Aan de bak met een bezem, veger en blik

Hoe je als school een rol kan spelen in arbeidsparticipatie

De Schoonmaak Coöperatie is een leerwerkbedrijf dat ontstaan is uit een samenwerking tussen drie sociale werkvoorzieningsbedrijven. Hun missie is om als regionaal opererend leerwerkbedrijf optimale arbeidsparticipatie en ontwikkelingsmogelijkheden te bieden voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Dat doet het bedrijf met werk in de schoonmaak, bijvoorbeeld op het Beatrix College in Tilburg.

WSD, Weener XL en de Diamant-groep brachten samen de Schoonmaak Coöperatie tot stand. Amber van Druenen is hier de rayonleider. Van Druenen: ‘Met een gedreven instelling en hart voor hun werk zorgen onze medewerkers voor een hoog-waardig schoonmaakresultaat. Door het schoonmaakwerk op hun locatie kunnen onze medewerkers zich ontwikkelen en mogelijk een stap in hun carrière zetten.’ De Schoonmaak Coöperatie stuurt al haar medewerkers zelf aan. Op grotere locaties gebeurt dat door een groepsbegeleider en op kleinere locaties werken de medewerkers zelfstandig. Zij worden wel met grote regelmaat bezocht, begeleid en gecontroleerd door hun rayonleider. In het Beatrix College in Tilburg, waar een grote groep schoonmakers werkt en wat volgens Van Druenen een grote locatie is, is er ook een groepsbegeleider. 

Commerciële uitdaging

Van Druenen werkt drie jaar als rayonleider. Ze is 28 jaar en heeft de opleiding Maatschappelijk werker en Dienstverlener gevolgd. Zij miste het stukje commerciële uitdaging in haar werk. Dat is de reden dat ze hier nu op haar plek zit. Daarnaast is de doelgroep waar zij mee werkt voor het maatschappelijk belang, en dat is een prachtige combinatie in haar werk. De Schoonmaak Coöperatie is een uitvoerende partij van onder andere de Diamant-groep. Van Druenen: ‘Scholen worden lid en dat zorgt snel voor naamsbekendheid van onze coöperatie. Veel scholenstichtingen hebben meerdere scholen onder hun dak. Als we bij de een binnen zijn, dan volgen de andere scholen in de stichting ook.’ 

‘De leerlingen respecteren de schoonmakers’

Binnen het Beatrix College ervaren de onderwijsmedewerkers de schoonmaakploeg als plezierig. Van Druenen: ‘Vooral met een groot aantal medewerkers is er tijd voor een praatje, is het contact goed en is er zelfs aandacht als iemand van de ploeg met pensioen gaat of vertrekt naar een andere locatie.’ Van Druenen geeft aan dat ook bij nieuwe klanten, dus nieuwe panden, de reacties positief zijn. ‘We werken voornamelijk in overheidspanden, niet in de avonduren, maar overdag. Dat vraagt soms wat aanpassingen, maar die aanpassing is er snel.’

Participatiewet

De schoonmakers vallen onder de Participatiewet of onder de Wet sociale werkvoorziening. De Participatiewet zegt dat iedereen die kan werken maar het op de arbeidsmarkt zonder ondersteuning niet redt, onder deze wet valt. Deze wet moet ervoor zorgen dat meer mensen werk vinden, ook mensen met een arbeidsbeperking. De Participatiewet is in de plaats gekomen van de wet Werk en Bijstand, voor mensen in de sociale werkvoorziening (WsW’er) en een groot deel van de Wajong. Wie op 31 december 2014 WsW’er was, behoudt zijn/haar baan en salaris. Wie op 1 januari 2015 in dienst kwam gelden andere uitkeringen. Dat kan ook een arbeidsongeschiktheidsuitkering zijn. Van Druenen: ‘De Participatiewet biedt mogelijkheden tot ontwikkeling en doorstroom van het personeel. Dat is een groot voordeel. Hoewel we sommige medewerkers juist niet laten doorstromen omdat ze dat niet kunnen of omdat ze het niet willen. Als ze kunnen, moeten ze eigenlijk altijd doorstromen naar regulier werk. Soms levert verandering juist stress op bij medewerkers, anderen zien het weer als een uitdaging om op een andere plek te gaan werken.’

Omgaan met pubers 

Het is mooi  om het personeel van de Schoonmaak Coöperatie tussen de pubers aan de slag te zien. Van Druenen: ‘De leerlingen respecteren de schoonmakers. We zien juist een verbondenheid omdat leerlingen na de pauze ook zelf aan de bak moeten met een bezem en veger en blik. Heel af en toe maken leerlingen opzettelijk rotzooi of laten ze troep achter als het net is schoongemaakt. Dat trekken de medewerkers van de schoonmaakploeg zich persoonlijk aan, terwijl ik probeer duidelijk te maken dat het niet tegen hen is maar een soort van kat en muis spel. Ik maak hen duidelijk dat het pubers zijn, die weleens wat uithalen. De teamleiders van de leerlingen zetten er overigens wel meteen actie op. Heel fijn dat die samenwerking er is.’ Het leukste in het werk ziet Van Druenen in de combinatie van het werk. De ontwikkelingen bij medewerkers en de veilige plek die het Beatrix College ze biedt. Van Druenen: ‘De uitdaging zit hem in nieuwe trajecten die in het begin moeizaam gaan en die na verloop van tijd slagen. Nieuwe medewerkers moeten even een plekje vinden, maar voelen zich snel veilig. Ze krijgen snel binding met de pubers en het
onderwijspersoneel.’ 

Maatschappelijk belang

Als scholen of andere overheidsgebouwen nog niet de stap hebben genomen om de medewerkers van dit leerwerkbedrijf in te zetten, heeft Van Druenen de volgende boodschap: ‘Het is zo ontzettend nuttig om deze mensen in de maatschappij op te nemen. Het integreren als belang van het maatschappelijk ondernemen. Het is een leerstuk voor ons allemaal.’ Zo ziet Van Druenen ook veel voorbij komen wat de medewerkers van het leerwerkbedrijf gelukkig maakt. ‘We hebben een medewerker die altijd opgewekt is, iedereen groet. Ze is enorm trots op de waardering die ze krijgt. Het wordt binnen de school zo normaal dat ze op de afdeling is. Het is een stukje puurheid wat in haar zit, wat het zo mooi maakt voor leerlingen en onderwijspersoneel. Ze schrijft kaartjes voor mensen die jarig zijn, breit of haakt van alles en geeft dat cadeau. Het betekent ook dat dit alleen kan als ons personeel zich veilig voelt in een omgeving die veiligheid biedt.’

‘Het is een leerstuk voor ons allemaal’

Amber van Druenen

Trots

De medewerkers van de Schoonmaak Coöperatie zijn er trots op dat ze een baan hebben en dat ze hun eigen geld verdienen. Ze voelen zich ook verantwoordelijk voor de afdeling waar ze staan ingepland. Sommige schoonmakers maken stappen in het ontwikkelproces. Die gaan iets meer doen of iets anders. Het voelt voor die mensen als een stapje naar meer zelfstandigheid. Van Druenen: ‘De veiligheid die de school biedt, heeft hier zeker een rol in. Als schoonmakers waardering krijgen of complimenten, dan groeit het zelfvertrouwen bij hen. Het is fijn om te merken dat de schoonmakers onderdeel zijn van de school. Ook zij doen ertoe!’ 


Een technieklandschap vol ervaringen

Sterk Techniek Onderwijs door de (VR-) bril van een regiopartner

Sterk Techniek Onderwijs is in opmars. De ontwikkelingen op het gebied van techniek en technologie gaan razendsnel. Dat vraagt om continue inhoudelijke afstemming van onderwijsaanbod op de behoeften van de arbeidsmarkt. De ambitie is om met alle samenwerkingspartners (po-vo-mbo-bedrijven) een duurzaam en kwalitatief technisch en technologisch onderwijs te ontwikkelen. In de regio West-Brabant wordt dit onderwijs met een gemeenschappelijke leidraad vorm gegeven vanuit vier sub-regio’s.

Charlotte Groenhout werkt bij Curio, is voorzitter van de decanenkring vmbo uit de regio Breda en omstreken en maakt deel uit van de stuurgroep die de techniekmanifestatie Game On West-Brabant organiseert. Voor Sterk Techniek Onderwijs (STO) is Groenhout accountmanager van twee regio’s die de naam Techniektalenten heeft en die inhoud geven aan de doelstellingen van de techniekprogramma’s in de regio. 

‘Ook de ontwikkeling van de docent is belangrijk’

Charlotte Groenhout

Groenhout: ’De leerlingen in de regio West-Brabant hebben het niet makkelijk. Ik focus mij op deze regio omdat ik enerzijds hier werk en anderzijds hier een groot netwerk heb kunnen opbouwen door de verschillende rollen die ik heb.’ Het loopbaanleren dat op iedere vo-school aandacht verdient staat vooral voorop in het ontdekken van wat je kunt en waar je talenten liggen. Veel scholen steken veel tijd in allerlei projecten om te kunnen ontdekken waar en hoe de leerling het beste uit zichzelf kan halen. Groenhout: ‘Hoewel ik nauw betrokken ben bij alle ontwikkelingen die er in de regio zijn, is het ook voor mij lastig om al die goede en mooie initiatieven rondom opleidingen, innovaties, activiteiten, events en projecten in beeld te krijgen.’

