Samen een nieuw huis bouwen

Voorgenomen fusie van de NVS-NVL en Vereniging van Schooldecanen en Loopbaanbegeleiders

Al bij haar aantreden als directeur van de NVS-NVL in 2016 sprak Tessa Leonhard de ambitie uit om de samenwerking tussen de NVS-NVL en de VvSL (Vereniging van Schooldecanen en Loopbaanbegeleiders) te willen versterken. Na een aanloop van vier jaren is er een mooi resultaat: de intentieverklaring tussen de twee verenigingen is getekend met als doel om vanaf de zomer 2021 verder te gaan als één organisatie. In dit interview vertelt Leonhard hoe deze fusie tot stand is gekomen en wat dit betekent voor de leden van beide verenigingen.

In 2016 vertelde je in Bij de Les over jouw plannen voor de toekomst van de NVS-NVL. Je gaf hierin onder andere aan dat je graag wilde dat bij zowel de NVS-NVL als de VvSL het besef leefde dat het onwenselijk is dat er twee landelijke decanenverenigingen bestaan. Wat is er in die jaren daarna gebeurd?

Er is ten eerste een heleboel veranderd in het onderwijsveld. Onderwijsveranderingen betekenen automatisch ook veranderingen voor ons als vereniging. Zo is er veel meer aandacht gekomen voor LOB in het onderwijs. LOB verandert ook. In plaats van zenden en louter te adviseren, moet je als decaan vragen stellen. Je bent meer een coach en je probeert de leerling of student zelf te laten reflecteren en tot conclusies te laten komen over wat hij wil in zijn toekomst. Dat is een ontwikkeling die al langer plaatsvindt.

De decaan ‘oude stijl’ die in een hokje met wat folders klaar zit voor een gesprekje over studiekeuze, is niet meer van deze tijd. Die verandering is dus al veel eerder ingezet. Maar voordat dat ook doordringt in alle lagen van de school, bij het maatschappelijk midden en de politiek, dat duurt wel even. Mede door het project stimulering LOB is er veel meer aandacht voor gekomen. De VO-raad heeft hier een leidende rol in gehad. De VvSL en de NVS-NVL zijn bij dit project allebei zeer betrokken geweest. Daar is wel een startschot gegeven voor de samenwerking tussen de verenigingen en zo leerden de mensen van beide verenigingen elkaar ook beter kennen. Als je met één stem spreekt, en samen de gehele beroeps- groep kan vertegenwoordigen dan sta je gewoon veel sterker.

En dat besef, dat jullie samen sterker stonden, leefde bij jou al langer. Wat heb jij gedaan om dit besef ook bij de VvsL te laten groeien ?

Vooral door heel veel te praten. Ik ben zelf altijd heel open geweest over hoe ik hierover dacht. Wat ook heeft geholpen: doordat ik projectleider was van de online leergang LOB, waarin we met de VvSL samenwerkten, heb ik ook op dat niveau kennis kunnen maken met hen. En die samenwerking breidde steeds verder uit, dat ging heel natuurlijk. Met name toen Minette van den Bemd voorzitter werd in 2017, klikte dat heel erg goed. En iedere keer ben ik het gesprek aangegaan: waar lopen jullie als vereniging tegen aan? Zo raak je ook iedere keer het punt van de twee verenigingen die gescheiden zijn.

Dus al samenwerkende kwam je erachter hoeveel overlap er eigenlijk al is?

Ja, en ook van het feit hoeveel last je hebt van het bestaan van twee verenigingen. En tegelijkertijd kom je erachter dat je qua visie en inhoud veel dichter bij elkaar ligt, dan je dacht. Binnen het bestuur van de VvSL heeft ook een grote omwenteling plaatsgevonden in hoe zij denken over het decanaat. Zij waren voorheen alleen gericht op de havo/vwo-decaan, en staan daar dus ook echt voor. De NVS-NVL richt zich meer op de doelstelling dan op de doelgroep. Dus niet alleen voor die individuele decaan, maar meer op: waar doen we het eigenlijk voor? Daar zat wel een duidelijk verschil tussen de verenigingen. Maar dat verschil is nu veel minder.

De intentieverklaring is inmiddels getekend. Hoe is deze tot stand gekomen?

Ik ben vanaf begin af aan heel open over deze wens geweest en ik heb me hier ook altijd hard voor gemaakt. Toch leek er lang geen ruimte voor een samenwerking te zijn. Tot ik eind vorig jaar door het bestuur van de VvSL werd benaderd om toch eens het gesprek hierover aan te gaan. Dat is wel een kantelpunt geweest. In dat eerste gesprek zijn verschillen in visie meteen op tafel gelegd en besproken. En ook bepaalde vooroordelen van elkaar kwamen naar boven en werden openlijk besproken met elkaar. En dat is heel goed geweest, want daardoor konden beide partijen deze vooroordelen meteen tackelen.

Op deze manier zag iedereen ook steeds meer in dat het onwenselijk is om twee landelijke decanenverenigingen te hebben. Er is meer dat ons bindt, dan ons scheidt. Dat was de belangrijkste conclusie: er zijn verschillen, maar die zijn in de minderheid.

