkt volgens richtlijnen en procedures, is stressbestendig en altijd klantvriendelijk. Hij werkt nauwkeurig en koppelt op de juiste manier terug naar zijn leidinggevende. Kortom, de ideale medewerker voor een bedrijf of organisatie.

Het arbeidsmarktperspectief voor studenten in het mbo op niveau 2 is niet altijd positief. Wat doe je met deze doelgroep die elk jaar in groten getale voor de deur staat? Mbo-instellingen willen dit oplossen door brede niveau 2 opleidingen aan te bieden. In opdracht van de MBO Raad is in 2015 een verwantschapsanalyse uitgevoerd naar verwante werkprocessen en activiteiten van negen (herziene) kwalificaties (in de herziene kwalificatiedossiers profielen genoemd) op niveau 2. Het doel van deze analyse is te onderzoeken welke onderwerpen de roc’s eventueel in een brede niveau 2 opleiding aan studenten kunnen aanbieden.

Cross-over 

ROC Midden Nederland is initiatiefnemer van het cross-over dossier Servicemedewerker (een brede niveau 2 opleiding) geweest. In de voorbereiding hebben zij naar de verwantschapsanalyse van de niveau 2 opleidingen gekeken. In 2017 zijn zij als eerst gestart met Servicemedewerker om enerzijds ‘perspectief bieden’ op een volwaardige (arbeids)plek in de maatschappij en anderzijds om tegemoet te komen aan de vraag vanuit de arbeidsmarkt naar breed inzetbare werknemers. Inmiddels bieden 17 roc’s deze cross-over aan. Deze roc’s komen bij elkaar in het landelijk Netwerk Breed opleiden Niveau 2 (N2B). Dit netwerk van en voor mbo-professionals wil alle studenten perspectief bieden op de arbeidsmarkt en in de maatschappij. Het N2B wordt gefaciliteerd door CINOP en er zijn 26 leden van 18 mbo-instellingen. Het experiment duurt van 1 augustus 2017 tot en met uiterlijk 31 juli 2025. Bij de Les nam een ‘kijkje’ bij drie mbo’s die meedoen aan het onderwijsexperiment ‘cross-over kwalificaties’. 

‘Ik ga graag voor mensen die kansen gemist hebben’

Gastvrije duizendpoot

Jacqueline van Swaaij is teammanager bij Noorderpoort Groningen Appingedam. Van Swaaij was altijd al geïnteresseerd in laaggeletterdheid. Van Swaaij: ‘Ik ga graag voor mensen die kansen gemist hebben, die zijn opgevoed met: ‘het is niks en het wordt niks’. Bij het N2B wisselen we onze ervaringen uit, we hebben immers allemaal met dezelfde problematiek te maken. Werkgevers willen liever werknemers met een hoger niveau. Als ze dan wel een niveau 2 stageplek willen geven, dan willen ze een werknemer die breed inzetbaar is. Die willen ze als gastvrije duizendpoot in kunnen zetten, bijvoorbeeld én bij de catering én bij de telefoon. Daarnaast weten studenten op dit niveau vaak nog helemaal niet wat ze willen. Dus zo snijdt het mes van breed opleiden aan twee kanten.’

Michel Botman is opleidingscoördinator bij het Horizon College. Botman: ‘Wij hadden de smalle opleiding Administratief medewerker niveau 2. Voor de cross-over Servicemedewerker werd ik kartrekker, aanspreekpunt en onderwijsontwikkelaar. Het eerste jaar is net gestart, het N2B overleg en het contact met andere mbo’s is heel waardevol’. Botman gaf rekenlessen aan niveau 2 en boekhouden/bedrijfseconomie aan niveau 4. Botman: ‘Mijn hart ligt bij niveau 2. Als je voor deze studenten een stapje extra doet, dan wordt dat enorm gewaardeerd. Bovendien zal een niveau 2 student die iets nog niet goed kan, dat ook erkennen en dat samen met jou willen doen.’

Sanae Boukarfada is coördinator onderwijsontwikkeling en projectleider bij het Business & Administration College van ROC Midden Nederland (MN) in Utrecht. Vanuit haar rol heeft zij vanaf de start een essentiële rol gespeeld bij de totstandkoming van het cross-over dossier Servicemedewerker.  Boukarfada: ‘De beperkte kansen op de arbeidsmarkt voor een aantal niveau 2 opleidingen waren voor ons aanleiding voor het herpositioneren van onze niveau 2 opleidingen. Hierbij hebben we de smalle opleidingen met gering arbeidsmarktperspectief opgeheven en ondergebracht in de brede ontwikkelde cross-overopleiding Servicemedewerker’ waarbij de student zich kan oriënteren, een brede set aan vaardigheden meekrijgt en in verschillende contexten kan uitstromen. Hiermee streeft ROC MN ernaar studenten op niveau 2 een zo goed mogelijke start op de arbeidsmarkt te geven. Ook is de opleiding nadrukkelijk gericht op doorstroom naar niveau 3 en 4.‘ 

Van context switchen

Vanaf schooljaar 2017-2018 staat de positionering van de opleiding Servicemedewerker op de agenda van de stuurgroep niveau 2 van ROC MN. Uiteindelijk is de notitie ‘De logica van de harmonica’ in juni 2018 vastgesteld met een duidelijke visie over de plek van de opleiding Servicemedewerker in het portfolio van de niveau 2 opleidingen. Boukarfada: ‘Als metafoor voor een flexibel portfolio van niveau 2 opleidingen gebruiken we binnen ROC MN een harmonica. ROC MN biedt specialistische niveau 2 opleidingen aan als er arbeidsmarktrelevantie bestaat. Voor studenten die een opleiding willen volgen in een context waar geen specialistisch werk in is, bieden we de opleiding Servicemedewerker aan. De crebonummers waarvoor (tijdelijk) geen arbeidsmarktrelevantie bestaat behouden wij wel. Zo kunnen opleidingen in een veranderende arbeidsmarkt altijd weer aangeboden worden. De opleiding Servicemedewerker stelt de organisatie in staat te allen tijde contexten toe te voegen. Opleidingen kunnen ook kiezen voor breed starten in het eerste jaar, maar smal uitstromen op bestaande crebo’s.‘

Op basis van de notitie zijn er meerdere gesprekken gevoerd over de vraag welke contexten onderdeel moeten gaan uitmaken van de opleiding Service-medewerker in Utrecht en Amersfoort. Boukarfada: ‘Er is besloten daar uit te breiden met ICT en Logistiek (Zakelijk en Commercieel werd al aangeboden). In Utrecht bieden we de contexten Sport & Evenementen en Zorg & Welzijn niet aan. Daar is de smalle opleiding Sport, facilitair en helpende niveau 2 gebleven. Dit heeft o.a. te maken met de werkgelegenheid in de regio.’ 

‘Beroepen komen en gaan’

Door het curriculum te kleuren met stageplekken, werkplekleren en keuzedelen in de betreffende context ontstaat een aantrekkelijke brede opleiding voor de student en arbeidsmarkt. ‘Natuurlijk kunnen studenten gaandeweg ook van context switchen. Het crebo is en blijft dat van Servicemedewerker. Hierdoor kunnen studenten stage lopen in een omgeving die ze interessant vinden, want er is veel meer keus. Dit spreekt studenten (en ouders/verzorgers) aan. Zij zien bij de voorlichting dat ze veel meer opties hebben met een brede opleiding als Servicemedewerker en kiezen daar liever voor. We hadden normaal gesproken vier eerstejaars klassen Verkoper (smalle opleiding), tegenwoordig hebben we er nog maar één.’ 