Netwerk

Groenhout haalt graag een voorbeeld aan waarom zij trots is op haar netwerk en hoe het ingezet kan worden. ‘Iedere zaterdag ga ik hier met een smile naar de markt, waar ik na 25 jaar nog steeds door een oud-leerling als ‘juf’ aangesproken word. Ik ben trots, trots op die leerling in mijn klas die geen zin had om naar school te gaan, die niet in de boeken wilde staren. Ik zag wel zijn kwaliteiten en zijn talent. Hij was een aanpakker, een teamplayer, kreeg iedereen mee. Hij wilde niet op een stoel zitten, maar hij wilde sjouwen, werken, onder de mensen zijn. Zijn mooie, blije koppie, en de focus op zijn toekomst maakte dat ik voelde dat ik hem daarbij kon helpen, hem kon sturen en daar had ik mijn netwerk voor nodig.’

Netwerken is wat Groenhout heel concreet vanuit het STO doet. Voor het onderwijsaanbod komen nieuwe keuzevakken, die gericht zijn op de technologische innovaties binnen de top sectoren. Het aanbod voor activiteiten, in samenwerking met het bedrijfsleven, breidt zich uit en is gericht op het ontdekken van techniek en technologie. Het organiseren van loopbaanactiviteiten, zoals gastlessen en bedrijvenbezoeken, pakken de scholen op. Dit is een samenwerking tussen bedrijven en vervolgonderwijs die in de regio actief zijn. De grote techniekmanifestatie Game On gaat, in hybride versie, door en is hopelijk volgend schooljaar weer live, zodat de bedrijven zelf de leerlingen kunnen ontvangen. Veel scholen pakken de Lego League zelf op. De focus op meisjes in de techniek krijgt mede vorm door het organiseren van speeddates met dames uit de techniek en Girls Day krijgt in de regio een vast programma. 

Groenhout: ‘Dit alles bleek in coronatijd lastig, maar we gaan wel door. Nu we allemaal de handen in een geslagen hebben, moeten we het ook aanpakken. Lukt het niet ‘live’, dan maken we er online iets tofs en interessants van. Nee, de praktijk is mooier, het echte ’zien en voelen’, maar we kunnen niet wachten, want onze leerlingen staan voor belangrijke loopbaankeuzes. Door de activiteiten voor te bereiden met de leerlingen zelf en te reflecteren, maken we er echt iets van. We kijken naar de behoefte van de leerlingen en ook de docenten nemen we daar in mee.’

Loopbaankeuze

Het unieke is het samenwerken aan de doelstellingen binnen het STO-programma met het po, vo, de bedrijven, de gemeentes, het mbo en het hbo. Iedere partij ziet dat een regio brede visie op loopbaanleren belangrijk is en meer inhoudt dan het enkel organiseren van een activiteit. Het moet betekenis krijgen. Een plek binnen het landschap, waar de leerling doorheen wandelt. Ervaren wat techniek is. Het beroepsbeeld helder krijgen, de praktijk ervaren. Daarin kunnen skills en competenties gekoppeld worden binnen het loopbaanleren. Een win-win situatie. Groenhout: ‘Als alle partijen het er over eens zijn, dan is het makkelijker om het de leerling uit te leggen. De loopbaan van de leerling, maar ook de ontwikkeling van de docent is belangrijk. Wat ik nu nog groter heb kunnen maken is, dat ik mag bijdragen aan de ontwikkeling van het landschap waarin onze leerlingen hun loopbaan richting kunnen geven en ze de ruimte kunnen pakken om zich te ontwikkelen. We leven in een complexe en snel veranderende wereld. Dit is vooral het afgelopen jaar gebleken, toen ons onderwijs ineens online gegeven moest worden. Echter, er moeten keuzes gemaakt worden en voor de leerlingen is een van die keuzes een loopbaankeuze: ‘Welk profiel past bij jou?’, ‘Welke vervolgopleiding kies je?’, ‘Waar ga je stage lopen’ en ‘Welk beroep past bij jou?’ Kunnen zij daar antwoord op geven nu we maar steeds blijven zeggen en zien dat de banen van nu er over tien jaar niet meer zijn? Een leven lang ontwikkelen dat geldt voor iedereen.’

‘Techniek en technologie is zo veel meer’

VR-bril 

Groenhout leert veel van leerlingen, ouders, collega’s en bedrijven. Ze komt veel fantastische mensen tegen die samen met haar het landschap voor de leerlingen vorm willen geven. Ze is van mening dat de leerlingen op grond van hun intrinsieke waarden keuzes kunnen maken. Daardoor kunnen de leerlingen beter vertellen wie ze zijn. Groenhout: ‘Ze kunnen aangeven waar hun kwaliteiten liggen en wat hun ambitie is. Een ambitie aangeven als je in het tweede leerjaar op het vmbo zit, dat is niet makkelijk. Door de leerlingen mee te laten wandelen door het grote landschap waarin ze ervaringen op doen en blij worden van de dingen die ze tegenkomen, ontdekken ze wat bij hen past. Leerlingen de mogelijkheid geven om de wereld te verkennen met bijvoorbeeld een VR-bril, robots of met allerlei nieuwe technische gadgets voor de telefoon. Maar ook binnen andere sectoren is technologie belangrijk. Denk aan het boodschappen doen zonder kassa in de winkel, de technologische ontwikkelingen in de zorg en de ontwikkelingen van de biobased technologieën. We blijven niet hangen bij het ontwikkelen van kennis en vaardigheden, wat helaas nog altijd voorop staat in ons onderwijs, maar we leren ze hiermee vooral kijken naar hun persoonlijke mogelijkheden, ontdekken wie ze zijn en wat hun drijfveren zijn.’

Game On

Een van de activiteiten die dit jaar in hybride vorm door ging, is Game On West-Brabant. In samenwerking met onderwijs, overheid en bedrijfsleven werd Game On voor het derde jaar georganiseerd. Via de expeditie van de zeven werelden van techniek, ontdekten de leerlingen op een leuke en realistische manier welke wereld van techniek en technologie het beste bij ze past. De bedrijven uit de regio hebben zich in deze werelden, profiel overstijgend, gepresenteerd. Game on is techniek en technologie zien, doen en ervaren. Tijdens twee dagen worden leerlingen van het voortgezet onderwijs (klas 1 en/of 2 vmbo, havo en vwo) in de regio West-Brabant uitgenodigd om mee te doen. De kinderen bezoeken Game On in groepjes, begeleid door studenten van verschillende mbo-colleges. Interactie en doen staan voorop. Via Game On promoten de initiatiefnemers techniek bij de medewerkers van de toekomst. Ze bieden dit aan op interactieve techniekpleinen die ingedeeld worden per sector, zoals maritiem, machine- en apparatenbouw, logistiek en transport. Maar er is ook ruimte voor thema’s als agri & food, de medische sector, energie (clean en groen) en gebouwde omgeving, want ook in deze sectoren speelt technologie een cruciale rol.

Zaterdagmarkt 

Juist door deze prachtige initiatieven en activiteiten ziet Groenhout bij haar leerlingen wat ze aanspreekt. ‘Techniek en technologie is zo veel meer dan dat wij ze tot nu toe laten zien. We moeten de handen ineen blijven slaan om tot onze gewenste doelen te komen. Mooi om te zien hoe leerlingen openstaan voor technologie en hoe zij het beeld van de veranderende wereld koppelen aan wat ze willen en kunnen. Wat zou het fijn zijn als ik op de zaterdagmarkt nog meer leerlingen tegenkom die hun keuze gemaakt hebben op basis van alle aangeboden initiatieven. Dan ben ik super trots. Niet op mezelf maar op de leerlingen, die kansen gepakt hebben.’

 


Kiezen voor de toekomst

Hoe oriënteren vmbo-leerlingen zich op banen in een onzekere toekomst?

Hoe trekken we als onderwijs en bedrijfsleven gezamenlijk op om vmbo-leerlingen optimaal voor te bereiden op een onzekere toekomst? Een handreiking van het bestuur van het Platform vmbo Dienstverlening & Producten.

Onzekerheid

De coronacrisis zal door de schoolsluitingen de geschiedenisboeken ingaan als een periode met grote impact op het onderwijs. Het effect op het sociale leven, op het leren van onze vmbo-leerlingen en de zorgen rondom leerachterstanden van leerlingen is groot. De grote opdracht die het onderwijs na deze crisis wacht is hoe we leerlingen leren omgaan met die ervaringen en veranderingen. Want hoe bereiden we als onderwijs en bedrijfsleven onze leerlingen voor op een onzekere toekomst? 

‘Investeren in deze jongeren betaalt zich later terug’

Scholen bereiden leerlingen binnen het vmbo voor op hun toekomst door het aanbieden van praktijkgericht onderwijs op verschillende manieren, zowel binnen als buiten de school. In de bovenbouw van het vmbo oriënteren leerlingen zich in profielen op mogelijke vervolgopleidingen en het werk dat ze uiteindelijk willen doen. Er zijn negen beroepsgerichte profielen en één breed oriënterend profiel: Dienstverlening & Producten (D&P). D&P biedt de mogelijkheid om het onderwijs flexibel in te richten en maatwerk te leveren, dit is mogelijk door de contextarme formulering van leerdoelen in het examenprogramma. 

Uitstel keuze

Op dit moment volgt bijna dertig procent van alle beroepsgerichte vmbo-leerlingen het profiel D&P. In samenwerking met het bedrijfsleven en het vervolgonderwijs oriënteren leerlingen zich op uiteenlopende arbeidsgebieden. Zij stellen studie- en beroepskeuze uit door pas in klas 4, in plaats van klas 2, een weloverwogen keuze te maken. Daardoor zijn ze beter voorbereid op de overstap naar het vervolgonderwijs en vallen ze minder vaak uit. In tegenstelling van wat vaak wordt gedacht: bij het profiel D&P is het ook gewoon mogelijk om na klas 2 voor een richting te kiezen. Dit onder het mom van brede keuzemogelijkheden waar het kan en smallere mogelijkheden waar het moet. Leerlingen kunnen bijvoorbeeld keuzevakken doen in een bepaalde richting, maar kunnen ook verschillende keuzevakken kiezen om zich breed te oriënteren. Een kwart van alle D&P leerlingen stroomt door naar een vervolgopleiding in de sector techniek. Veel van deze leerlingen overwegen die keuze in eerste instantie niet, maar krijgen een heel ander beeld van deze sector tijdens hun oriëntatie.