Wat gaan de leden merken van deze fusie? Wat zijn de voordelen voor hen?

Een aantal leden is dubbel lid. Dus zowel van de Vvsl als de NVS-NVL. Blijkbaar zien deze leden echt de voordelen van beide verenigingen, maar moeten daarin wel keuzes maken. Ga ik naar het congres van de een of van de ander? En dat hoeft straks niet meer. Als één organisatie zijn we straks een heel duidelijk aanspreekpunt voor iedereen. Als je beroepsmatig met een kwestie worstelt of er is een onderwijs- ontwikkeling, dan is er één partij die zich daar voor inzet. Dat is gewoon heel duidelijk. De verenigingen hebben allebei hun eigen kwaliteiten en valkuilen en we proberen natuurlijk zoveel mogelijk van de kwaliteiten in de nieuwe club te steken. Waardoor je dus profiteert van elkaars kennis en ervaringen. Ook kijken we heel erg naar elkaar en naar wat de ander goed doet. Wij als verenigingen hebben allebei de waarheid niet in pacht, maar willen juist heel erg leren van elkaar. Die versterking is voor leden alleen maar positief.

Daarnaast kunnen we efficiënter gaan werken. Nu hebben we bijvoorbeeld allebei een cursus voor beginnende decanen. Er zal wat verschil tussen zit- ten, maar de kern is hetzelfde. Omdat wij die cursus allebei aanbieden, zijn we ongewild concurrent. Het kan daardoor voorkomen dat beide cursussen niet vol komen en niet door kunnen gaan, terwijl we de mensen wel hadden kunnen helpen als er één cursus was geweest. Er zit veel overlap in onze activiteiten; we hebben allebei een magazine, een congres en meer. Dit is allemaal dubbel werk. Als je dat schrapt, kun je efficiënter werken en komt er meer ruimte voor andere dingen. Bijvoorbeeld om te differentiëren, waardoor je specifieke beroepsgroepen binnen de nieuwe club beter en gerichter kunt bedienen. Je kunt dan misschien een specifieke cursus beginnende decanen voor vmbo, mbo, havo/vwo ontwikkelen. Ik denk dat dat voor leden echte voordelen zijn.

Komt er een nieuwe naam voor de vereniging? Wat we gaan doen is samen een nieuw huis bouwen, een nieuw begin. Het is dus niet de bedoeling om twee verschillende appartementen (lees: de twee verenigingen) met elkaar verbinden door middel van verbindingselementen. Wel om echt een nieuw huis te bouwen en dat begint met een goede fundering. We hebben dezelfde ideeën over de contouren, maar de kamers van het huis, daarmee bedoel ik de activiteiten zoals een congres, magazine, website, academie-aanbod, daar gaan we over in gesprek. En daar hoort ook een nieuwe naam bij die we met elkaar gaan bedenken.

Wat betekent de fusie voor Bij de Les magazine?

Een van de kamers zal een magazine voor leden zijn. Alleen de inrichting hiervan is nog helemaal open. Dus of Bij de Les dan nog Bij de Les heet en hoe het eruit ziet en wat de rubrieken zijn, is dus helemaal onbekend.

Wat is voor jou het belangrijkste focuspunt in deze fusie?

Het samengaan is geen doel op zich. Maar het is een middel om een hoger doel te dienen. En in ons geval is dat om een krachtige organisatie te vormen om de begeleiding van jongeren naar hun toekomst zo optimaal mogelijk te kunnen maken. En onderwijsprofessionals die zich daar voor inzetten in staat te stellen om die begeleiding te kunnen bieden. Dat vind ik heel belangrijk.

Op welke manier worden leden betrokken bij dit traject?

We willen leden uitnodigen om te reageren. We hebben de intentieverklaring bewust transparant gecommuniceerd en we hebben tot nu toe alleen maar positieve reacties gehad. Andere adviezen en tips zijn ook altijd welkom en kritische vragen stellen helpt ons ook. We horen veel positieve geluiden, maar ook andere geluiden horen we graag. Dat is de enige manier om te verbeteren. Naast deze informele manier van inspraak komt er ook een formeel moment van inspraak tijdens de ledenraad. Beide verenigingen moeten komen tot een voorstel van fusie. Deze moet eerst door onze ledenraad worden ingestemd.

Daarnaast hopen we op veel actieve en betrokken leden in de nieuwe organisatie. Een verenging bestaat bij de gratie van leden. Dus leden moeten ook het gevoel hebben dat zij onderdeel uitmaken van deze ontwikkeling, en daar ook zelf invulling aan geven. Je bent geen consument. Je bent lid, je voelt je ergens mee verbonden en samen strijd je voor een hoger doel.

De volgende ledenraad is op donderdag 10 december. Leden zijn van harte welkom.

Wil je met ons meedenken? Neem dan contact op via: bureau@nvs-nvl.nl

 


Rollend over de hobbels van het onderwijs

Rudolf Engelhart is student pedagogiek aan de Fontys Hogeschool in Sittard. Daarnaast loopt hij stage bij een jeugdhulporganisatie om jeugdigen en hun omgeving te ondersteunen om hun plek in de samenleving sterker te maken. Zijn doel is om orthopedagoog te worden met verdieping in de GZ-psychologie.