Een boost voor het leven

Van Swaaij: ‘Meer kansen op werk en doorstroom zijn ook conjunctuurgevoelig. We merken nu dat er weer een omslag komt. Werkgevers willen terug naar de helpende, de verkoopmedewerker. Wij willen uiteraard samen optrekken met het bedrijfsleven en opleidingen geven die aansluiten, maar wij vinden breed opleiden verstandiger. Het Noorderpoort heeft een clusteroverleg voor niveau 2 met alle teammanagers. Van daaruit ga ik naar het landelijk netwerk om te proberen samen een vuist te maken. Als we niveau 2 weer specialistisch op gaan leiden en het gaat niet goed in een bedrijf, dan zijn zij de eersten die op straat staan. Met een brede opleiding kunnen ze meer kanten op.’ Botman: ‘Afgelopen schooljaar heeft de SBB-sectorkamer Retail veel erkenningen van winkels als leerbedrijf ingetrokken. Het werk daar past bij de smalle opleiding Verkoop en volgens hen voldoet de Servicemedewerker daar niet aan. Wij gaan dan via het N2B met elkaar in gesprek, om samen te laten zien wat een Servicemedewerker kan en doet.’ Boukarfada: ‘Als je naar het kwalificatiedossier kijkt, begrijpen we dat het lastig is om als Servicemedewerker bij een kleine verkoopzaak stage te lopen, maar bij bijvoorbeeld een grote supermarkt met een servicebalie of koffiecorners zou het wel kunnen. Het is dus niet zo zwart-wit. Ik vind het prettig dat we hier als N2B met elkaar over in gesprek kunnen gaan en samen een reactie aan het SBB kunnen geven.‘

Kennismaken en ontdekken 

Botman: ‘In leerjaar 1 krijgen onze studenten een brede kennis van de zeven werkprocessen en in leerjaar 2 kiezen ze voor een keuzedeel. De opleiding Servicemedewerker verschilt ook per regio, want wij willen studenten geen worst voorhouden. Beroepen komen en gaan, daarom willen wij studenten zo goed mogelijk voorbereiden op werk. Naast de algemene vakken als Nederlands, Engels, rekenen maken we gebruik van werkplekleren. Studenten leren in een echte werkomgeving en krijgen ook opdrachten bij het bedrijf. Zo maken ze kennis met de beroepsvaardigheden van een beroep. En als dat niet bevalt kunnen ze een ander keuzedeel kiezen.’

‘Ze kunnen nog ontdekken wat ze willen’

Van Swaaij: ‘Het zijn goede medewerkers met potentie om door te groeien. In de panelgesprekken die pas gevoerd zijn met onze niveau 1 en 2 studenten, geven ze zelf ook aan dat ze het fijn vinden nog alle kanten op kunnen. In die twee jaar kunnen ze nog ontdekken wat ze willen. Het mooiste is als ze binnen een groot bedrijf of verpleeghuis stage kunnen lopen op diverse afdelingen. Dat ze een poosje meedraaien bij de front-office, bij de maaltijden uitdelen, in het magazijn of in de keuken. Een mooi praktijkvoorbeeld: een jongen voor wie alles tot nu toe mis ging, mocht stagelopen in het museum in Appingedam. Hij had een voorliefde voor geschiedenis. Hij bleek een geweldige dienstverlenende houding te hebben. Hij ontving de mensen, kon er zijn verhalen kwijt en ook een kopje koffie schenken. Zo’n succeservaring is een boost voor zijn verdere leven.’

Zie: https://cinop.nl/agenda/netwerk-breed-opleiden-niveau-2-editie-2021/ en
https://www.s-bb.nl/cross-overs


Voorziening Vroegtijdig Aanmelden mbo

Wat moeten decanen weten over de VVA?

In betrekkelijke stilte maakt het aanmeldproces van het vo naar het mbo en de monitoring van de overstap een ingrijpende verandering door. In dit artikel in een notendop waar dat op neerkomt.

Het aanmelden voor een mbo-opleiding is voortaan centraal geregeld. Leerlingen melden zich voor een mbo-opleiding aan via hun DigiD op een hiervoor ontwikkelde app. Via dezelfde app kunnen zij hun aanmelding volgen, wijzigen of verwijderen. Dit heet het Centraal Aanmelden (CA). Op deze manier zijn leerlingen die zich voor 1 april (dit jaar 1 mei) aanmelden, verzekerd van een plekje op een onderwijsinstelling.

Voor de monitoring van de overstap zijn koppelpunten (gemeente, vo en mbo) ingericht die met elkaar communiceren, de zogenaamde Voorziening Vroegtijdig Aanmelden (VVA). De landelijke monitoring is een logisch gevolg van de Wet vroegtijdig aanmelden en toelatingsrecht tot het mbo, waarmee de status van de aanmelding een juridische grondslag krijgt.

Per september 2020 is het voor het voortgezet onderwijs (vmbo, pro, vso en vavo) verplicht om potentiële mbo-gangers berichten via de VVA (koppelpunt vo) te versturen in het Leerling Administratie Systeem (LAS) van de school. Het koppelpunt voor het voortgezet onderwijs (vmbo, pro, vso en vavo) is per september 2020 operationeel geworden en elke school heeft de oproep ontvangen om deze voor 1 februari gekoppeld te hebben aan het Leerling Administratie Systeem (LAS), zodat de gegevensuitwisseling tot stand komt. 

De mbo-instellingen zijn verplicht om de aanmelding van leerlingen door te geven aan de gemeenten en het voortgezet onderwijs. Zo maakt de VVA het mogelijk om in het LAS de voortgang van het aanmeldproces te monitoren. 

Maar, wat betekent dit voor de decanen in de uitvoering van hun werk?

Vragen

De NVS-NVL organiseerde onlangs hierover een overleg met daarin betrokken partners, zoals de vo-raad, MBO Raad, OCW, Kennisnet en een aantal decanen, schoolleiders en vsv-coördinatoren. Als decaan, vsv-coördinator en kringvoorzitter, mocht ik hierin participeren. Tijdens het gesprek constateerden we onder andere het volgende:

• Er waren op dat moment nog weinig v(s)o-scholen die hun LAS hadden ingericht op het koppelpunt vo.

• In principe is de VVA een administratieve voorziening die eerder een taak is voor bijvoorbeeld een leerlingadministratie. Wat moet en kan een decaan ermee?

• Gaat dit een vervanger worden voor monitoring systemen zoals Intergrip? Wat betekent dit voor de begeleiding van de leerling als deze alleen nog beperkt gemonitord kan worden in het LAS?

• Wat is nog het nut en noodzaak van een Digitaal Doorstroomdossier? Hoe borgen we de overdracht van kwetsbare leerling wanneer deze geen of beperkte plek krijgt in een aanmeldproces?

• Het koppelpunt voorziet niet in eenregionale sturing op vsv.

• Wat te doen met havo-leerlingen, zakkers en tussentijdse uitstromers die niet gemonitord worden in het systeem?

Dubbel werk?

Voor decanen is het heel fijn om via één systeem, bijvoorbeeld Intergrip, de opleidingskeuze van de leerling en de status daarvan te kunnen volgen. Hiermee is zichtbaar welke leerlingen zich nog moeten aanmelden voor 1 april. 