Aansluiten bij de regio

Vmbo-leerlingen zoeken vaak hun toekomst in de regio waarin zij opgroeien en leren het beste midden in de maatschappij. Binnen het profiel D&P doen leerlingen brede sector overstijgende praktijkervaringen op bij bedrijven, instellingen en het vervolgonderwijs in hun regio. Bedrijven en instellingen maken daardoor vroeg kennis met hun potentiële medewerkers. Investeren in deze jongeren betaalt zich later terug door loyale en trouwe collega’s die al bekend zijn met het bedrijf. Dit vraagt om een andere grondhouding en nieuwe vaardigheden van leerlingen en docenten. Door adequate begeleiding, maatwerk en differentiatie door de docenten kunnen leerlingen leren om hun ervaringen te gebruiken, om zichzelf te ontwikkelen en verantwoorde keuzes te maken. Door leerdoelen te koppelen aan maatschappelijke gebeurtenissen zoals de coronacrisis, leren leerlingen zich open te stellen voor andere onderwerpen en onderwerpen met elkaar te verbinden. Leerlingen leren hierdoor vroeg dat een ‘leven lang leren’ een vereiste is om adequaat te blijven functioneren op de arbeidsmarkt en in het sociaal maatschappelijk leven. Per slot van rekening kan een leven lang leren gaan om bijleren, maar ook over omscholen.

Uitdagingen

Naast de corona-crisis kennen vmbo-scholen ook andere uitdagingen voor de toekomst. In krimpregio’s is het lastig om een breed onderwijsaanbod in stand te houden. Juist in deze regio’s kunnen collega-scholen onder de paraplu van het profiel D&P samen tot een zo breed mogelijk onderwijsaanbod komen. Bijvoorbeeld door het opzetten van leerlijnen op regionaal niveau en het aanbieden van keuzevakken in co-creatie met collega-scholen, bedrijven en het mbo. Zo heeft een D&P school samen met de opleiding Veiligheid en Vakmanschap van een roc een route voor vmbo-leerlingen gemaakt die geïnteresseerd zijn in Safety & Security. Daarnaast kan een relatiemanager zorgen voor het verbinden, opbouwen en onderhouden van deze relaties, van vmbo tot en met hbo. Dit ‘onderhoud’ moet gericht zijn op persoonlijke contacten tussen leerlingen en ondernemers en tussen leraren en het bedrijfsleven. Zo worden meer leerlingen bereikt en geïnformeerd over beroepen waarvan zij het bestaan nog niet wisten. 

‘Laat de jongeren zich breed oriënteren’

Kortom, leerlingen staan voor de lastige opgave om in deze onzekere tijd keuzes te maken voor hun toekomst. Laat de jongeren zich breed oriënteren en ervaringen opdoen in de mogelijkheden die zij hebben in onze maatschappij, zodat zij allemaal hun plek kunnen vinden in de samenleving van morgen.

Waarom Dienstverlening & Producten?

Het examenprogramma van het profiel D&P biedt scholen de ruimte en kansen om vanuit het examenprogramma een schooleigen onderwijsprogramma D&P in te richten, zoals dat past bij de scholen, hun expertise en de sociaaleconomische karakteristieken van de regio. Dit heeft tot gevolg dat scholen werken met en aan diverse varianten van D&P programma’s. De deur naar de eigen ambitie van de school staat open, er is veel ruimte om een eigen wending te geven aan het onderwijsprogramma. De toekomst biedt ruimte en kansen voor het D&P profiel vanwege de mogelijkheden die het biedt aan de scholen. 

Het Platform D&P maakt zich sterk voor scholen om deze ruimte te benutten. 

Meer informatie: www.platformdenp.nl


Mensen en hun talenten

De NVS-NVL heeft een nieuwe coördinator voor de Academie: Kristella Hak. Vanuit haar achtergrond, ervaring en belangstelling was deze functie voor haar een logische stap. Daarover vertelt ze in dit interview.

Per april is Kristella Hak de coördinator van de NVS-NVL Academie. Zij volgt Ellen Rozeman op, die de Academie in 2016 met veel enthousiasme opzette. Waarom solliciteerde ze op deze functie? Hak: ‘Onderwijs en het begeleiden van mensen vind ik interessant. Ik ben zelf bezig geweest met het maken, geven en coördineren van trainingen, ook op het gebied van loopbaanbegeleiding. Ik heb ervaring met HR in het bedrijfsleven. Ik wilde graag meer richting werk met een maatschappelijke betekenis, wat het onderwijs bij uitstek is. Er is nu, na de startjaren, veel te doen om de Academie verder uit te bouwen en af te stemmen met het aanbod van de Academie van de VvSL waarmee de NVS-NVL fuseert. 

‘Samen verder werken aan nieuwe ontwikkelingen’

Ik vind het ontzettend leuk om hier samen met anderen aan te werken. Ik ontmoet collega’s met zo veel kennis, ervaring en vooral passie voor loopbaanbegeleiding en het ondersteunen van leerlingen. Dat inspireert me enorm.’ Hiernaast werkt ze ook nog bij European Leadership University, een online universiteit waar ze samen met trainers programma’s maakt voor mensen in het bedrijfsleven. ‘Het gaat daar vooral over tech skills waar op de arbeidsmarkt te kort van is.’

Uitzoomen

Hak vertelt dat haar belangstelling uitgaat naar leren en onderwijs. ‘Terugkijkend zie ik dat ik steeds stappen maak op dat gebied, vooral richting talentontwikkeling. Ik vind het mooi om te zien als mensen ‘het beste uit zichzelf halen’. Mensen vind ik interessant, dat staat bij mij centraal.’ Na het vo ging ze Taal- en Cultuurstudies studeren. ‘Dat is een brede opleiding waarbij je voor een groot deel je eigen programma samenstelt, je kunt je in van alles ontwikkelen, dat past bij mijn nieuwsgierigheid en brede interesses.’ Als meisje wilde ze juf worden. Toch heeft ze niet voor werk in het onderwijs zelf gekozen. Daarover denkt ze even na. ‘Ik denk dat ik beter ben in kaders of voorwaarden maken voor anderen waarmee ze zelf verder kunnen. Ik zit liever aan het systeem dan in het systeem, beschouwend en uitzoomend. In een gesprek bijvoorbeeld doe ik mee, maar na een tijdje stap ik eruit en ga ik kijken, denken, analyseren: Wat doen we eigenlijk? Wat is er nodig? Hoe verder? En ook nog verder: Hoe zou het moeten zijn? Dus moet ik niet zelf in een klas aan de slag. Wel, zoals met deze baan, in de voorwaardenscheppende sfeer. Ik ben ook geen specialist, meer een generalist.‘

Samen verder

Er moet de komende tijd voor de Academie heel wat gebeuren. ‘Heel belangrijk natuurlijk: verder gaan met de positionering van alles op de scholen dat niet vakinhoudelijk is. Dus het begeleiden en ondersteunen van leerlingen op alle gebieden, loopbaanontwikkeling, passend onderwijs, keuzes maken. Hierbij helpen wij professionals in de scholen om dat te kunnen doen door ondersteuning en scholing te bieden. Dat ik zelf niet uit het onderwijs kom heeft ook voordelen. Die expertise is in beide verenigingen volop aanwezig en ik kijk daarnaar met een onbevangen blik.’ Als tweede benoemt Hak de fusie met de VvSL. ‘De twee academies van de verenigingen gaan samen verder, er is overlap, we moeten dingen afstemmen en samen verder werken aan nieuwe ontwikkelingen, passend bij de toekomst van het onderwijs. We gaan kijken hoe we dat gaan doen. Daarvoor gaan we op zoek naar een gezamenlijke identiteit.’

Weten wie je bent

Net als in het bedrijfsleven heeft het onderwijs te maken met een snel veranderende wereld. ‘Daar moeten we zo snel mogelijk op inspelen: Wat gebeurt er en wat komt er aan? Juist voor het onderwijs is dat essentieel,’ geeft Hak nadrukkelijk aan, ‘want daar zitten de mensen voor de toekomst. Je moet er vooral voor zorgen dat je wendbaar bent. Corona is een goed voorbeeld van de noodzaak om snel te kunnen veranderen en hoe belangrijk flexibiliteit is.’ Wat zijn volgens haar belangrijke skills voor de toekomst? ‘Skills benoemen voor de toekomst is moeilijk en een valkuil. Het belangrijkste is dat je kunt omgaan met veranderingen, daarin moet het onderwijs voorop lopen. Daar hoort veerkracht bij, dat heb je nodig als alles anders gaat dan je verwacht. In een omgeving waar veel gebeurt en verandert kun je verdrinken. Het is dan vooral belangrijk dat je uitgaat van jezelf en weet wat je wilt. Dus is het nodig om te leren wie je bent, wat je kan en wat je drijft. Dit alles als een basis voor jezelf, een zekerheid om te leven en werken in een voortdurend veranderende samenleving.’

‘Leren wie je bent, wat je kan en wat je drijft’

Kristella Hak

Hak vertelt nog even over haar inzet voor ‘AM Talent dat het maakt’, een community voor jong vrouwelijk talent in Nederland. ‘Dat doe ik naast het werk. We zetten ons in voor een gezondere en veiligere werkvloer voor vrouwen die daarin verder kunnen groeien. We willen er voor zorgen dat alle vrouwen volwaardig mee kunnen doen in de maatschappij en dat het bedrijfsleven hier een representatieve afspiegeling van is. Dat doen we onder andere met trainingen en netwerkbijeenkomsten. Dit onderwerp gaat ook over gelijke kansen voor jongeren en hoe je keuzes maakt in het leven, ook een LOB-onderwerp.’ 