Rudolf is te vroeg geboren en heeft daardoor een hersenbeschadiging opgelopen (cerebrale parese). Hierdoor zit Rudolf in een rolstoel. Als ik hem vraag hoe hij met zijn handicap door onderwijsland rolt zegt hij direct dat hij praat over een beperking in plaats van een handicap. Rudolf: ‘Handicap is namelijk ontstaan na de eerste wereldoorlog voor veteranen die moesten bedelen omdat zij gewond waren geraakt. Dit deden zij met hun cap in de hand.’

Gericht kijken

Wat ik van Rudolf wil weten is hoe zijn schoolverloop is geweest en hoe hij aankijkt tegen integratie van studenten met een beperking in het huidige onderwijssysteem. Welke invloed heeft zijn beperking op zijn leven en welke dromen en ambities heeft hij. Rudolf: ‘Al dat geneuzel over integratie, ik word er een beetje moe van. Ik heb er persoonlijk nooit veel moeite mee gehad. Natuurlijk heb ik bepaalde uitdagingen gehad maar dat maakt het leven met een beperking gaaf! Het laat je continu omdenken waardoor je tot andere oplossingen komt en dat is de belangrijkste vaardigheid die je als mens kunt hebben. Mijn rolstoel zorgt bij mij voor een extreem grote motivatie om mezelf te bewijzen!’

Rudolf vertelt dat zijn schoolverloop met de nodige hobbels gepaard ging. ‘In het basisonderwijs hebben mijn ouders eigenlijk alles georganiseerd. In groep 3 kreeg ik een leerkracht die mij niet begreep en niet in oplossingen kon denken. Met hulp van mijn ambulant begeleider en mijn ouders is er uiteindelijk een modus gevonden om onderwijs vorm te geven volgens onze eigen visie van wat voor mij nodig was.

Ik kreeg een mavo-advies en koos binnen het vo voor een kleinschalige vmbo-school. Ik zat bij alle gesprekken en mocht meepraten over hoe ik het onderwijs wilde vormgeven. De communicatie tussen school en mij verliep open en samen kwamen wij altijd tot een oplossing. Dit was nog voor de tijd van de wet Passend onderwijs. Er werd gericht gekeken naar oplossingen zodat ik examen kon doen.’

Meerwaarde van stage

Na zijn examen ging Rudolf naar het mbo in Roer- mond voor de opleiding onderwijsassistent. ‘Ik heb mij binnen dit mbo weinig begrepen gevoeld. Het zelfvertrouwen dat ik op de mavo had gekregen ben ik binnen het mbo verloren. Meedenken in oplossingen op het mbo, zoals ik dat gewend was, miste ik enorm. Er waren wel docenten die hier aandacht voor hadden, maar ik zag het mbo destijds als een vissenkom: iedereen zwemt, maar allemaal een andere kant op. Het goede van het mbo is stage ervaring waar ik elke dag de meerwaarde van zie.’

Binnen zijn huidige hbo-opleiding pedagogiek voelt hij zich thuis. ‘Er wordt meegedacht, men komt afspraken na, er is een duidelijke structuur en ruimte om een eigen pedagogische visie te ontwikkelen. In mijn beleving zijn er drie belangrijke pijlers in de pedagogiek: relatie, autonomie en competentie. Als die goed zijn dan is verandering in het huidige systeem niet nodig.’

Kleine rollen met grote impact

De leerling is uiteindelijk degene die zich moet ont- wikkelen en met zijn beperking moet leren leven. Rudolf: ‘Hier heb je geen testen voor nodig, geen toetsen, alleen een balans van steun en zelfbepaling. De wet Passend onderwijs zou weer ongedaan gemaakt moeten worden. De regie van de leerling is hierdoor volledig verdwenen. Waar voorheen het rugzakje bestond en de leerling hiermee zelf zijn zorg of hulpmiddelen kon bepalen, is men nu afhankelijk van schoolbesturen en directeuren die de budgetten op een grote hoop hebben gegooid. Het maakt bij het volgen van de drie pijlers in de pedagogiek niet uit welke casus de school binnenkomt omdat daarmee iedereen de kans krijgt zichzelf te zijn, zich gehoord voelt en zich kan ontwikkelen.’

In de loop der jaren heeft Rudolf een netwerk opgebouwd van mensen die veel voor hem betekenen en waar hij een beroep op kan doen als hij hulp nodig heeft. ‘Dit zijn niet alleen artsen, docenten, intern ondersteuners, ambulant begeleiders, fysiotherapeuten en ergotherapeuten. Het zijn ook de kleine rollen die een grote impact kunnen hebben, zoals trainers en stagiaires die aan mij gekoppeld werden. Ik denk dat mijn beperking invloed heeft gehad op alle facetten van mijn leven. Mijn beperking heeft mij ontwikkeld in het pedagogisch denken en heeft mij enthousiast gemaakt voor het vak pedagogiek. Ik ben een ervaringsdeskundige geworden en wil jongeren waar het allemaal niet vanzelf loopt ondersteunen en begeleiden.’