Het aansturen van mentoren, ouders en uiteraard de leerling zelf is daarbij belangrijk. Decanen krijgen het gevoel dat er met de VVA een dubbel monitoringsysteem ontstaat. Voor het mbo is deze wet leidend en zij zal zich minder met Intergrip bezig houden, terwijl het vo met deze voorziening niet meer de hele groep overstappers in beeld heeft zoals zij gewend waren. Bijvoorbeeld een havo leerling die zich aan gaat melden op het mbo, wordt door de decaan handmatig toegevoegd in Intergrip, maar wordt niet gemonitord in de VVA. Krijgen de vo-scholen een melding over leerlingen die zich nog niet hebben aangemeld? Kan het vo zien voor welke opleiding en welk niveau de leerling is aangemeld? Veroorzaakt de VVA dubbel werk, lijkt het overzicht te verdwijnen? 

Op de agenda

Als vsv-coördinator zie ik deze vragen ook in onze regio. Diverse mbo’s onderzoeken hoe zij hun aanmeldproces inrichten op het CA en de VVA en zijn zoekende hoe het doorstroomdossier daarin een plek gaat krijgen (of niet?) en hoe de warme overdracht van kwetsbare overstappers plaatsvindt. Hoewel dit ondersteunende processen zijn van de aanmelding en toelating, valt het mij op dat er nog weinig afstemming plaatsvindt tussen vo en mbo en partijen onvoldoende noodzaak lijken te voelen om hierin samen op te trekken. Daarnaast is het belang van eenduidige regionale afstemming op de monitoring van vsv essentieel om zicht te houden op vsv en de overstap van kwetsbare overstappers. Deze twee constateringen moeten een aanmoediging zijn om met elkaar in gesprek te gaan hoe zo optimaal mogelijk gebruik kan worden gemaakt van beide tools. Ik wil met dit artikel decanen en decanenkringen oproepen dit punt hoog op de agenda te zetten om te komen tot regionale afstemming tussen het vo en het mbo, met een duidelijke agenda op vsv, de waarborg van de warme overdracht van kwetsbare overstappers en een visie op een overdrachtsdossier in de vorm van een DDD of bijvoorbeeld een loopbaandossier. Hoe mooi is het als we door gezamenlijk op te trekken iedere leerling kunnen begeleiden naar de juiste plek?

Simone Slagboom

Simone Slagboom is al jarenlang decaan van een vmbo-school in Eindhoven. Daarnaast is zij kringvoorzitter van de vmbo-decanen in de regio Eindhoven en sinds twee jaar werkzaam als doorstroomcoördinator vsv, waarbij zij alle vo-leerlingen monitort in de overstap naar het mbo. In de regio Eindhoven is zij betrokken bij Naardejuisteplek.nl, een website die als vindplaats fungeert om alle partijen die betrokken zijn bij de overstap van een jongere, aan elkaar te verbinden. 

Simone is lid van de ledenraad van de NVS-NVL en daarnaast verzorgt ze af en toe trainingen en workshops

Relatie met LOB?

‘Waar kan ik vinden hoe het met mijn aanmelding staat?’ Elke decaan zal deze vraag met enige regelmaat krijgen. Leerlingen vergeten soms op hun e-mail te kijken of ze al een bericht hebben gekregen van het mbo. Met de app kunnen ze straks eenvoudig hun aanmelding doen, volgen of ook weer verwijderen. Toch hoop ik dat leerlingen net zo vaak mijn kantoor blijven binnenlopen met deze vraag. Het is altijd een aanknopingspunt om over hun keuze te praten. Hoe zeker ben je van je keuze? Hoe heb je je georiënteerd? Dicht op het aanmeldproces zitten van de leerling zie ik als een belangrijk onderdeel van het LOB-proces. Ik ben dan ook benieuwd hoe decanen de huidige ontwikkelingen zien in relatie tot LOB. Reageren kan via een bericht naar de redactie.

Meer informatie over de VVA, zie: support.kennisnet.org/display/FAQ/VVA en nvs-nvl.nl/publicaties/nieuws/voorziening-vroegtijdig-aanmelden-vva


Een positief domino-effect

Worden scholen steeds beter in afstandsonderwijs?

Inmiddels zijn de scholen in het voorgezet onderwijs mondjesmaat weer open. Al is er nog lang geen sprake van een lessituatie zoals deze was voor de corona-periode. Moeten we daar wel naar terug? Welke ontwikkelingen zien we? En onderschatten we de leerlingen niet in hun veerkracht en flexibiliteit? Decaan en redactielid Yvonne Mulders gaat hierover in gesprek met zorgcoördinator en redactielid Marjolein van Breda-Souman.

Ha Marjolein,

 Laatst las ik op LinkedIn een artikel over de achterstand in onderwijsstof bij kinderen in het voortgezet onderwijs. Dat een groep kinderen in Nederland het onderwijs op afstand niet goed kan volgen begrijp ik. Deze leerlingen hebben geen fatsoenlijke plek in huis om te leren, misschien ook geen goede internetverbinding en wellicht gebrek aan begeleiding van ouders. Deze leerlingen zijn niet altijd in beeld bij de docent die op afstand zijn of haar online lessen geeft. Er wordt gebeld met ouders, er wordt gemaild met de leerlingen, maar geen of nauwelijks reactie. Komt er bij deze leerlingen straks een onderadvisering voor het te volgen niveau, voortkomend uit  de sociaal economische status (SES) van de ouders? Bij veel meer, dan alleen de genoemde groep leerlingen, blijken de achterstanden in de kernvakken toe te nemen en is het lastig om praktijkvakken op niveau aan te bieden.

Het afstandsonderwijs is in de laatste maanden verbeterd. Ik spreek leerlingen individueel online en vraag hen of ze het vol kunnen houden met die online lessen. De antwoorden van deze leerlingen vind ik in tegenstelling tot wat anderen beweren. Leerlingen geven aan dat ze zeker het sociale stuk missen. Even lekker roddelen op school, je vrienden zien en spreken, lol hebben in de klas. Ook geven leerlingen aan dat het op afstand leren wel gaat wennen en dat de concentratie eigenlijk beter is dan in de klas. Daardoor ben ik mijn beeld bij achterstand in lesstof gaan bijstellen. Misschien onterecht omdat er nog steeds een groot deel van de kinderen juist op school beter presteert. De eindexamenleerlingen, die in de tweede coronagolf op school onderwijs kregen, merkten dat er een betere concentratie is. Er zijn minder prikkels om hen heen, er is rust in de school. De cijfers van de laatste centrale toetsweek vielen voor veel leerlingen erg mee. 

‘Minder prikkels, er is rust in de school’

Daarom denk ik dat het met de achterstanden wel eens mee zou kunnen vallen. Is het niet zo dat leerlingen flexibel zijn, dat leerlingen improvisatietalent hebben, creatief zijn? En dat ze daardoor in de komende jaren minder achterstand hebben dan ik denk? Denk jij dat er een domino-effect is voor de komende jaren  en dat leerlingen het niveau waarop ze onderwijs volgen niet bij kunnen spijkeren? Welke ondersteuning hebben zij nodig? Is dat alleen in bijlessen of ook op andere gebieden? 

Het zijn weer veel vragen Marjolein. Ik ben benieuwd hoe jij hier tegenaan kijkt en of jij verschillen ziet tussen de eerste keer sluiting van de scholen en de tweede keer. En de laatste vraag die ik je stel: Denk je niet dat er in de toekomst misschien een mix komt van online lessen en fysiek op school lessen volgen? Gaan we gewoon niet naar een nieuw tijdperk waar de dominostenen weer blijven staan? 