Ze heeft het gevoel dat de functie van coördinator van de Academie bij haar past als persoon. ‘Ik ben dankbaar voor deze rol en het fijne team en kijk uit naar de komende periode. Zo wens ik dat ook voor anderen. Met dit werk zet ik me daar graag voor in.’


Durf te experimenteren

Hoe een innovatielab leerlingen voorbereidt op de toekomst

De afdeling PIE (Produceren, Instaleren en Energie) van het Pantarijn in Wageningen heeft als eerste in Nederland een Makeblock Innovation Space geopend. Een innovatielab met als doel om leerlingen beter voor te bereiden op de toekomstige arbeidsmarkt door ze de juiste 21e -eeuwse vaardigheden en kennis aan te bieden.

De Makeblock Innovatie Space is tot stand gekomen door een samenwerking tussen Makeblock, RSG Pantarijn en Techni Science. Hiermee kun je  binnen de doorlopende leerlijn een centrale plek creëren waar alle middelen voorhanden zijn om leerlingen met nieuwe en bestaande technologieën goed voor te bereiden op hun toekomst. De banen van nu vragen om andere vaardigheden en eigenschappen van de leerlingen dan we voorheen gewend waren. In de Makeblock Innovation Space krijgen leerlingen de mogelijkheid deze vaardigheden op te doen. Programmeren, robotica, lasersnijden, 3D printen en andere nieuwe technologieën worden op een laagdrempelige manier aangeboden. Joost Tax van RSG Pantarijn is docent techniek en de kartrekker van dit project. Ik heb met hem gesproken over het tot stand komen van de Makeblock Innovation Space. 

Wie is Joost Taks en wat heb je als kartrekker gedaan om dit project te realiseren?

Nou, ik moet eerlijk zeggen dat ik kartrekker ben, maar dat we het techniekonderwijs als team hebben vormgegeven. Elke schakel binnen ons team heeft zijn eigen kwaliteit. De laatste jaren hebben we een enorme ontwikkeling doorgemaakt op ons techniekplein. De laatste ontwikkeling is het supermooie nieuwe innovatielab, de eerste Makeblock Innovanion Space (MIS) van Europa. Drie jaar geleden zijn we begonnen om het techniekplein te reorganiseren. We startten met de werkplekken overzichtelijker in te richten, we hebben oude machines vervangen en nieuwe keuzevakken vormgegeven zoals domotica, automatisering en duurzame energie. Verder hebben we het gehele onderbouwprogramma op de schop gegooid en veranderd zodat het beter aansluit op het profielvak PIE en op de vernieuwde technologieën. Dit gaan we onder andere vormgeven in het innovatielab waar we ook basisscholen gaan ontvangen om de leerlingen kennis te laten maken met techniek. Kortom, we hebben veel aangepast met als doel het Techniekonderwijs binnen Pantarijn aantrekkelijk en kwalitatief te innoveren. 

Waarom zet jij je zo in voor vernieuwing in het onderwijs?

Door het sterk techniekonderwijs komen er middelen vrij, die je goed kunt gebruiken om meer mensen warm te maken voor techniek in de breedste zin. Om nu de jeugd te enthousiasmeren voor techniek, vind ik het belangrijk om met de nieuwe technieken mee te gaan. 

Hoe zet je de MIS in de praktijk in?

In de praktijk willen we de Innovation Space breed gaan inzetten. Er is een centrale plek gecreëerd waar alle middelen voorhanden zijn om leerlingen met nieuwe en bestaande technologieën goed voor te bereiden op hun toekomst. De banen van nu vragen om andere vaardigheden en eigenschappen van de leerlingen dan we voorheen gewend waren. In de Innovation Space krijgen leerlingen de mogelijkheid deze vaardigheden op te doen. Voor leerlingen die vanuit het po naar het vo gaan. werken we met een speciaal programma. De leerlingen van groep 8 krijgen hiervoor een uitnodiging en komen een middagje op locatie. Binnen het vmbo gaan we lessen verzorgen van klas 1 tot en met 4 en we gaan daarin ook de samenwerking aan met het mbo om voor een goede doorstroom te kunnen zorgen naar het mbo. 

Kun je wat meer vertellen over je ervaringen met de producten van Makeblock? 

Mijn eerste kennismaking met Makeblock was de M-Bot. Met deze robot maakten we kennis tijdens de ExPIErience 2019 van Platform PIE. We hebben er toen een aantal van aangeschaft om meer met robotica in de onderbouw te kunnen doen en ook leerlingen van het basisonderwijs hiermee in aanraking te laten komen. Gaandeweg hebben we onze plannen meer vorm gegeven en gingen we in gesprek met de directie om een innovatielab te creëren. Om het innovatielab ook een goede didactische invulling te kunnen geven, kwamen we in contact met Techni Science. Na een presentatie waren we verkocht en kwamen we met heel veel verschillende super gave producten in aanraking. 

STEAM-onderwijs verovert langzaam maar zeker een plek in de klas. STEAM is een afkorting van Science, Technology, Engineering, Art en Mathematics. Hoe belangrijk is voor jullie het STEAM-onderwijs en hoe pas je dat toe?

Laten we voorop stellen dat STEAM-onderwijs voor ons een nieuwe manier van werken is. En het is de perfecte manier om de huidige leerlingen te benaderen. Onderwijs en leerlingen veranderen continu. Zelf kom ik uit de generatie Y, maar de leerlingen van nu zijn van generatie Z. Daar zitten wezenlijke verschillen in. 

‘Leerlingen vinden hun antwoorden door te googelen’

Deze leerlingen vinden hun antwoorden door te googelen. Een groot verschil met vroeger is dat de leerlingen sneller afhaken als het ze niet interesseert. Daarom is het belangrijk dat leerlingen eigenaar worden van hun eigen leerproces door ontdekkend en ontwerpend te leren. Het mooie van deze manier van lesgeven is, dat het niet alleen voor techniek toepasbaar is. Je kunt STEAM bij alle vakken toepassen. Als docent moet je je onderwijs anders gaan organiseren en inrichten. Voor onze school zou ik dan ook graag zien dat we dit breed gaan inzetten. Zowel door middel van vakoverstijgend werken als STEAM inzetten bij andere vakken. Op het techniekplein zullen we met STEAM-onderwijs starten bij het aanbieden van wetenschap en technologieprogramma’s voor de basisscholen en klas 1 en 2 in het huidige geüpdatet programma. Wanneer dit draait gaan we het proberen door te voeren bij klas 3 en 4. 

Wat zijn je ambities rondom het vernieuwende onderwijs?

Door het vernieuwde onderwijs willen we meer leerlingen enthousiast maken voor techniek. Door een mooi programma neer te zetten voor de po-scholen en klas 1 tot en met 4 op het vmbo willen we zorgen dat er meer leerlingen gaan doorstromen naar het mbo binnen het techniekonderwijs. Verder hopen we dat we als school een voorbeeldfunctie mogen hebben voor de regio, waar andere scholen hun voordeel mee kunnen doen.


De logica van de harmonica

Experiment: opleiden voor brede inzetbaarheid

De Servicemedewerker is een allrounder, een gastvrije duizendpoot en de uitgestoken hand van een organisatie. Hij stelt zich ondersteunend, dienstverlenend en servicegericht op. Hij is proactief, houdt rekening met en speelt in op de behoefte en verwachtingen van bezoekers. Hij beschikt over communicatieve vaardigheden in het Nederlands en Engels, is sociaal, alert en integer. Hij werkt volgens richtlijnen en procedures, is stressbestendig en altijd klantvriendelijk. Hij werkt nauwkeurig en koppelt op de juiste manier terug naar zijn leidinggevende. Kortom, de ideale medewerker voor een bedrijf of organisatie.

Het arbeidsmarktperspectief voor studenten in het mbo op niveau 2 is niet altijd positief. Wat doe je met deze doelgroep die elk jaar in groten getale voor de deur staat? Mbo-instellingen willen dit oplossen door brede niveau 2 opleidingen aan te bieden. In opdracht van de MBO Raad is in 2015 een verwantschapsanalyse uitgevoerd naar verwante werkprocessen en activiteiten van negen (herziene) kwalificaties (in de herziene kwalificatiedossiers profielen genoemd) op niveau 2. Het doel van deze analyse is te onderzoeken welke onderwerpen de roc’s eventueel in een brede niveau 2 opleiding aan studenten kunnen aanbieden.

Cross-over 

ROC Midden Nederland is initiatiefnemer van het cross-over dossier Servicemedewerker (een brede niveau 2 opleiding) geweest. In de voorbereiding hebben zij naar de verwantschapsanalyse van de niveau 2 opleidingen gekeken. In 2017 zijn zij als eerst gestart met Servicemedewerker om enerzijds ‘perspectief bieden’ op een volwaardige (arbeids)plek in de maatschappij en anderzijds om tegemoet te komen aan de vraag vanuit de arbeidsmarkt naar breed inzetbare werknemers. Inmiddels bieden 17 roc’s deze cross-over aan. Deze roc’s komen bij elkaar in het landelijk Netwerk Breed opleiden Niveau 2 (N2B). Dit netwerk van en voor mbo-professionals wil alle studenten perspectief bieden op de arbeidsmarkt en in de maatschappij. Het N2B wordt gefaciliteerd door CINOP en er zijn 26 leden van 18 mbo-instellingen. Het experiment duurt van 1 augustus 2017 tot en met uiterlijk 31 juli 2025. Bij de Les nam een ‘kijkje’ bij drie mbo’s die meedoen aan het onderwijsexperiment ‘cross-over kwalificaties’. 