Eigenwijze pedagoog

‘Tijdens mijn opleiding pedagogiek heb ik mij ontwikkeld tot een tikkeltje eigenwijze pedagoog. Na het eerste jaar gaf mijn toenmalige begeleider aan dat ik goed in de jeugdzorg zou passen. In leerjaar 2 begon ik met een stage bij een jeugdhulporganisatie en kreeg na een fantastische stageperiode een op- roepcontract aangeboden. Toen ik vervolgens geen geschikte stageplek voor leerjaar 3 kon vinden besloot ik te blijven. Ik heb toen de overstap gemaakt naar het groei-traject, een speciaal traject gericht op vroegtijdig schoolverlaters. Het doel hierbij is om hen door intensieve begeleiding en ondersteuning weer te laten integreren binnen het onderwijs. Ik geniet van mijn werk /stage en opleiding en ik hoop dit nog lang te kunnen doen!’

Rudolf: ‘Veranderen moet? De vraag is niet waarom dat nodig is voor jongeren met een beperking maar waarom is dat nodig voor de maatschappij.

Iedereen heeft vanuit de biologie de behoefte om ergens bij te horen. Laten wij deze jongeren dan ook ondersteunen, zodat zij ook met een rolstoel of wat anders op eigen benen kunnen staan. Zo dragen zij iets bij aan de maatschappij. Wat men vindt en doet heeft te maken met context en structuur. Ik zou als pedagoog willen laten zien dat deze context bepalend is voor hoe er over een jongere of cliënt wordt gedacht. Laten wij de context dan veranderen zodat iedereen uiteindelijk onderdeel kan zijn van deze mooie maatschappij.’


Ik zie de school vanuit een andere kant

Als leerling meedoen en -denken vanuit de MR

Nick van Korven doet en denkt actief mee op zijn school: vanuit de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad is hij betrokken bij het maken van beleid. Dat doet hij met succes: vanuit de leerlingengeleding hebben ze de ICT op hun school onder handen genomen.

Nick van Korven is eindexamenleerling op het vmbo van een scholengemeenschap in de regio Tilburg. Al drie jaar is Nick actief lid in de medezeggenschapsraad (MR) en sinds een jaar neemt hij zitting in de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad (GMR). De reden om plaats te nemen in de MR lag voor hem eigenlijk voor de hand: ‘Je hebt iets te zeggen over je eigen leerproces, wat er op school gebeurt en ik was ook heel nieuwsgierig hoe het in een MR aan toe gaat.’ De reden van zijn deelname aan de GMR is vervanging van een leerling die er tussentijds uitgegaan is om gezondheidsredenen. Nick zag de kans om mee te denken op een hoger niveau. De GMR maakt beleid en neemt beslissingen over drie scholen onder één bestuur.

Nick heeft apart vergaderingen met de leerlingengeleding van de MR (MRL). Die vergaderingen zijn ongeveer om de drie weken op zijn eigen school en met begeleiding van twee personeelsleden die ook in de MR plaatsnemen. De MRL heeft vier leerlingen; zij vergaderen over de beleidsstukken die zijn binnengekomen. Daarnaast vergaderen zij ook over wat hun achterban graag binnen de school wil zien. Nick ziet het onderwijs van dichtbij, omdat hij bijna dagelijks in de school is. ‘In de leerlingengeleding wordt er niet alleen gesproken over de beleidsstukken van de MR, maar ook over bijvoorbeeld een leerlingenstatuut of reglementen die voor leerlingen belangrijk zijn. De MR heeft een grote invloed op het beleid dat er is of beleid dat gaat komen. Binnen de MR worden we als leerlingengeleding serieus genomen. De beleidsstukken zijn soms wel moeilijk, omdat er termen in staan die ik nog niet zo goed begrijp.

We krijgen de stukken van tevoren en gelukkig worden die toegelicht door de directie in de MR vergaderingen.’ Het taalgebruik van de stukken uit de MRL vindt Nick helder en begrijpelijk, die van de MR zijn te doen, maar van de GMR vindt hij soms pittig.

Hij snapt goed dat beleid draait om het behalen van doelen binnen de school en hij heeft het besef dat je naar iets toe kan werken. Hij is, samen met de andere leerlingen in de MR, trots op de successen die behaald zijn. Nick: ‘Wij hebben er steeds op gehamerd dat ICT anders ingericht moest worden. Nu hebben we sinds een paar weken een enorme ICT-migratie gehad. In de periode waarin we nu in zitten (de coronatijd, red.) is het super dat we met dit nieuwe systeem onderwijs op afstand kunnen hebben. Ook het veiligheidsplan hebben we aan de orde gebracht en daar is serieus wat mee gedaan. De ontruimingen zijn er nu met regelmaat, wat voorheen niet of nauwelijks gedaan werd.’ Nick voelt zich in de MR veilig omdat hij kan zeggen wat hij wil. Hij heeft er veel geleerd. Nick: ‘Ik heb vooral geleerd om op gepaste manier je mening uit te dragen. Niet roepen wat je vindt en denkt maar op een nette manier kan je ook iemand beïnvloeden. Het is super hoe goed de suggesties van de leerlingen meegenomen worden door de directie.’