Hoi Yvonne,

Een zeer actueel onderwerp heb je aangeroerd. De kranten staan er bol van. Ook ik zit er middenin omdat in deze periode de intake van de basisschoolleerlingen is begonnen. Ik spreek veel leerkrachten en interne begeleiders die een schooladvies moeten geven. Als ik ze vraag hoe zij tegenover een leerachterstand staan is het antwoord divers. Wat mij opvalt, is dat er eerder gesproken wordt over een achterstand die sociaal/emotioneel gerelateerd is. Kinderen die geen makkelijke thuissituatie hebben of die sowieso van de radar zijn, lopen een groot risico om een leerachterstand op te lopen. Dit herken ik ook op het vmbo. Er zijn leerlingen die thuis niet aan leren toe komen. Gelukkig kunnen we deze leerlingen voor de online lessen op school opvangen, waar ze ook met hun vragen terecht kunnen bij een van de pedagogisch medewerkers. Een merendeel van deze leerlingen geeft aan dat ze zich thuis niet prettig voelen en zich op school beter kunnen focussen. Dan gaan er bij ons (leden van het zorgteam) weer andere radars draaien en proberen we te achterhalen wat de problematiek is en of het veilig is thuis. 

Inderdaad zijn er ook leerlingen die eigenlijk heel goed gedijen in deze lockdown. Leerlingen in de onderbouw die zich via de online lessen beter kunnen concentreren, zich duidelijke doel stellen (eerst huiswerk maken en dan iets anders doen) en hierdoor goede resultaten behalen. Dit was tijdens de eerste lockdown minder omdat nog niet iedereen goed geëquipeerd was en de expertise van het online lesgeven nog niet ontwikkeld was. Voor de leerlingen van de bovenbouw geldt dat zij op school kunnen komen om aan hun examens te werken. Zowel theorie als praktijk volgen zij op de normale manier, waardoor er nauwelijks achterstand  ontstaat. Er is maar een enkeling die door omstandigheden niet op school komt. En als dat zo is, moeten we  opletten of de leerling  genoeg voorbereid is om examen te kunnen doen.

‘Leerlingen die gedijen in de lockdown’

Ik loop wel met de gedachte rond om een meting te doen bij de eerstejaars leerlingen die nu zo’n tien weken online lessen hebben gevolgd. Van deze leerlingen hebben wij  de leerachterstanden in beeld.  Aan het eind van het schooljaar zou je  een drempelonderzoek af kunnen nemen om te kijken of deze achterstanden groter zijn geworden. Dit is natuurlijk geen wetenschappelijk onderbouwd onderzoek, maar geeft wel een beeld van de achterstanden die er dan zijn. Daar kun je dan in het tweede jaar aan werken.

Wat leren we nou van deze periode? Ik voel er voor om te kijken naar leerlingen die duidelijk baat hebben bij het volgen van online lessen. Kun je het onderwijs hiermee misschien passend maken voor een aantal leerlingen zonder dat je hen tekort doet op sociaal gebied? De combinatie van online lessen en onderwijs op school zou misschien voor deze leerlingen tot betere resultaten leiden op cognitief en sociaal gebied.

Tot zover maar weer, in afwachting van betere tijden...

 


Overstappen naar het voortgezet onderwijs

Welke vragen spelen er bij aanstaande brugklassers?

Als zorgcoördinator en intaker op het vmbo zie ik ieder schooljaar de nieuwe brugklassers binnen komen. Sommigen stoer en zelfverzekerd, anderen stilletjes en afwachtend. Niet beantwoorde vragen waren voor mij de reden om een brugklastraining te ontwikkelen.

De overstap van de basisschool naar de middelbare school is een grote. Alles verandert. Rekenen wordt wiskunde en taal wordt Nederlands. Er is niet langer één juf of meester, maar voor elk vak een andere docent. Daar komt nog bij dat ze op verschillende tijden uit zijn of moeten beginnen en elke week is een huiswerkweek. En dan hebben we het nog niet eens gehad over het sluiten van nieuwe vriendschappen. Iedere toekomstige brugklasleerling loopt voordat dit allemaal begint met vele vragen rond. Open dagen, minilessen, scholenmarkten en adviesgesprekken horen bij de voorbereidingen om naar het voortgezet onderwijs  te gaan. Ondanks al deze prachtige initiatieven blijkt dat er toch nog veel onzekerheid is bij de aanstaande brugklassers en zijn nog veel vragen onbeantwoord gebleven. 

Vragen van ouders

In de praktijk zie ik dat de basisscholen druk zijn met de voorbereiding op de overstap naar het vo. Ook de ouders zijn er flink mee bezig en de meeste ouders bereiden zich goed voor door het bezoeken van open dagen en scholenmarkten. Tijdens die dagen willen scholen hun visie duidelijk maken en aangeven waar ze voor staan. Scholen zien er altijd piekfijn uit, ze bieden een zo mooi mogelijk programma en creëren op die dag een ‘gezellige’ sfeer. De verschillende disciplines binnen de school geven informatie over de gang van zaken en staan klaar om vragen te beatwoorden die voornamelijk door de ouders gesteld worden. Deze vragen gaan vaak over protocollen, procedures en welke ondersteuning er is voor de ‘zorgleerling’. Het komt zelden voor dat een potentiele leerling een vraag stelt. In de praktijk blijkt dat ze die wel hebben.

Ik besloot een training te maken voor de overstappers. Eentje die net even anders is dan de doorsnee trainingen. De training geeft de leerlingen van groep 8 alle informatie die ze nodig hebben en daarbij kunnen ze alle vragen stellen die nog niet beantwoord zijn. In hun eigen veilige omgeving op een ontspannen en interactieve manier op zoek naar antwoorden die ze nog niet hebben.

‘Hier had hij de hele zomervakantie buikpijn van’

Bus gemist?

‘Wat had je willen weten voordat je naar de middelbare school ging?’ Deze vraag stelde ik tijdens een klein (niet wetenschappelijk onderbouwd) onderzoekje aan een aantal leerlingen op school. Uiteraard werd er een aantal ‘lolbroek’ antwoorden gegeven, maar ook een aantal serieuze antwoorden die uitnodigden tot een gesprek. Zo was er een leerling die vertelde dat ze niet wist dat er per week wel drie of vier toetsen gegeven werden. Hierdoor kwam ze er achter dat plannen en organiseren haar niet goed afging en daar had ze last van gehad. Een andere leerling vertelde dat hij op de basisschool nooit huiswerk had en nu in het vo wel, maar dat hij dit niet zo serieus nam. De gevolgen van het niet maken van huiswerk waren groter dan hij dacht, waardoor hij een inhaalslag moest maken. Ook had een leerling graag van te voren geweten wat er gebeurt als je te laat komt, omdat je de bus hebt gemist of als die helemaal niet rijdt. Hier had hij de hele zomervakantie buikpijn van gehad. Zijn ouders vertelden hem dat hij zich hier niet druk over moest maken. Toch ging de buikpijn pas over toen hij in de eerste week deze vraag aan zijn nieuwe mentor kon stellen. 