‘Ik ga graag voor mensen die kansen gemist hebben’

Gastvrije duizendpoot

Jacqueline van Swaaij is teammanager bij Noorderpoort Groningen Appingedam. Van Swaaij was altijd al geïnteresseerd in laaggeletterdheid. Van Swaaij: ‘Ik ga graag voor mensen die kansen gemist hebben, die zijn opgevoed met: ‘het is niks en het wordt niks’. Bij het N2B wisselen we onze ervaringen uit, we hebben immers allemaal met dezelfde problematiek te maken. Werkgevers willen liever werknemers met een hoger niveau. Als ze dan wel een niveau 2 stageplek willen geven, dan willen ze een werknemer die breed inzetbaar is. Die willen ze als gastvrije duizendpoot in kunnen zetten, bijvoorbeeld én bij de catering én bij de telefoon. Daarnaast weten studenten op dit niveau vaak nog helemaal niet wat ze willen. Dus zo snijdt het mes van breed opleiden aan twee kanten.’

Michel Botman is opleidingscoördinator bij het Horizon College. Botman: ‘Wij hadden de smalle opleiding Administratief medewerker niveau 2. Voor de cross-over Servicemedewerker werd ik kartrekker, aanspreekpunt en onderwijsontwikkelaar. Het eerste jaar is net gestart, het N2B overleg en het contact met andere mbo’s is heel waardevol’. Botman gaf rekenlessen aan niveau 2 en boekhouden/bedrijfseconomie aan niveau 4. Botman: ‘Mijn hart ligt bij niveau 2. Als je voor deze studenten een stapje extra doet, dan wordt dat enorm gewaardeerd. Bovendien zal een niveau 2 student die iets nog niet goed kan, dat ook erkennen en dat samen met jou willen doen.’

Sanae Boukarfada is coördinator onderwijsontwikkeling en projectleider bij het Business & Administration College van ROC Midden Nederland (MN) in Utrecht. Vanuit haar rol heeft zij vanaf de start een essentiële rol gespeeld bij de totstandkoming van het cross-over dossier Servicemedewerker.  Boukarfada: ‘De beperkte kansen op de arbeidsmarkt voor een aantal niveau 2 opleidingen waren voor ons aanleiding voor het herpositioneren van onze niveau 2 opleidingen. Hierbij hebben we de smalle opleidingen met gering arbeidsmarktperspectief opgeheven en ondergebracht in de brede ontwikkelde cross-overopleiding Servicemedewerker’ waarbij de student zich kan oriënteren, een brede set aan vaardigheden meekrijgt en in verschillende contexten kan uitstromen. Hiermee streeft ROC MN ernaar studenten op niveau 2 een zo goed mogelijke start op de arbeidsmarkt te geven. Ook is de opleiding nadrukkelijk gericht op doorstroom naar niveau 3 en 4.‘ 

Van context switchen

Vanaf schooljaar 2017-2018 staat de positionering van de opleiding Servicemedewerker op de agenda van de stuurgroep niveau 2 van ROC MN. Uiteindelijk is de notitie ‘De logica van de harmonica’ in juni 2018 vastgesteld met een duidelijke visie over de plek van de opleiding Servicemedewerker in het portfolio van de niveau 2 opleidingen. Boukarfada: ‘Als metafoor voor een flexibel portfolio van niveau 2 opleidingen gebruiken we binnen ROC MN een harmonica. ROC MN biedt specialistische niveau 2 opleidingen aan als er arbeidsmarktrelevantie bestaat. Voor studenten die een opleiding willen volgen in een context waar geen specialistisch werk in is, bieden we de opleiding Servicemedewerker aan. De crebonummers waarvoor (tijdelijk) geen arbeidsmarktrelevantie bestaat behouden wij wel. Zo kunnen opleidingen in een veranderende arbeidsmarkt altijd weer aangeboden worden. De opleiding Servicemedewerker stelt de organisatie in staat te allen tijde contexten toe te voegen. Opleidingen kunnen ook kiezen voor breed starten in het eerste jaar, maar smal uitstromen op bestaande crebo’s.‘

Op basis van de notitie zijn er meerdere gesprekken gevoerd over de vraag welke contexten onderdeel moeten gaan uitmaken van de opleiding Service-medewerker in Utrecht en Amersfoort. Boukarfada: ‘Er is besloten daar uit te breiden met ICT en Logistiek (Zakelijk en Commercieel werd al aangeboden). In Utrecht bieden we de contexten Sport & Evenementen en Zorg & Welzijn niet aan. Daar is de smalle opleiding Sport, facilitair en helpende niveau 2 gebleven. Dit heeft o.a. te maken met de werkgelegenheid in de regio.’ 

‘Beroepen komen en gaan’

Door het curriculum te kleuren met stageplekken, werkplekleren en keuzedelen in de betreffende context ontstaat een aantrekkelijke brede opleiding voor de student en arbeidsmarkt. ‘Natuurlijk kunnen studenten gaandeweg ook van context switchen. Het crebo is en blijft dat van Servicemedewerker. Hierdoor kunnen studenten stage lopen in een omgeving die ze interessant vinden, want er is veel meer keus. Dit spreekt studenten (en ouders/verzorgers) aan. Zij zien bij de voorlichting dat ze veel meer opties hebben met een brede opleiding als Servicemedewerker en kiezen daar liever voor. We hadden normaal gesproken vier eerstejaars klassen Verkoper (smalle opleiding), tegenwoordig hebben we er nog maar één.’ 

Een boost voor het leven

Van Swaaij: ‘Meer kansen op werk en doorstroom zijn ook conjunctuurgevoelig. We merken nu dat er weer een omslag komt. Werkgevers willen terug naar de helpende, de verkoopmedewerker. Wij willen uiteraard samen optrekken met het bedrijfsleven en opleidingen geven die aansluiten, maar wij vinden breed opleiden verstandiger. Het Noorderpoort heeft een clusteroverleg voor niveau 2 met alle teammanagers. Van daaruit ga ik naar het landelijk netwerk om te proberen samen een vuist te maken. Als we niveau 2 weer specialistisch op gaan leiden en het gaat niet goed in een bedrijf, dan zijn zij de eersten die op straat staan. Met een brede opleiding kunnen ze meer kanten op.’ Botman: ‘Afgelopen schooljaar heeft de SBB-sectorkamer Retail veel erkenningen van winkels als leerbedrijf ingetrokken. Het werk daar past bij de smalle opleiding Verkoop en volgens hen voldoet de Servicemedewerker daar niet aan. Wij gaan dan via het N2B met elkaar in gesprek, om samen te laten zien wat een Servicemedewerker kan en doet.’ Boukarfada: ‘Als je naar het kwalificatiedossier kijkt, begrijpen we dat het lastig is om als Servicemedewerker bij een kleine verkoopzaak stage te lopen, maar bij bijvoorbeeld een grote supermarkt met een servicebalie of koffiecorners zou het wel kunnen. Het is dus niet zo zwart-wit. Ik vind het prettig dat we hier als N2B met elkaar over in gesprek kunnen gaan en samen een reactie aan het SBB kunnen geven.‘

Kennismaken en ontdekken 

Botman: ‘In leerjaar 1 krijgen onze studenten een brede kennis van de zeven werkprocessen en in leerjaar 2 kiezen ze voor een keuzedeel. De opleiding Servicemedewerker verschilt ook per regio, want wij willen studenten geen worst voorhouden. Beroepen komen en gaan, daarom willen wij studenten zo goed mogelijk voorbereiden op werk. Naast de algemene vakken als Nederlands, Engels, rekenen maken we gebruik van werkplekleren. Studenten leren in een echte werkomgeving en krijgen ook opdrachten bij het bedrijf. Zo maken ze kennis met de beroepsvaardigheden van een beroep. En als dat niet bevalt kunnen ze een ander keuzedeel kiezen.’

‘Ze kunnen nog ontdekken wat ze willen’

Van Swaaij: ‘Het zijn goede medewerkers met potentie om door te groeien. In de panelgesprekken die pas gevoerd zijn met onze niveau 1 en 2 studenten, geven ze zelf ook aan dat ze het fijn vinden nog alle kanten op kunnen. In die twee jaar kunnen ze nog ontdekken wat ze willen. Het mooiste is als ze binnen een groot bedrijf of verpleeghuis stage kunnen lopen op diverse afdelingen. Dat ze een poosje meedraaien bij de front-office, bij de maaltijden uitdelen, in het magazijn of in de keuken. Een mooi praktijkvoorbeeld: een jongen voor wie alles tot nu toe mis ging, mocht stagelopen in het museum in Appingedam. Hij had een voorliefde voor geschiedenis. Hij bleek een geweldige dienstverlenende houding te hebben. Hij ontving de mensen, kon er zijn verhalen kwijt en ook een kopje koffie schenken. Zo’n succeservaring is een boost voor zijn verdere leven.’

Zie: https://cinop.nl/agenda/netwerk-breed-opleiden-niveau-2-editie-2021/ en
https://www.s-bb.nl/cross-overs


En nu: samen verder

Vanaf volgend schooljaar zullen de NVS-NVL en de VvSL verder gaan als één nieuwe vereniging. Met de steun van de leden is de weg vrijgemaakt voor een nieuwe toekomstbestendige en krachtige vereniging. In dit artikel lees je meer over de achtergronden van het samenkomen van beide verenigingen en kijken we vooruit naar hoe de nieuwe vereniging eruit komt te zien.