MR en GMR

In de GMR, een orgaan dat minder vaak bij elkaar komt, is Nick sinds vorig jaar lid. Hij is samen met een leerling van een andere school betrokken bij processen die op een breder vlak liggen. Nick: ‘Meedoen aan de GMR vind ik een stuk moeilijker. Je denkt mee voor drie scholen tegelijk. Je bent met complexere zaken bezig. Bijvoorbeeld een meerjarenbegroting vind ik heel lastig. Maar dat vind ik ook een onderdeel in de MR wat me niet ligt. Ik moet dan instemmen op iets wat ik niet goed snap. Het is goed dat er uitleg komt en dat je vragen kunt stellen.’

‘Het leukst aan de MR en GMR is medezeggenschap, de organisatie van de school of scholen en de beleidsmatige kant. Ik kijk echt anders naar de school.’ Nick snapt hoe belangrijk het is om in te stemmen op een lessentabel of mee te denken over een onderwijsplan. Hij begrijpt heel goed dat zijn schoolgenoten niet goed weten waar hij mee bezig is. Toch probeert hij anderen duidelijk te maken waar het om gaat. Het voorbeeld over communicatie is er eentje waar hij wel heel duidelijk een mening over heeft. Nick kreeg van andere leerlingen in zijn school een opmerking over de communicatie tijdens het coronavirus. Nick: ‘Leerlingen zeggen dan dat de communicatie traag is. Ik probeer ze uit te leggen dat school er op alle vlakken mee bezig is. Het gaat in onze school niet alleen om jou alleen, maar de school is bezig voor alle leerlingen en alle medewerkers. De school heeft tijd nodig om op een goede manier de communicatie uit te zetten. Soms snappen ze dat en soms ook niet.’

Het minst leuk aan de MR en GMR vindt hij de soms taaie stukken. Nick: ‘Wetsvoorstellen, begrotingen: dat is lastig. Meestal wordt dat wel verdeeld over de leden. De een stelt die vraag, de ander weer over een ander onderwerp. Soms moet je instemmen maar als het stuk dan nog niet compleet is of er komt nog een aanvulling op, duurt het soms wel lang voordat er weer een vergadering is.’

De studentenraad op de vervolgopleiding

Nick doet dit jaar examen op het vmbo. Hij heeft zich aangemeld bij de opleiding Audiovisuele Productie op het Koning Willem I College. Zelf maakt hij al jaren opnamen voor diverse bedrijven en is T-reporter bij omroep Tilburg. Hij gaat het examen met groot vertrouwen tegemoet en ziet zijn opleiding als een mooie stap naar professionaliteit. Hij gaat eerst een half jaar of een jaar wennen aan de opleiding en is zeker van plan om op het mbo plaats te nemen in de studentenraad. Hij wil zijn stem opnieuw laten horen. Nick: ‘Voor deel te nemen aan een overlegorgaan is het goed dat je eerst weet hoe de school eruit ziet, hoeveel leerlingen die heeft en wat er op het gebied van beleid al is. Ik realiseer me dat ik op een totaal andere school terecht kom. Maar onderwijs kun je alleen goed neerzetten als de stem van studenten of leerlingen gehoord wordt.’


Elisa vond haar vervolgopleiding zelf

Elisa heeft op haar voormalige middelbare school weinig begeleiding gehad in het vinden van een vervolgopleiding. Na matige voorlichting, afstromen en teveel focus op cijfers, heeft ze zelf haar route uitgestippeld. Maar dat kostte veel energie.

De school waar Elisa op zat is een kleine school. Het leerklimaat en het sociale klimaat zijn nauw met elkaar verbonden. De school heeft zelfontdekkend leren als uitgangspunt: volgens de school de meest effectieve manier om jezelf te ontwikkelen. Oudleerling Elisa is het daar mee eens, maar op het gebied van LOB heeft de school volgens haar nog een inhaalslag te maken. Ze maakte een niveauoverstap en merkte toen dat er een groot verschil zat tussen LOB op het vmbo en op de havo. Elisa had graag gezien dat er goede begeleiding zou zijn voor haar loopbaanvorming, want ook al zit ze nu goed op haar plek in het vervolgonderwijs, de zoektocht heeft haar veel tijd en energie gekost. Graag had ze haar decaan vaker gezien of gesproken of een gedegen programma gevolgd om erachter te komen wat bij haar zou passen.

Van vwo naar vmbo

Sinds dit jaar is Elisa met de studie Toegepaste Psychologie gestart op de Hogeschool Leiden. Op haar middelbare school begon ze in een vwo-klas. Haar eerste drie jaren waren brugklasjaren. Elisa: ‘Vooral het derde jaar van het vwo heb ik als een verschrikkelijke periode ervaren. Er was bij mij dyslexie geconstateerd. Ik had superveel vakken. Het lukte allemaal niet en ik had ook nog eens de pech dat ik geen klik had met mijn aangewezen mentor. Natuurlijk kreeg ik wel bij toetsen de tijdverlenging, maar gewoon eens de vraag hoe het met mij ging, was er niet bij. Daarnaast ging het vooral om de voortgangen en of ik de overgang naar het volgende jaar zou halen.’