De training 

Deze training is voor alle leerlingen die naar het voortgezet onderwijs gaan ongeacht niveau, school of leerroute. Ze krijgen op hun eigen school informatie die ze tijdens de open dagen niet of nauwelijks te horen krijgen. De training duurt 1,5 uur, gemiddeld doen zo’n 25 leerlingen mee. Van te voren stel ik de leerlingen in de gelegenheid om anoniem hun vragen te stellen via de vragenpot die een week voor de training in de klas staat. Iedere keer weer merk ik dat er vragen gesteld worden die mij verbazen en aan het denken zetten. Vragen waaruit vaak blijkt hoe onzeker je je kunt voelen als je aan iets nieuws begint. Door de interactieve werkvormen is iedereen betrokken en komen er verassend veel problemen of zorgen aan de orde. Leerlingen voelen aan waar medeleerlingen mee zitten en gaan hierover met elkaar in gesprek. Sommigen hebben al een broer of zus op het vo en kennen dus al ‘ervaringsdeskundigen’. Er wordt goed naar elkaar geluisterd en met elkaar beantwoorden ze de vragen.

De onderwerpen die zoal aan bod komen zijn divers en gericht op de vragen die vanuit de leerling zelf komen: ‘Wat gebeurt er allemaal in de brugklas? Wat doe je wel en wat doe je niet? Wat als je een beetje ‘anders’ bent dan anderen? Hoe ga je om met sociale media?’ Een meisje schreef bijvoorbeeld anoniem: ‘Mijn moeder zegt dat ik een keer ongesteld ga worden. Als dit op school gebeurt, waar moet ik dan naar toe?’ Of de vraag van een jongen die angst heeft om gepest te worden: ‘Als er in de pauze driehonderd leerlingen in de aula zitten ben ik dan wel veilig?’ Al deze vragen zijn cruciale zaken die de leerlingen bezighouden en waarmee ze niet de zomervakantie in willen gaan. 

Naast alle voorbereidende zaken die de basisscholen al doen is een training of gesprek met leerlingen van iemand die op het vo werkt een grote meerwaarde. Het is veilig om in je eigen klas, met je eigen klasgenoten, juf of meester met elkaar in gesprek te gaan over wat je bezighoudt. Naast het onderwijskundig rapport en de warme overdracht is er zo meer aandacht voor individuele onzekerheden over de overstap.

Liever eerder

Tijdens de eerst week op de nieuwe school komen onderwerpen aan bod om het nieuwe onderwijs te leren kennen, zoals leren leren, cijfers halen, gebruik van digitale programma’s, huiswerkbegeleiding enz. Er zijn scholen die ervoor kiezen om tijdens de start van een nieuw schooljaar een instituut inte schakelen dat zich met name richt op deze informatie. Nuttig en interessant, maar...van te voren weten wat je te wachten staat in de brugklas en wat een tosti kost is heel fijn voordat je de grote stap maakt!

Meer informatie, zie: acting.nu 


Kwestie van lange adem

Onderzoek aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling

Gezinnen waar partnergeweld en kindermishandeling spelen hebben langdurige en specialistische hulp nodig. Pas als het geweld echt helemaal is gestopt, gaat het beter met ouders en kinderen. Dat blijkt uit meerjarig onderzoek dat het Verwey-Jonker Instituut deed bij 576 gezinnen.

Het onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van Augeo Foundation, het ministerie van VWS en dertien Veilig Thuis regio’s. Bij dertig procent van de gezinnen is het geweld anderhalf jaar na melding bij Veilig Thuis gestopt. ‘Dat is mooi en een bevestiging dat het de goede kant opgaat’, aldus prof. dr Majone Steketee, wetenschappelijk directeur van het Verwey-Jonker Instituut en bijzonder hoogleraar intergenerationele overdracht van geweld in gezinnen aan de Erasmus Universiteit.

Zij is voorzichtig optimistisch gestemd door de onderzoeksresultaten uit het in november 2020 gepubliceerde rapport ‘Kwestie van een lange adem: kan huiselijk geweld en kindermishandeling echt stoppen?’ En om op die vraag maar meteen een antwoord te geven: ‘Ja, dat kan, maar huiselijk geweld is een uiterst complex probleem. Er zijn verschillende soorten geweld, fysiek en geestelijk bijvoorbeeld en elke vorm moet anders worden aangepakt. Boven- dien is geen gezin hetzelfde.’ Dat het geweld bij der- tig procent van de gezinnen is gestopt, is vergeleken met eerdere metingen een mooi resultaat. Maar om gezinnen uit de vicieuze cirkel te halen, blijft maat- werk en een integrale aanpak nodig.

Bij ruim vijftig procent van de gezinnen was de thuissituatie anderhalf jaar na melding bij Veilig Thuis nog alles behalve veilig. Steketee: ‘Daar maak ik mij grote zorgen om. Want we weten steeds beter welke schade dat aanricht bij kinderen: traumaklachten, hechtingsproblematiek en emotionele onveiligheid.’ De chronische stress veroorzaakt bovendien een structurele verandering in de waarneming, in het lichaam (stofwisseling) en in het vormen van netwerken in de hersenen (geheugen en reactiepatronen) van het jonge kind. Dat kan ervoor zorgen dat slachtoffers van huiselijk geweld, later als ze zelf kinderen krijgen, plegers worden. ‘Het geweld kan zo generaties lang doorgaan. Daarom is het belangrijk om het hele gezin te helpen: de ouders en de kinderen’, aldus Steketee. Uit het onderzoek blijkt dat vijftig procent van de kinderen aangeeft geen hulp te krijgen, en dertig procent ook geen steun uit de omgeving ervaart. ‘Terwijl deze kinderen hulp hard nodig hebben.’

Veelvuldig en ernstig

In de gezinnen die gemeld worden bij Veilig Thuis is sprake van veelvuldige en ernstige vormen van kindermishandeling. De meeste kinderen (91%) hebben te maken met mishandeling, verwaarlozing of geweld tussen hun ouders. Er is veel geweld (gemiddeld zo’n 74 incidenten op jaarbasis) tussen (ex)partners onderling. In bijna alle gezinnen (90%) komt partnergeweld voor: het kan gaan om fysiek geweld (slaan, schoppen, krabben, bijten, verwondingen), psychisch geweld (vernederen, uitschelden, dreigen) en seksueel geweld. Het geweld tegen vrouwen is frequenter en ernstiger dan het geweld tegen mannen. Partnergeweld gaat vaak samen met geweld tegen kinderen. Bij de meeste gezinnen was sprake van zowel partnergeweld als direct geweld tegen kinderen (57%).

Mattias Gijsbertsen, directeur van het programma Geweld Hoort Nergens Thuis van de ministeries JenV en VWS en de VNG: ‘De informatie uit dit onderzoek en uit onze impactmonitor is cruciaal om te bepalen wat de juiste acties zijn om huiselijk geweld te stoppen. We zien in dit onderzoek positieve resultaten van gezamenlijke inspanningen in de afgelopen jaren. Dit onderzoek helpt ons om samen met partners en regio’s de goede prioriteiten te stellen en nog eerder en vaker het geweld te signaleren en te stoppen.’

Afname niet voldoende

Uit het onderzoek blijkt dat het bij afname van het geweld wel beter gaat met de gezinsleden, maar pas als het echt helemaal is gestopt, is het welzijn van ouders en kinderen toegenomen tot bijna het niveau van de algemene Nederlandse bevolking. Dat is bemoedigend, vindt Mariëlle Dekker, directeur van de Augeo Foundation: ‘Dit onderzoek helpt om bij de aanpak van knelpunten in de jeugdzorg en jeugdbescherming focus te houden op het beoogde resultaat: meer veiligheid en welzijn voor ouders en kinderen die geweld meemaken. Het onderzoek bevat een schat aan gegevens waarmee beleidsmakers en praktijkprofessionals hun werkpraktijk zo kunnen verbeteren dat in steeds meer gezinnen veiligheid en herstel mogelijk wordt.’ Om het geweld te laten stoppen, is het belangrijk dat hulpverleners het geweld durven te benoemen en aan te pakken, geven ouders en kinderen in het onderzoek aan. ‘Dat klinkt misschien als een open deur, maar het gebeurt toch te vaak niet. Vooral lo- kale hulpverleners zijn niet altijd goed toegerust om het geweld aan te kaarten. Zij zouden beter getraind moeten worden in het signaleren en benoemen van huiselijk geweld. Ook als gezinnen zeggen dat de thuissituatie is genormaliseerd, moeten zij waak- zaam blijven. Er is een groot risico dat oude gewelds- patronen weer de kop op steken’, aldus Steketee.