Het waarom van samen

De VvSL (Vereniging van Schooldecanen en Loopbaanbegeleiders) en de NVS-NVL (Nederlandse Vereniging van Schooldecanen en Leerlingbegeleiders) werken al enkele jaren en in toenemende mate nauw samen, vooral als het gaat om landelijke ontwikkelingen rondom LOB. Er blijkt meer te zijn dat de verenigingen met elkaar bindt dan dat hen scheidt. De beide verenigingen zien voor zichzelf een leidende rol als het gaat om LOB in het onderwijs. Die ambitie vraagt om één krachtige, toekomstgerichte en toekomstbestendige vereniging. De leden, het onderwijsveld en andere relevante stakeholders zijn gebaat bij één duidelijk en herkenbaar aanspreekpunt voor LOB in het gehele onderwijs. Het bundelen van krachten stelt de verenigingen bovendien in staat een betere kwaliteit van dienstverlening te bieden aan de leden. In verkennende gesprekken hebben beide verenigingen de ambitie uitgesproken om een leidende rol in te nemen als het gaat om LOB in het hedendaagse en toekomstige onderwijs. Daarvoor is het noodzakelijk om de krachten te bundelen.

Daarnaast is er op dit moment een overlap tussen beide verenigingen; er worden dingen dubbel gedaan. Het samengaan levert tijd en geld op om te investeren in een nog betere dienstverlening en belangenbehartiging voor al onze leden. 

Tessa Leonhard, directeur van de NVS-NVL:
‘We kijken ernaar uit om samen nog meer te bereiken voor LOB op scholen en alle LOB’ers in Nederland’

Het fusieproces vanaf het begin

Na een aantal verkennende gesprekken tussen de twee besturen in 2019 zijn de voordelen van een gezamenlijke toekomst opgetekend en op 2 maart 2020 met alle leden gedeeld. Vervolgens is onderzocht hoe die gezamenlijke toekomst eruit zou moeten zien. Dat leidde tot de intentieverklaring om tot een voorstel voor een juridische fusie van de twee verenigingen te komen. Deze werd op 6 april 2020 ondertekend en gedeeld met de leden. Daarna is een stuurgroep van twee leden van de VvSL en twee leden van de NVS-NVL, samen met een onafhankelijk procesbegeleider, aan de slag gegaan met het fusievoorstel. Onderdeel daarvan is een bijeenkomst met leden geweest die konden meedenken over hoe de toekomstige vereniging eruit zou moeten zien.
Dit is het uitgangspunt geweest voor de nieuwe statuten. Verder is het fusievoornemen een vast onderwerp geweest op de vergaderingen van de ledenraad. De positieve en bemoedigende reacties hebben het vertrouwen gegeven om deze fusie door te zetten. Tijdens een stemming met beide verenigingen hebben de leden van de beide verenigingen voor de fusie gestemd.

Minette van den Bemd, voorzitter van de VvSL:
‘We zijn verheugd met de steun van onze leden. Dat is voor ons een stimulans om de fusie verder vorm te geven’

Op naar de toekomst

In de zomer van 2021 zullen de verenigingen officieel samen gaan als een nieuwe vereniging met een nieuwe naam. De vereniging zal bestaan uit vier secties: 

· LOB vmbo

· LOB havo/vwo

· mbo

· Leerlingondersteuning

Elke sectie kent een beleidsmedewerker die op het bureau werkzaam is en een sectiecommissie van leden die als inhoudelijke sparringpartners de beleidsmedewerkers voeden en ondersteunen. Het schooljaar 2021-2022 zal een overgangsjaar zijn, waarin de beide verenigingen in de nieuwe vereniging zullen integreren.  

Top 3 veel gestelde vragen over de fusie

1. Wat verandert er voor leden van de NVS-NVL?

Er komt een nieuwe vereniging met een nieuwe naam, dus alles wordt in een nieuw jasje gestoken. Voor de leden van de NVS-NVL blijft er aanvankelijk ook veel hetzelfde: het bureau, de directeur, de locatie aan de Mariahoek. Ook de meeste activiteiten zullen doorgaan: de cursussen en trainingen, de congressen, de informatievoorziening via nieuwsbrieven en tijdschrift, de aansluiting bij de FvOv (Federatie van Onderwijsvakorganisaties), onze bijdragen aan landelijke projecten. Wel proberen we natuurlijk te leren van de kwaliteiten van de VvSL en daarmee iets extra’s te bieden, bijvoorbeeld door te differentiëren en daarmee nog beter aan te sluiten bij de behoeften van de verschillende doelgroepen. En uiteindelijk hopen we als krachtige, toekomstbestendige vereniging onze ambities te vergroten en te verwezenlijken.

2. Hoe werkt het met de contributie als er per 1 juli een nieuwe vereniging is?

De contributiefactuur voor 2021 is in januari verstuurd en (als het goed is) al betaald. Je krijgt dan ook geen nieuwe factuur na 1 juli. Pas in 2022 kun je een nieuwe contributiefactuur verwachten. Meer informatie daarover volgt later. Leden die nu al lid zijn van beide verenigingen, kunnen dit aan ons laten weten via bureau@nvs-nvl.nl  Er wordt geen geld terug gestort, maar er zal bij de nieuwe contributie-inning een correctie plaatsvinden.

3. Wat kan ik doen als ik nog vragen of opmerkingen heb over de fusie?

Vragen en opmerkingen over de fusie zijn altijd welkom. Je kunt het beste mailen naar directeur Tessa Leonhard via t.leonhard@nvs-nvl.nl

Kijk voor een volledig overzicht van de veel gestelde vragen op: nvs-nvl.nl, via ‘publicaties’ en ‘nieuws’.


Good dreaming: anders durven denken en doen

Hoe ziet jouw ideale school eruit?

Compleet zonder grenzen en beperkingen dromen over de ideale school van de toekomst. Dat is wat decaan en redactielid Yvonne Mulders samen deed met zorgcoördinator en redactielid Marjolein van Breda-Souman. Hoe richten we dit onderwijs in? En welke rol heeft de leerling, leerkracht, docent? En, moet de schoolbel nou wel of niet behouden blijven...?

Hoi Marjolein,

Laatst zat ik te denken aan een hele andere manier van onderwijs. Niet meteen het vrijeschoolsysteem of agora onderwijs, maar compleet out of the box onderwijs. Geen bel meer in de school, zo weinig mogelijk boeken (wel naslagwerken), geen docenten maar gastlessen door experts uit het bedrijfsleven, vaardigheden centraal stellen, samenwerken en vooral buiten de school aan doelen werken.

Ik zou leerlingen ontdekkers noemen. Mocht een ontdekker op school behoefte hebben aan praktijklessen, dan denk ik aan de ‘speelhoeken’ van de basisschool; Lego Leagues in een ruimte, escape-rooms voor economische vaardigheden, kinderopvang binnen de muren van de school, plantenkassen, duurzaamheidsopdrachten, enz. Ik zou helemaal los gaan. Het is natuurlijk een utopie, dat snap ik. Maar hoe mooi zou het zijn om ontdekkers op basis van een ontdeksysteem hun dromen te kunnen geven en waarmaken. 

‘Ik zou leerlingen ontdekkers noemen’

Weg met die centrale examens, geen hokjes denken, maar in gesprek gaan met de ontdekker over waarmee hij nog geholpen kan worden om vaardigheden uit te kunnen breiden. Volgens mij komen we in de maatschappij zo veel verder. Het bepalen van je eigen tempo en je eigen niveau zou volgens mij effectief zijn. Minder faalangst, minder stress. En daar waar ontdekkers ondersteuning nodig hebben, kunnen ze zelf om deze hulp vragen. Ouders zijn net als de ontdekkers welkom in de school om te helpen, uitleg of gastlessen te geven. Samen onderwijs maken, samen afstemmen wat nodig is, samen de toekomstloper uitleggen voor deze ontdekkers. 

Ik zie dit als een soort van nieuwe ‘planeet’ met meer kansengelijkheid. Niveau benoeming is er niet meer, iedereen ontwikkelt zich vanuit zijn eigen intrinsieke motivatie. En vindt de ontdekker moderne vreemde talen moeilijk maar vindt zijn/haar weg wel in de technologische kant, dan zeg ik: lekker doen. 

Waarom ik op deze utopische vorm van onderwijs kom, is dat we blijkbaar op latere leeftijd aangeven dat we iets anders zijn gaan doen dan waarvoor we geleerd hebben of dat we aangeven het anders hadden willen doen. We komen tot de ontdekking dat bepaalde vakken niet leidend zijn in de functie die we hebben. Ook geven volwassenen aan dat zoveel meer opleidingen een breed perspectief hebben en dat het in de maatschappij gaat om competenties en vaardigheden. De kennis doen we wel op met het leren in de praktijk. En ben je vanuit je genen al een mensen-mens, dan zul je niet snel kiezen voor een job waarbij je eenzaam in een hokje je werk zit te doen. 

Ik zou overigens met één school beginnen om te ervaren of het werkt en wat er nog gedaan moet worden. Over een ‘beloningssysteem’ heb ik bijvoorbeeld helemaal nog niet nagedacht. Er is nog veel droomwerk te verzetten. Marjolein, ik denk dat je zou zeggen: Yvonne, droom lekker verder. Maar ik ben ook heel benieuwd naar hoe jouw school eruit zou zien. Wat zou jij bedenken? En hoe zou jij het aanpakken? Of blijf jij bij het huidige systeem met wat andere aanpassingen of regels?

Ha Yvonne,

Mooi verhaal, en als ik het visualiseer en daar de zon bij denk dan word ik helemaal blij! Jouw vraag heeft eigenlijk betrekking op hoe we aankijken tegen het huidige onderwijs, dat best wel gesloten is. Er wordt al wel veel gedaan om innovatie en leren samen te brengen en om bekende werkwijzen en patronen te doorbreken maar het blijft lastig om veranderingen door te voeren. 