Haar resultaten waren niet goed en daarom was er halverwege klas 3 sprake van een overstap naar havo. Er moesten nieuwe boeken besteld worden, de lessen waren anders. Het gesprek met mentor en schoolleiding liep anders en er werd al snel gesproken over een overstap naar klas 3 van het vmbo. Ze kon niet overstappen naar vmbo klas 4, omdat ze aan het eind van het jaar zat. Elisa: ‘Ik kon Frans en Duits laten vallen en een jaar doubleren. Persoonlijke begeleiding was er amper. Er was een coördinator voor leerlingen met dyslexie, maar dat was dan ook alles.’ Ze was in eerste instantie boos. Achteraf, zo zegt ze, was het zo beter omdat zij er hard voor moest werken. Ze slaagde met goede cijfers op het vmbo. In dat examenjaar heeft ze zich op advies van de decaan gericht op een mbo-opleiding. Bij de open dagen en de meeloopdag kwam ze er snel achter dat dit niet het niveau was dat bij haar paste.

Begeleiding

Op het vmbo kwam de decaan in de klas. Die vertelde over open dagen, meeloopdagen, een opleidingenmarkt en andere zaken. Elisa was zich er van bewust dat er aan loopbaanvorming gedaan werd. Op haar school werd niet met een methode of met testen gewerkt. Ze had zich voor het mbo aangemeld, maar ze merkte al snel dat ze zich daar niet op haar plek voelde. Daarom was een overstap naar havo voor haar een betere stap. Elisa: ‘Op de havo kon ik mijn eigen mentor kiezen. Dat was fijn, want hij kende mij als persoon en ik kon, als er iets was, op mijn mentor terugvallen. Over de begeleiding van leerlingen, zoals ik met dyslexie, waren alleen de standaard procedures van toepassing.’ Ze heeft begeleiding in het zoeken naar de juiste opleiding hard gemist. Op de havo was die begeleiding vanuit de decaan er namelijk niet of nauwelijks. Elisa: ‘Op eigen initiatief ben ik naar voorlichtingen en open dagen geweest. In havo 4 ben ik gelijk gaan zoeken. Ik heb met beroepsbeoefenaars en studenten gesproken en open dagen bezocht. Een loopbaandossier kent Elisa niet: ‘Er werd bij ieder rapport in havo 5 verwacht dat je een reflectie schreef. Dat werd  niet al te serieus genomen door de school en dus ook niet door de leerlingen. Het draaide alleen om  de cijfers.’

Loopbaancompetenties

Bij de loopbaancompetenties wordt op de oude school van Elisa niet veel stilgestaan, vertelt ze desgevraagd. Het zou haar geholpen hebben bij het ontdekken wie ze is, wat ze leuk vindt en wat ze daarvoor nodig heeft. Een LOB-methode is er niet en een wekelijks LOB-uur staat niet op het rooster. Er is wel een mentoruur, maar in de bovenbouw maak je als leerling zelf afspraken of je hier wel of niet iedere week naartoe wil gaan. Tijdens keuzewerktijd wordt een leerling een keer ingepland voor een gesprek. Elisa: ‘Een gemiste kans, want veel leerlingen zouden er baat bij hebben om juist met een methode een loopbaandossier op te bouwen. Het zomaar iets doen uit een boek of een digitale methode moet uiteraard niet het doel zijn. Wel de terugkoppeling in een gesprek met de mentor of de decaan.’

Keuze tot de juiste opleiding

Elisa kan haar keuze voor haar vervolgopleiding, die ze nu volgt, nog goed terughalen. Ze heeft in eerste instantie eerst naar beroepen gekeken. Elisa: ‘Wat vind ik leuk om als beroep te hebben, was mijn uitgangspunt. Dat werkte totaal niet. Ik ben toen een combinatie gaan maken van de vakken die ik heb en de opleidingen die erop aansluiten. Dat bracht me een stuk verder. Ik kwam tot de ontdekking dat mijn profielwerkstuk veel overeenkomsten had met mijn vakken en mijn interesses. Ik ben toen pas echt goed gaan kijken en kwam in mijn eigen speurtocht tot de conclusie dat Toegepaste Psychologie de opleiding is die ik wil volgen.’

Huidige studie

Elisa zit in haar eerste jaar van haar opleiding. Iedere dag reist zij met de trein vanuit Almere naar Leiden. Dat reizen gaat prima. Op kamers wonen vindt ze nu nog niet belangrijk. De opleiding vindt ze in ieder geval fantastisch; vakken als Biologie, Statistiek en Neurologie interesseren haar enorm. Stage komt  pas in leerjaar 3 aan de orde. Elisa: ‘Ondanks alles  kijk ik met plezier terug naar mijn middelbareschooltijd. Daar heb ik mijn vriend leren kennen.  En door mijn eigen weg in het keuzebos te mogen vinden, ben ik sterker geworden in keuzes die ik moet of mag maken.’


Zelfkennis, doorzettingsvermogen en goede LOB: een succesverhaal

Oud-decaan en oud-mentor Peter Huwae sprak zijn vroegere leerling Patrick. In dit artikel blikt Huwae, aan de hand van dat gesprek, terug op de schoolcarrière van Patrick. Hoe heeft de school hem geholpen bij het ontdekken van zichzelf?