Over dit onderzoek

In 13 Veilig Thuis-regio’s heeft het Verwey-Jonker Instituut anderhalf jaar lang gezinnen met kinderen gevolgd waar partner- geweld of kindermishandeling speelt. Dit gebeurde vanaf het moment van melding bij Veilig Thuis. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van Augeo Foundation, het ministerie van VWS, de G4-gemeenten Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht en negen andere Veilig Thuis-regio’s: Flevoland, Gooi en Vecht- streek, Groningen, Kennemerland, Midden-Brabant, Brabant Noord-Oost, Twente, IJsselland en Zaanstreek-Waterland. Tijdens het onderzoek vulden gezinnen (ouders en kinderen) gedurende anderhalf jaar drie keer vragenlijsten in. Het rapport gaat over de 576 gezinnen die aan alle drie metingen hebben deelgenomen (633 ouders en 978 kinderen). Om inzicht te krijgen in de werkzame elementen van de geboden hulp, zijn er met 74 gezinnen diepte-interviews gehouden.

Opeenstapeling

Uit het onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut blijkt ook dat geweld niet het enige probleem is. Het merendeel van de gezinnen heeft te maken met een opeenstapeling van problemen: armoede, werk- loosheid, alcoholgebruik, opvoedstress, psychische stoornissen. Dit vraagt om een integrale aanpak, met oog voor de samenhang tussen de diverse vormen van kindermishandeling en huiselijk geweld, de aanwezige risicofactoren en de problematiek bij de verschillende gezinsleden.

Afstemming professionals

Afstemming tussen de verschillende betrokken professionals moet dus goed geregeld zijn. Gemeenten kunnen die samenhang stimuleren. Professionals moeten met elkaar processen, werkwijze en expertise afstemmen om tot een gezamenlijk plan voor (en met) het gezin te komen voor de problemen die op de verschillende leefgebieden spelen. In de praktijk is het voor de professionals niet altijd duidelijk wie de regie heeft, en dit geldt ook voor de ouders. Zij hebben veelal met meerdere hulpverleners te maken waarbij niet duidelijk is wie waarvoor verantwoorde- lijk is. Een casusregievoerder per gezin is nodig om helderheid te verschaffen naar betrokkenen. Majone Steketee: ‘De uitkomsten van het onderzoek, hoe positief ook, laten zien dat kindermishandeling en partnergeweld hardnekkig zijn. Begeleiding is een kwestie van een lange adem.’

Weet wat er speelt

Prof. dr. Majone Steketee, wetenschappelijk directeur van het Verwey-Jonker Instituut, vertelt over de rol van het onderwijs bij de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling:‘ De politie is de grootste melder bij Veilig Thuis, het onderwijs meldt weinig. Het is lastig om signalen te herkennen. Er zijn zoveel verschillende situaties en geen kind is hetzelfde. In Engeland was een juf getrouwd met een politieman. Hij vertelde dat een kind in haar klas te maken had met huiselijk geweld. Het verbaasde haar enorm dat ze niets had gemerkt. Dus startte ze een project waarbij de politie het meldt aan school als die bij een gezin aan de deur is geweest. Bij aanmelding van het kind op school vraagt de school de ouders hiervoor om toestemming. De meeste ouders vinden dat goed. Augeo Foundation heeft dit project ‘Handle with Care’ naar Nederland gehaald en veel basisscholen hebben het overgenomen. Het zou ook goed zijn voor het vo om dit te doen. Als je als docent weet dat een leerling ’s avond nare dingen heeft meegemaakt, kun je daar in de klas rekening mee houden. Je gaat niet per se met de leerling in gesprek, je zegt alleen dat je weet van de problemen en dat je daar rekening mee wilt houden. Bijvoorbeeld een toets later maken of geen straf als huiswerk niet is gedaan. Er zijn inmiddels ook initiatieven om op scholen meldingen bij Veilig Thuis als casus te bespreken om het signaleren beter te leren. Alert zijn is belangrijk.’

Huiselijk geweld heeft flinke gevolgen voor kinderen, benadrukt Steketee. ‘Dat geweld zich kan voortzetten in generaties is zorg- wekkend. Een wat minder bekend gevolg is dat slachtoffers van huiselijk geweld 22 keer meer kans hebben een datingslachtoffer te worden dan andere jongeren. Er is nu meer dan vroeger ook aandacht voor psychisch geweld, nog lastiger om te herkennen. Psychisch geweld veroorzaakt vaker traumaklachten, dan zou traumasensitief onderwijs op z’n plaats zijn. Het is ook belangrijk dat je als school weet dat een gezin hulp krijgt, dan kun je ook daar rekening mee houden.’ Steketee wijst erop dat er per klas één of twee jongeren zijn waar iets speelt. ’Er zijn leerlingen die liever niet willen dat school weet wat er speelt omdat school de enige plek is waar ze even ‘normaal’ kunnen zijn. Het mechanisme is om het niet te doen, maar het is beter dat ze het er wel over hebben.’


Stage in het voortgezet speciaal onderwijs

Stage lopen in het vso is een goede manier om studenten van lerarenopleidingen met het passend onderwijs in contact te brengen. Hoe ervaren zij dit? Karen Slot, lerarenopleider en projectleider passend onderwijs op de Hogeschool van Amsterdam, vertelt over de positieve effecten van stages in het vso, samen met twee studenten die de keuze voor deze stage maakten.

Karen Slot

Bij de Les besteedde eerder aandacht aan passend onderwijs en lerarenopleidingen. Het artikel ‘Aandacht voor passend onderwijs op lerarenopleidingen’ (Bij de Les september 2020) ging over de onderzoeken van de tweedegraads lerarenopleidingen van de Hogeschool van Amsterdam (HvA) naar de voorbereiding van studenten op het uitvoeren van passend onderwijs.

De resultaten uit het HvA-onderzoek geven aan dat door het bieden van stagemogelijkheden in het voortgezet speciaal onderwijs, het praktijkonderwijs en tussenvoorzieningen het handelingsrepertoire versterkt op het gebied van leerlingen met een specifieke onderwijsvraag. Daarnaast blijkt dat het aangaan van deze uitdaging en het opdoen van positieve ervaringen in het speciaal onderwijs kan leiden tot het vergroten van de doelmatigheidsbeleving (in de literatuur ook wel aangeduid als ‘competentiebeleving’ of ‘self-efficacy’) van leraren in het onderwijs aan deze leerlingen.

De lerarenopleidingen van de HvA hebben tot nu toe beperkte ervaring met stages bij leerlingen met een specifieke ondersteuningsvraag of zorgvraag. Sinds een aantal jaren geven meer partners van opleidingsscholen zoals Altra, Eduvier (OSOF) en VOvA studenten gelegenheid stage ervaring op te doen. En een steeds groter aantal studenten gaat die uitdaging van de stage in het vso aan.