Soms zijn die veranderingen makkelijk toepasbaar maar andere kosten een eeuwigheid aan tijd. 

Denk nog even aan de Mammoetwet; in 1958 werd er een ontwerp van de wet op voortgezet onderwijs ingediend en pas in 1968 ging deze wet in werking! Leerlingen moeten competenties hebben waardoor ze succesvol in de maatschappij komen te staan, maar is het huidige onderwijssysteem hiertoe toereikend? Het vraagt veel tijd en aandacht om hier antwoord op te krijgen en om de knelpunten inzichtelijk te krijgen. Hoe ziet de ideale school van de toekomst er dan uit? Kijkend naar jouw droomschool denk ik dat er een aantal basisprincipes zouden moeten zijn om zo’n school te bouwen. Ik droom een stukje met je mee.

Het lijkt mij een heerlijk vooruitzicht om als kind op te groeien in de door jouw geschetste school. Ik zie deze school staan in een landelijke omgeving waar leerlingen zich bewust gaan worden van duurzaam-heid en milieubewustzijn ontdekken. De hele opsomming van nieuwe mogelijkheden kan ik nog wel even aanvullen hoor. Zo zou je oud en jong bij elkaar kunnen brengen. Niet alleen kinderdagopvang de school in brengen maar ook senioren integreren binnen de school. Of jongeren een paar dagen per week bij onze ouderen neerzetten. Geschiedenis en verhalen verteld door ervaringsdeskundigen en discussiëren over nieuwigheden uit deze tijd. Een verbinding tussen school en de maatschappij/de wereld. 

‘Oud en jong bij elkaar brengen’

Flexibele lesroosters en vakanties, maatwerk voor individuele leerlingen, talenten ontdekken en gebruiken. Het onderwijs personaliseren zodat iedere leerling een betere versie van zichzelf kan worden. Leerlingen en docenten samen laten werken. Mogelijkheden creëren om samen te overleggen, lesstof samen te ontwikkelen en toe te passen, en ook bezig zijn met beleid en visie.

Kijken, ervaren en reflecteren op het uitvoeren van opdrachten en op het leerproces. Geen schriftelijke toetsen meer die met de rode pen worden nagekeken maar met een groene pen waarmee je gerichte en positieve feedback geeft. De leerlingen worden op die manier getriggerd om zichzelf beter te reguleren en te monitoren (zelf verantwoordelijkheid nemen en zelfreflectie) wat hen weer eigenaar maakt van hun eigen leerproces. Verschillende studies hebben aangetoond dat leerlingen optimaal leren wanneer er wordt voldaan aan de drie basisbehoeften: autonomie, competentie en relatie. Onderwijs zou dus een verdieping moeten zijn op deze drie basisbehoeften samen met wat er gebeurt in de werelden daarin leren omgaan met diversiteit en vrijheden.

Ik zie mogelijkheden om zo’n nieuwe school te bouwen maar….laten we de BEL wel in ere houden anders gaan de jongeren nooit meer weg uit deze ideale school!

 


Kennis is een zee zonder kust

Redactielid Christel Isphording gaat in gesprek met Amir, een oud-student van het mbo die de Islam nauwkeurig wil naleven. Iets dat voor Isphording, als zijn docent Nederlands, zichtbaar en merkbaar was en waar ze nog altijd nieuwsgierig naar is.

Amir (21) is geboren in Nederland en heeft een Egyptische vader en een Poolse moeder. Zijn moeder bekeerde zich voor zijn geboorte tot de Islam. Hij spreekt vier talen, Nederlands, Arabisch, Engels en een beetje Pools. Met zijn diploma Sociaal Werk niveau 4 op zak is hij bezig met het diploma Fitnesstrainer B (periodieke sportbegeleiding), om zich te kunnen registreren als personal trainer. Hij hoopt de vaardigheden van deze twee diploma’s in zijn toekomstige werk te kunnen combineren. 

‘Leraren zijn meer dan alleen kennisoverdragers’

Vertel eens iets over jouw schooltijd en wanneer ontstond jouw interesse in de Islam?

‘Ik heb vroeger op een katholieke school gezeten. De verhalen die daar werden verteld hadden al vroeg mijn interesse en aandacht. Maar de toneelstukjes rond kerst over personages uit de Bijbel, daar kon ik niet om lachen. Het voelde voor mij oneerbiedig om van zulke heilige verhalen grappige toneelstukjes te maken. Toen ik naar de middelbare school ging, begon het leven er anders uit te zien. Als mens ontwikkel je je, je wereld wordt groter, je krijgt meer verplichtingen en je gaat kritischer nadenken over het leven. Er kwam een moment waarop ik in een emotionele dip terecht kwam. Die dip hield aan totdat ik meer in contact kwam met mijn geloof. 

Dat contact begon op vakantie in Egypte, het land van mijn vader waar ik veel familie heb. Het viel mij op dat de mensen heel erg gastvrij en behulpzaam zijn. Ik hoorde daar elke dag de oproep tot het gebed en voelde me hierdoor geroepen. Zo ben ik begonnen met het dagelijkse gebed. Met veertien jaar ging ik naar de Moskee en daar vond ik zo’n rust en kalmte. De innerlijke rust die ik daar heb ervaren, was het antwoord op mijn depressie. Je kunt het vergelijken met yin en yang. De Islam bracht voor mij mijn geest en lichaam in balans.’

Ik herinner me jou als een stille, rustige jongen op het mbo in Arnhem. Hoe vond jij dat eerste jaar?

‘Het viel me direct op dat de sfeer er heel anders was. De mensen waren erg sociaal en vriendelijk. Toen ik eens gezellig mee moest doen met de kerstviering, was ik het daar niet mee eens. Hoe kan ik vieren dat God een zoon heeft? Een boeddhist zal mij ook niet feliciteren met het offerfeest wanneer zijn heilige koe geofferd wordt. Ik leerde in dat jaar vooral zelfreflectie. De opdrachten van de opleiding waren daar erg op gericht. In het begin vond ik dat maar niks, maar achteraf bleek ik daar juist veel profijt van te hebben.’

In het eerste jaar van de opleiding maakten alle studenten een presentatie van hun lievelingsmuziek. Jij deed iets unieks. Kun je uitleggen waarom?

‘We moesten spreken over de achtergrond van de muzieksoort, hoe die is ontstaan, het doel ervan en waarom je hiervoor hebt gekozen. Aangezien ik geen muziek luister, presenteerde ik over de recitatie van de Koran. De Koran wordt namelijk gereciteerd, al eeuwenlang, en er wordt ook onderwezen hoe je de Koran correct kunt reciteren. Op deze wijze heb ik de opdracht ook naar behoren uitgevoerd.’ 

In de docentenvergadering werd soms besproken dat een moslimstudent een vrouw geen hand wil geven. Wat kun je ons hier over vertellen?

‘In de Islam is het zo dat je een andere vrouw buiten je familie om niet aanraakt. Dat geldt ook voor vrouwen ten aanzien van mannen. Dit heeft niets te maken met vrouwonvriendelijkheid, maar gaat over fysieke integriteit. De regels van de Islam wegen niet allemaal even zwaar. Zoals het niet drinken van alcohol bijvoorbeeld zwaarder weegt dan het niet aanraken van een vrouw. Je kunt die regels niet zelf aanpassen, want die staan vast. Maar het is uiteindelijk aan jou of je die regels wel of niet opvolgt. Ook zijn er natuurlijk uitzonderingen. Als u bijvoorbeeld was flauwgevallen voor de klas, dan zou ik u zeker geholpen hebben.’

‘Ik had gewild dat ik toen wist waarom …’

Als ik hardop bedenk dat als alle moslimmannen in de hele wereld zich aan deze regel zouden houden en alle moslimmannen geen alcohol zouden drinken, de wereld er beslist veel mooier uit zou zien, lachen we hier samen hartelijk om.

Is dit niet zwaar voor jou? Naast je dagelijks leven Arabisch leren, iedere dag bidden, Koranteksten lezen en naar de Moskee gaan?

‘Het bezig zijn met het geloof is voor mij vrije tijd. Iedereen heeft een bezigheid na school of werk. Dit is voor mij iets wat ik heel graag doe. Het kost me geen energie, maar het geeft me juist energie. Energie die mij vervolgens helpt in het dagelijks leven. Ik houd er ook van om kennis op te doen. Kennis is een zee zonder kust. Daarom begin je ook bij de basis, zodat je niet voor je voeten gaat lopen.’

Als jouw docent Nederlands was en ben ik onder de indruk van jouw manier van praten. Je gebruikt veel spreekwoorden die ik niet ken, maar die ik wel heel mooi vind. 

‘Spreekwoorden en uitdrukkingen geven kleur en diepgang aan een taal. Het maakt alles minder oppervlakkig en je wordt er ook wijzer van. Voor mij zijn er twee soorten wijsheden: wijsheid waarin je oudere mensen kunt raadplegen, omdat zij jaren op jou voorlopen en dus meer hebben gezien. En eigenwijsheid doordat het leven een leerproces is en jij door de tijd heen veel leert en jezelf ontwikkelt.’ 

Wat is jouw tip voor ons onderwijs?

‘Leraren zijn meer dan alleen kennisoverdragers. Zij zijn onderdeel van de vorming van onze toekomstige professionals. Omdat ze zo veel verschillende studenten kunnen verwachten, moeten ze daar altijd objectief mee om kunnen gaan.’

Wat had jij eerder willen weten?