In september 2012 startte op de Daltonschool Helen Parkhurst in Almere de vwo-stroom van het Technasium. Bij de start viel op dat een flink aantal van de aangemelde leerlingen ‘iets extra’s’ hadden. Hoogbegaafdheid, dyslectie, ADHD en diverse varianten in het autistisch spectrum versterkten het inzicht dat een meer inclusieve aanpak nodig was. De school had al ervaring met een hoogbegaafdentraject en het team begon betere zintuigen en passende aanpak te ontwikkelen.

Een van de leerlingen die daarvan profi jt heeft gehad, is Patrick. Dit verhaal gaat dan ook over hem en om vast het einde te verklappen: door zijn eigen inzet en inzicht is het een succesverhaal, ook al lijkt het vanaf het begin een lastig scenario te worden.

Kans van de rector

Patrick had zich samen met twee vriendjes van de basisschool aangemeld op Helen Parkhurst. Het was al lang duidelijk dat hij snel en slim was, maar ook behoorlijk dyslectisch. Zijn spellingsniveau was op het niveau van een leerling uit eind groep 3. Op school werd hij er soms mee gepest en hij vond het vervelend om steeds extra spellingsoefeningen te moeten doen als hij klaar was met andere vakken. Hoewel hij formeel niet toelaatbaar was, gaf de rector hem een kans met als voorwaarde dat hij individuele hulp zou inschakelen. Het was duidelijk dat het probleem te groot was voor de RT’er op school en dat wekelijkse individuele ondersteuning nodig was. Uiteindelijk is hij via deze bijlessen doorgegroeid naar spellingsniveau van groep 7. Patrick voelde zich vanaf het begin een stuk meer op zijn gemak op school. De tijd die hij nu over hield bij andere vakken mocht hij besteden aan verrijkings- en verdiepingsopdrachten: zinvol en leuk. In deze uren werkte hij met zijn twee vrienden aan projecten, waarbij hij er achter kwam dat iemand de samenwerking binnen het groepje moest bewaken en dat de rol van leidinggeven hem wel lag. Ook vond hij het interessant toen hij via deze V-coach-uren in contact kwam met een oudere leerling die een eigen bedrijfje had opgericht.

Talen als belemmering

Met vakken als Nederlands en Engels had Patrick het al druk genoeg, maar de vakken Frans en Duits zouden een succesvol doorstromen naar de bovenbouw zeker blokkeren. De teamleider keek samen met de begeleidster van hoogbegaafden en de talendocenten naar wat hij wél kon. Patrick was een ijverige jongen en (het kan niet missen) handig met computers. Zo deed hij een deel van de opdrachten met de klas mee, maar maakte hij bijvoorbeeld bij Frans een digitale folder over een bepaald vakantiegebied als alternatieve opdracht.

Extra LOB-bronnen in de school zelf

Vanaf klas 3 volgden de leerlingen een LOB-programma, maar de ervaringen van Patrick die hieronder staan waren mij toen merendeels niet bekend. Patrick had door de gastcolleges bij het vak Onderzoeken en Ontwerpen ervaren dat het vinden van praktische oplossingen voor problemen hem erg aansprak. Zo koos hij voor het Technasium, profi el N&T, waarbij hij dankbaar gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om de tweede moderne taal te vervangen door een ander vak. De Dalton-activiteit ‘Almere Plaza’, gegeven door een docent met een eigen bedrijf, sterkte hem in de gedachte dat het ondernemerschap hem aantrok. Een gedachte die verder groeide via een scheikundedocent, afkomstig uit het bedrijfsleven en een M&O-docent die was overgestapt van een accountancybureau. Via de informaticadocent deed hij mee aan het UvA-project ‘ICT in de wolken’, waarbij hij merkte dat wiskunde hem meer trok dan programmeren. Tot slot raakte hij als lid van de MR en de GMR zeer geïnteresseerd in het functioneren van een school als bedrijf. Bij het verdelen van taken binnen de MR-leden koos hij voor het fi nanciële beleid.

Met zijn doorzettingsvermogen heeft hij het vwodiploma behaald. Door zijn onderzoekende houding naar de vragen wat hem motiveert en wat hij belangrijk vindt, heeft hij een basis gelegd voor het maken van gemotiveerde keuzes.

De brugklasser van toen is nu als vierdejaars student bezig met zijn master Bedrijfskunde aan de UvA, hij heeft een eigen bedrijfje en is ook actief binnen een landelijke politieke partij. Het is mooi om te zien hoe hij daartoe zelf de bouwsteentjes binnen het onderwijs heeft kunnen vinden.


Op school aan de keukentafel

Een veilige plek in coronatijd

Het Regio College (roc) in Zaandam ging in de coronacrisis half april open voor een kleine groep studenten waar collega’s zich extra zorgen over maken vanwege hun thuissituatie. De school wil deze jongeren een veilige plek bieden om te studeren:  op school aan de keukentafel. Aan het woord hierover is Martijn Kool.