Sonny, derdejaars stagiair Engels, en Bas, vierdejaars geschiedenis, lopen een stage in het voortgezet speciaal onderwijs in de regio Amsterdam. Wat zijn hun ervaringen en inzichten?

Bas

Bas

Als student bij een docentenopleiding ga je elk jaar praktijkervaring opdoen tijdens de stage. Als student voel je daar elk jaar ook wel enige stress bij. Niet zozeer omdat je geen stage zou kunnen krijgen, maar meer omdat je wel de juiste stage zou willen. Sommige studenten weten allang waar ze stage willen lopen en hadden maanden daarvoor al mailtjes gestuurd naar schoolopleiders van opleidingsscholen. Voor anderen helpt de HvA door een stagemarkt te organiseren, waarbij je als student langs standjes op zoek kan naar die nieuwe interessante stage.

Ik wist eigenlijk nooit zo goed waar ik stage wilde lo- pen. Het liefst een beetje in de buurt, ik wilde vooral gewoon ervaring opdoen en zo leren wat voor soort school en welk type onderwijs bij mij zou passen.

Voor de start van het derde studiejaar was ik zo ook op de stagemarkt en mijn oog was direct gericht op een banner van Altra. Daarop stond namelijk: Jeugd- zorg en Onderwijs. Deze tekst trok me direct aan, want het somt voor mij op wat ik belangrijk vind aan onderwijs: niet alleen de onderwijstaak maar juist ook de zorgtaak.

Tijdens het gesprek met de afgevaardigden van de school kwam bij mij een enorm enthousiasme naar boven. Precies dat wat op die banner staat werd ook gepropageerd. Ja, het is een uitdaging want er zitten allemaal leerlingen met een specifieke onderwijs- vraag en een specifieke persoonlijke situatie die effect heeft op hun gedrag. En ja, daarbij komt ook kijken dat je je als docent deels dient aan te passen aan die situatie. Maar de rol van de jeugdzorg in de school, de begeleiders die je als docent bij je onderwijs kunt betrekken en de aandacht voor elke leerling sprak me enorm aan. Ik was me overigens niet direct bewust van wat een school voor speciaal onderwijs precies inhield en was er wellicht ook wel wat naïef in. Maar het had eigenlijk niet beter kunnen zijn.

Veel mensen zullen schrikbeelden van het speciaal onderwijs hebben. Moeilijke leerlingen, leerlingen met een leerachterstand, drukte. En dat klopt in sommige gevallen ook wel. Tegelijkertijd biedt dat juist de docent een enorme uitdaging. Want:

Hoe zorg ik ervoor dat de leerlingen mee kunnen komen? Hoe ontwerp ik mijn les zo dat wat ik wil overdragen ook blijft hangen? En ook: Hoe zorg ik ervoor dat kwetsbare leerlingen de veiligheid vinden en ervaren die op andere scholen misschien niet vanzelfsprekend is? Meer nog dan op ‘reguliere’ scholen moet je als docent bezig zijn met deze vragen.

En als beginnend docent is dit misschien wel juist de perfecte leerschool. Je zult ook nog meer moe- ten nadenken over de woorden die je gebruikt. Nog meer moeten letten op de manier waarop je de stof wilt behandelen. Nog creatiever moeten omgaan met werkvormen. En natuurlijk, mijn eigen grootste valkuil: structuur bieden! Daarnaast zul je veelal niet om bepaalde leerlingen, soms alle leerlingen, heen kunnen. Kortom, je wordt als docent constant uitgedaagd een docent te zijn.

Deze klassen en deze leerlingen houden je direct een spiegel voor als wat je zegt, doet of hebt bedacht niet werkt. Het is een spiegel die eigenlijk onmisbaar is voor een beginnend docent. En hoewel er veel introspectie in de opleiding zit, en er veel gesprekken met werkplekbegeleiders plaatsvinden, zijn het de leerlingen die je het best en het eerlijkst deze spiegel voorhouden.

Sonny

Sonny

Stage lopen in het vso is een hele bijzondere ervaring. En voor iemand zoals ik, een stagiair die voor- heen alleen ervaring heeft opgedaan in het reguliere voortgezet onderwijs, waren mijn eerste paar dagen op het Altra College zeer bewogen. Ik ontmoette leerlingen die met mij trefbal wilde spelen en docenten met wie ik lachend vergaderingen heb gehouden. Elke dag op deze stageplek is anders dan de dag ervoor. Maar al snel werd voor mij duidelijk dat er één zeer belangrijke constante is voor alle docenten in het vso, en dat is het gedrag dat men toont tegen- over de leerlingen.

Terwijl ik zelf nog bezig ben met het vinden van mijn eigen houding, is er een collega die me iedere keer verbaast met zijn positieve gedrag. Iedereen noemt hem Mo, kort voor Mohamed. En Mo zou het niet heel snel zelf toegeven, maar van al zijn drukke collega’s heeft hij het misschien wel het drukst. Zijn officiële rol is die van hoofdconciërge, maar die titel alleen doet zijn werkzaamheden geen eer aan. Want hij werkt niet alleen achter de schermen, ook voor de schermen werkt hij met de leerlingen. Eén interactie van hem, die ik heb kunnen observeren tijdens mijn pauze, heeft ervoor gezorgd dat ik nu over hem vertel. Ik zat alleen in de docentenkamer te genieten van mijn pauze, toen Mo binnenkwam. Hij was bezig met één van zijn vele ‘achter-de-schermen’-taken: de voorraad koffie en thee bijvullen. Omdat ik niets omhanden had, bood ik Mo aan om hem te helpen. Met wat geaarzel van zijn kant en wat aandringen van mijn kant, accepteerde Mo mijn hulp. Terwijl ik de theezakjes netjes sorteerde op smaak, gaf Mo aan dat hij zo meteen terug zou komen met een leerling die samen met hem koffie en thee zou brengen naar de docenten die aan het lesgeven waren. En zo geschiedde.

Even later kwam Mo terug en hield de deur open voor een jonge leerling. De leerling liep langs mij heen, regelrecht naar het karretje waarmee hij even later met koffie en thee de school door zou gaan. Mo volgde de jongen, tikte hem op de schouder en wees toen naar mij. ‘Wat zeg je ook alweer tegen iemand als je binnenkomt?’ De jonge jongen keek naar mij en zei toen ‘Hallo meneer’. Ik groette terug met een knik en een glimlach. Mo hielp de jongen met het la- den van het karretje. Hij wees de verschillende soorten thee aan, benoemde ze één voor één, en checkte of de jonge jongen de smaken had onthouden.

Toen moest de jongen een schort omdoen. ‘Hoezo moet dat?’ vroeg hij. Mo glimlachte en vertelde over hoe professionals in de horeca ook schorten dragen om ervoor te zorgen dat ze niet vuil worden. De jongen begreep het. Hij deed zijn schort voor en leek opeens meer een jongeman dan een jonge jongen. De jongeman was er klaar voor om thee en koffie aan te bieden aan de docenten. Mo deed de deur open en de jongeman liep de gang op. Maar voor hij ging draaide hij zich om, keek naar mij, en zei ‘Tot ziens, meneer!’

Leerlingen op het vso kunnen op vele wijzen reageren op onze aanwezigheid. Maar als Mo mij iets heeft geleerd, dan is het wel dat wij moeten klaarstaan met een glimlach, een open mind en geduld om onze leerlingen een fijne leeromgeving aan te bieden. Geduld heb je zeker nodig bij deze doelgroep. Want geen enkele dag zal hetzelfde zijn, en alle leerlingen zullen uitdagingen meebrengen. Maar elke uitdaging is een kans op positieve groei. En nu ik al meer dan drie maanden hier stage loop, en deze uitdagingen met beide handen heb aangepakt, heb ik meer vertrouwen in mijzelf dan ooit.