‘Als je jong bent heb je weinig positieve motivatie voor school. Er is voornamelijk sprake van negatieve motivatie: strafwerk, nablijven of slechte cijfers. Ik had gewild dat ik toen wist waarom we moesten leren wat ons geleerd werd. Dat, als je bijvoorbeeld later van die hoge gebouwen zou willen neerzetten als in New York en in Dubai, je weet dat wiskunde dan superbelangrijk is. Of dat het leren van biologie onmisbaar is als je later arts zou willen worden. Zulke positieve kennis roept op tot inspiratie en motivatie.’


Leren van collega’s

Tijdens de vervolgcursus decanaat

Waarom meldde je je aan voor de tweedaagse vervolgcursus decanaat? En hoe beviel je dat? Daarover, en over hoe het is om decaan of LOB-coördinator te zijn, vertellen twee deelnemers van verschillende scholen.

Teunis Jan Visser is sinds anderhalf jaar decaan havo bij Visser ’t Hoofd Lyceum in Leiden. Voor hij de overstap maakte naar het onderwijs, werkte hij bij een milieuorganisatie, de overheid en het opbouwwerk. Na tien jaar wilde hij wat anders en hij solliciteerde bij het onderwijs voor invalwerk als docent. Visser: ‘In het gesprek kwam mijn onderwijservaring ter sprake. Dat was voorleesvader op de basisschool. Ik werd aangenomen.’ Hij begon voor drie maanden als docent wiskunde. Hij had scheikunde gestudeerd en behaalde daarmee zijn eerste graad bevoegdheid. Na twintig jaar docentschap wilde hij nog eens een switch, leuk om nog een keer wat anders te doen. Dat werd het decanaat. Het bevalt hem. Visser houdt vooral van de motiverende kant van het werk. ‘Het leukst vind ik om met leerlingen, en soms de ouders erbij, te praten als ze niet weten hoe ze verder moeten met kiezen. En ze dan aan het werk zetten, te motiveren om in actie te komen, zelf verder te gaan en zien dat ze dan tevreden zijn. De administratieve kant vind ik het minst. Heel precies de gekozen vakkenpakketten invoeren bijvoorbeeld, en de veranderingen die er daarna zijn. Dat moet allemaal wel heel zorgvuldig.’

Draagvlak vergroten

Visser meldde zich na de basiscursus decanaat aan voor de vervolgcursus. ‘Een reden was dat bij ons op school LOB niet zo’n flink draagvlak heeft. Ik ben de tweede lijn, dus ben je voor de uitvoering afhankelijk van je collega’s, de mentoren. Het is best lastig om ze voor LOB te motiveren. ‘Hoe kan ik het draagvlak vergroten?’ is dus mijn vraag. Een tweede reden is het feit dat ik als decaan een beginneling ben. Ik wil heel graag de ervaringen van anderen horen. In de praktijk heb ik ook wat aan de ervaren collega’s van onze decanenkring die twee keer per jaar bij elkaar komt. Een mooi praktijkvoorbeeld hoorde ik laatst ook van de Hogeschool Utrecht. De leerlingen komen daar binnen met een LOB-CV, gemaakt op hun reguliere school. Daar gaan ze tijdens hun hbo-opleiding mee verder. Zo’n doorlopende lijn zou ook wat voor hier zijn. Een goed instrument voor de komende tijd.’ Visser noemt nog een kleine derde reden: ‘Het is met dit werk moeilijk om je persoonlijke kwaliteiten te meten. Dat kan als docent wat meer, bijvoorbeeld door naar je eindexamenresultaten te kijken. Tip tijdens de cursus was om in de Vensters voor Verantwoording vragen op te nemen over het onderwerp LOB op school en dat door verschillende partijen laten invullen. Als duidelijk is dat er wat mee moet, dan is het een verantwoordelijkheid voor de hele school en moet iedereen er wat mee.’

‘Hoe doe jij dat?’

Vooral het kijkje in de keuken van anderen vindt Visser dus belangrijk tijdens de cursus. Visser: ‘De ervaringen van anderen dragen bij aan mijn kennisontwikkeling. De tweede cursusdag was online. Vier uur achter een scherm zitten is wel vermoeiend. Maar, tot het eind bleef je geconcentreerd bezig, het bleef boeien. We deden tijdens de cursus opdrachten in wisselende groepjes. Steeds komt daar de vraag ‘Hoe doe jij dat nou? ‘ aan te pas. Dat is voor mij het belangrijkste aspect van de cursus.’ Visser vertelt over het verbreden van draagvlak voor LOB. ‘Zet bijvoorbeeld een ouderklankbordgroep op. Daarin vraag je ouders om mee te denken over LOB-activiteiten voor hun jongeren. Een mooie tip vond ik ook die voor het onderwerp ‘draagvlak bij mentoren (‘Nou dat weer, we hebben het al zo druk!’)’. Dat ging over het uitwisselen van goede ervaringen. Bespreek met de groep mentoren wat zij zoal doen aan keuzebegeleiding. Je hebt mentoren die dat al tien jaar zijn en in van alles op dat vlak ervaring hebben. Zo krijgen ze niet het gevoel weer wat extra’s te moeten, wel dat er in de praktijk al heel veel is. En dat is ook zo.’ Wat kan in de cursus beter? ‘Ik heb in geen jaren meer een cursus gedaan, geen behoefte aan’, zegt Visser. ‘Ik was zeer tevreden. En ik bén kritisch.’

Lydia de Winter is nu ongeveer vier jaar LOB-coördinator bij vmbo C.T. Stork College in Hengelo. Ze begon in een projectgroep LOB op een kleine locatie. Inmiddels is de school samengegaan met andere scholen. In de nieuwe grote scholengemeenschap is al veel gebeurd op het gebied van LOB. Er ligt een programma voor een doorlopende leerlijn LOB vanaf klas één tot en met vier en een zelfgemaakte methode: het Stork Loopbaan Kompas. De Winter: ‘We hadden een digitale methode, dat beviel niet. Leerlingen zaten te veel alleen achter een computer werkjes in te vullen, zonder echt over zichzelf na te denken en ze raakten het overzicht kwijt. We werken nu met een boekje in de klas onder begeleiding van de mentor als coach. De LOB-activiteiten zelf voeren de leerlingen zoveel mogelijk uit buiten de school.’ 

Liever het vmbo

De Winter vertelt over haar keuze om LOB-coördinator te worden: ‘Aandacht voor nadenken over jezelf en begeleiding bij kiezen mistte ik zelf als leerling. Bovendien komt bij dit werk mijn achtergrond als secretaresse goed van pas: allerlei activiteiten organiseren en coördineren. Dat je zelf ook docent bent is een voordeel, je weet wat er speelt.’ Toen ze als secretaresse bij een business school werkte, raakte ze geïnspireerd door de aandacht voor persoonlijke ontwikkeling op die school. Ze merkte een behoefte aan meer zinvol bezig zijn, iets van betekenis voor de maatschappij. Op haar vijfendertigste ging ze naar de pabo. Ze ontdekte tijdens een vmbo-stage dat ze het werken met pubers leuker vond dan met basisschoolleerlingen. Ze besloot op het vmbo te blijven en haalde op haar eenenveertigste haar onderwijsbevoegdheid Nederlands. ‘Ik ga vooral graag in gesprek met de jongeren. LOB-coördinator worden was voor mij een logische volgende stap gezien mijn belangstelling en ervaring.’ 

Voor het eerst coach

De cursus vindt ze vooral zinvol vanwege de ervaringen en tips die je van andere scholen en de cursusbegeleiders meekrijgt. ‘LOB is flink in ontwikkeling, anderen horen vertellen over hoe zij het doen is waardevol. Je hoeft ook niet zelf het wiel uit te vinden. Allerlei onderwerpen komen langs: een doorlopende leerlijn opzetten, hoe zorg je voor borging, hoe motiveer je mentoren.’ De Winter vertelt dat zij nu op school pas met de zelfgemaakte methode werken. ‘De meeste mentoren stappen voor het eerst in de rol van coach, dat kan niet iedereen zomaar. Het is belangrijk om collega’s hierbij te begeleiden. Wat leerlingen vooral lastig vinden is reflecteren op wat ze hebben gedaan, bijvoorbeeld na een bedrijfsbezoek je afvragen wat dat voor jou heeft betekend. Dus begeleiden we mentoren bij het voeren van een reflectiegesprek en hoe je een leerling stimuleert zelf initiatief te nemen en vanuit persoonlijke motivatie aan de slag te gaan.’ 

Docent gestuurd

‘We sturen nog zelf veel. Beter is om te werken vanuit de vraag van de leerlingen en de ouders’, merkt De Winter op. ‘De ideeën van andere collega’s en de ervaringen op andere scholen helpen je hierbij verder. Bijvoorbeeld keuzes voor opdrachten en activiteiten samen met de ouders en leerlingen doen, zo stem je af waar zij zelf behoefte aan hebben. Het onderwijs is vanuit traditie docent gestuurd en moet voldoen aan wetgeving. Juist bij LOB moet je van de leerling en z’n ouders uitgaan, dat is een soort tegenstelling in het onderwijs. Maar het kan wel. Door de vragen die er zijn bij ze neer te leggen en uit te gaan van wat zij belangrijk vinden. Dan ontstaat er ook meer motivatie bij de leerling om met zichzelf aan de slag te gaan.’

De Winter had tijdens de cursus graag wat meer aandacht gehad voor het uitdiepen van een doorlopende LOB-lijn vanuit het basisonderwijs naar het vmbo en van het vmbo naar het mbo. ‘Maar, de tijd is te kort om overal op in te gaan. We hebben als groep met elkaar afgesproken om in het voorjaar bij elkaar te komen. Je zit na die twee dagen zo boordevol ideeën, dat je daar behoefte aan hebt. Benieuwd naar hoe iedereen verder is gegaan in z’n eigen proces.’