 


Zijn de doelen bereikt?

Een voorbeeld van passend onderwijs anno nu

Decaan en redactielid Yvonne Mulders blikt samen met zorgcoördinator en redactielid Marjolein van Breda-Souman terug op de afgelopen vijf jaar passend onderwijs. Hoe gaat het? Geldt ‘een leven lang leren’ nou echt voor alle leerlingen? Kan elke leerling het beste halen uit zichzelf?

Ha Marjolein,

Op de site van de Rijksoverheid staat bij ‘Doelen passend onderwijs’ beschreven:

‘Alle leerlingen moeten een plek krijgen op een school die past bij hun kwaliteiten en hun mogelijkheden. Dit heet passend onderwijs. Deze vorm van onderwijs moet ervoor zorgen dat elk kind het beste uit zichzelf haalt. Scholen bieden daarom extra hulp aan leerlingen die dit nodig hebben, zoals kinderen me leer- of gedragsproblemen.’ (www.rijksoverheid.nl) 

Natuurlijk willen we dat alle kinderen de plek krijgen die past bij de onderwijsondersteuningsbehoefte. In 2014 is passend onderwijs in werking gegaan. Er waren toen al veel vragen over hoe we in het voortgezet onderwijs een leerling met ondersteuningsbehoefte moeten opvangen. Hoe gaat de docent die hulp implementeren in de lessen of mentoruren, hoe moe- ten we de leerlingen begeleiden? 2,4 miljard euro werd aan de samenwerkingsverbanden gegeven om op eenzelfde manier de ondersteuning op de rit te zetten. We zijn nu in 2020 en wat zijn de resultaten? Het blijkt dat meer kinderen thuis zitten dan de bedoeling was. Is het geld op of wordt het verkeerd besteed? Is het allemaal wel zo gemakkelijk? Is het geld gelijkelijk verdeeld of heeft ieder samenwerkingsverband eigen formulieren en regels? Passend onderwijs omvat heel veel. Zoals het NRC in haar artikel (10 november 2020) beschrijft: ‘Het is een containerbegrip waar bijna het hele onderwijsveld onder valt. Van de leerling met dyscalculie tot die met een meervoudig handicap.’ Ik zal een voorbeeld uit de praktijk geven.

Een collega kwam laatst naar me toe en gaf aan niet meer te weten hoe zij een leerling met een zware vorm van autisme moet begeleiden. Haar begeleidingstijd gaat op aan deze leerling terwijl zij nog 25 leerlingen in de klas heeft die aandacht verdienen. We hebben samen gekeken naar oplossingen voor het begeleiden van deze leerling. De ouders gaven aan dat het op de basisschool beter ging, vooral omdat hij daar een vaste leerkracht had en een vast lokaal. Hij heeft nu dertien verschillende docenten en steeds een ander lokaal. Dat brengt hem enorm in de verwarring. En tel daar de roosterwisselingen eens bij op. We hebben schema’s gemaakt over zijn plek in de klas, hoeveel tijd hij krijgt voor het verplaatsen van het ene naar het andere lokaal, waar hij rustig kan zitten tijdens de pauze en welke leerling er met hem mee pauzeert. Toch zien we het percentage lesuitval bij deze leerling stijgen en dat baart ons zorgen. Mijn collega geeft aan dat zij zeker niet geschoold is om met deze problematiek binnen het onderwijs om te gaan en daar ook geen tijd voor heeft. Ze heeft zich wel ingelezen over vormen van autisme en heeft goed contact met de ouders. Samen proberen we de leerling te helpen, naar hem en zijn ouders te luisteren en hem vooral goed te be- geleiden naar de volgende fase: het mbo. Ik maak me op een leven lang leren. Deze leerling is een uniek mens met kwaliteiten en talenten en deze leerling is géén containerbegrip.

Marjolein hoe kijk jij naar deze materie?

Hoi Yvonne,

Een terechte vraag die past in deze tijd waar de evaluatie van passend onderwijs is gepubliceerd. Ik heb de afgelopen jaren het passend onderwijs op de voet gevolgd en veel met collega’s over dit onderwerp gesproken.

De grote vraag is: zijn de doelen bereikt?

Voordat passend onderwijs werd ingevoerd, groeide het aantal leerlingen met een indicatie. Een van de doelstellingen was dan ook om meer leerlingen door te verwijzen naar het regulier onderwijs en met de komst van deze leerlingen meer geld vrij te maken voor de ondersteuning die zij nodig hebben. Het aantal leerlingen in het speciaal onderwijs is (na een aanvankelijke daling) vijf jaar later hoger dan toen de Wet passend onderwijs in werking trad.

Passend onderwijs moet de zorg binnen de school realiseren, zodat leerlingen met een zorg- en ondersteuningsarrangement onderwijs kunnen krijgen dat bij hun past. Uit mijn eigen ‘onderzoek’ blijkt dat docenten hier geen hoge pet van op hebben. Zo zijn de klassen (vooral in de lagere vmbo-niveaus) nog te groot. De uren voor zorgprofessionals zijn te weinig. De systemen onderwijs en zorg sluiten niet goed op elkaar aan. Er kan dus voor passend onderwijs nog veel verbeterd worden.

Wat jouw collega aangeeft is herkenbaar voor veel docenten. Hoe houden zij hun hoofd boven water?

Wij hebben de afgelopen jaren regelmatig studie- dagen gehad om met elkaar te kijken naar creatieve mogelijkheden om onze leerlingen een passende plek te geven waar ze zich kunnen ontwikkelen. Maar ook hoe docenten ontlast kunnen worden tijdens de lessen, omdat ze nu eenmaal niet de volledige individuele aandacht kunnen geven aan leerlingen die dit nodig hebben.

Zo is er bij ons het Oké-lokaal ontstaan. Een lokaal waar leerlingen terecht kunnen als ze behoefte hebben aan een rustige werkomgeving. Dit lokaal is dagelijks bemand door pedagogisch medewerkers en zorgcoördinatoren. Er wordt samen met het zorgteam, ouders en de leerling een plan gemaakt waarbij ook de doelen voor het Oké-lokaal worden besproken. De doelen variëren van tijdelijk de rust zoeken, leren omgaan met de obstakels die de leerling tegenkomt tot individuele gesprekken over persoonlijke ontwikkeling. Maar een vaststaand doel is altijd: weer terug naar de klas. We werken nu zo’n twee jaar met dit Oké-lokaal en het resultaat is goed. Minder uitgestuurde leerlingen, meer rust in de klas en minder lesuitval bij de leerling.

Uiteraard zou deze manier van passend onderwijs ook op het mbo moeten kunnen. Het is dus belangrijk om samen met de leerling, ouders en zorgcoördinator van het mbo al in een vroeg stadium een plan te maken voor passende begeleiding op het mbo. Hier valt nog veel te halen!

Ook zou er op de lerarenopleidingen en pedagogische academies meer aandacht moeten zijn voor de gediagnostiseerde leerling binnen het vo. Het valt mij nog steeds op dat de jongere collega’s of stagiaires weinig tot geen inzicht hebben in het omgaan met deze leerlingen. Kortom: passend onderwijs is gedeeltelijk gelukt, mede door de creatieve invallen van de vo-scholen. Maar voor sommige leerlingen en docenten is het nog steeds watertrappelen om het hoofd boven water te houden.