Martijn Kool, directeur van de School voor Zorg, Welzijn en Sport van het Regio College, ziet dat het onderwijs op afstand redelijk verloopt. De meeste studenten doen behoorlijk hun best. ‘We maken ons natuurlijk zorgen over alle studenten. Net als zoveel scholen zijn we extra bezorgd over de meest kwetsbare groep. Voor een deel van de jongeren is afstandsonderwijs ingewikkeld. Dat zijn de studenten die thuis geen goede of veilige plek hebben waar ze rustig kunnen werken en zich voorbereiden op examens. Stel je bijvoorbeeld een klein huis voor, waar nog meer kinderen ergens mee bezig zijn aan diezelfde keukentafel. Voor een groep anderstaligen geldt ook dat de taal bij onderwijs op afstand het nog ingewikkelder maakt; sommigen van hen zijn ook minder digitaal vaardig. We zien het als een maatschappelijke taak om speciaal voor deze jongeren een voorziening te maken op school. We zijn ook bang dat sommige studenten afhaken en hun diploma niet halen.’

Afgezette werkplekken

Daarom wordt de studenten één keer per week een werkplek op school aangeboden. Kool: ‘Per dagdeel laten we maximaal 25 studenten toe. Een deel van het gebouw is speciaal gereserveerd voor deze groep. Per lokaal 6 of 7 studenten met één docent als begeleider. We zorgen ervoor dat er altijd minimaal twee docenten aanwezig zijn. In het lokaal zijn de werkplekken afgezet met tape op de grond, zodat er voldoende afstand is. De receptie registreert de student bij binnenkomst: als je naam niet op de lijst staat, dan kom je er niet in. Ze moeten hun handen wassen en dan via een aangegeven bewegwijzering naar het lokaal. Bij binnenkomst en vertrek houden surveillanten ze in de gaten, zij letten op afstand houden en gedrag.’ Kool liep gister ook mee met een hesje aan. ‘Afstand houden is lastig. Anderhalve meter is een enorme afstand. Net zoals je op stoepen ziet, lukt dat ook in de gangen van de school slecht. Ook gaat anderhalve meter bij pubers niet altijd vanzelf, dat nemen we ze niet kwalijk. Je moet ze er af en toe even op wijzen.’

Ondersteuning

Kool vertelt over de eerst groep die binnenkwam: veertien jongeren, bijna iedereen die was benaderd was gekomen en ze waren er duidelijk blij mee. ‘Zeer prettig’, hoorde hij iemand zeggen. Per dag komen er tussen de tien en twintig jongeren naar school. Het is duidelijk dat het in de behoefte voorziet. ‘Sommigen vragen of ze vaker mogen komen. Als de capaciteit het toestaat, dan kan dat.’ Hoe bepaal je wie op school mag werken? ‘De loopbaancoaches onderhouden het contact met hun groepen. Ook de zorgadviseurs hebben intensief contact met studenten die dat nodig hebben. De loopbaancoaches maken de afweging voor wie het belangrijk is om uit huis te komen. Ze geven dat door aan de teammanager, die daar het fiat aan geeft en in de gaten houdt dat er niet teveel komen. De teammanagers melden de studenten aan bij de veiligheidscoördinator. ‘Op school zitten de studenten te werken aan het onderwijs op afstand, hetzelfde als wat studenten thuis doen. ‘Bij de entree-groep zetten we zoveel mogelijk een eigen docent in als begeleider. Die weet waar ze aan moeten werken en die kan de gewone begeleiding geven. Niet alle docenten kunnen, wat het vak betreft, alle jongeren helpen. Wel kunnen ze ondersteuning geven bij taal, het benaderen van een vakdocent of gewoon even meekijken.’

Er speelt van alles

In de entree-opleidingen zitten relatief meer kwetsbare jongeren dan in andere groepen. Maar Kool benadrukt dat extra zorg voor jongeren dwars door alle opleidingen en alle niveaus heen gaat. ‘Docenten besteden nu veel tijd aan studenten die dat nodig hebben. Ze houden in de gaten hoe het met ze gaat en bieden een luisterend oor. Er speelt van alles: moeilijke thuissituaties, privéproblemen, gevoelens van depressie, eenzaamheid. De media benoemen nadrukkelijk de ‘eenzame ouderen’, terecht. Onder jongeren is de groep ‘zorgelijke thuissituatie waar je niet uit kunt’ net zo schrijnend. De mbo’ers hebben als ‘voordeel’ dat ze wat ouder zijn dan de jongeren in het voortgezet onderwijs. Ik weet bijvoorbeeld van een jongen die een baan heeft aangenomen om uit huis te zijn. Helaas is er ook een kleine groep studenten waar we helemaal geen contact mee hebben. Hierover zijn we in gesprek met leerplicht.’

Hoe verder? ‘We hopen natuurlijk net als iedereen zo snel mogelijk weer aan de slag te kunnen’, zucht Kool even. ‘Maar dat zal nog wel even duren. Stel dat we onze studenten op school kunnen ontvangen ‘met afstand’, dan kunnen we wat oppervlakte betreft een derde van de studenten in huis hebben. Dus moeten we vervolgens een combinatie van onderwijs in school en op afstand maken. Dat wordt zeker nog een hele uitdaging.’


Je kunnen uiten zonder te hoeven praten, hoe fijn is dat

De kracht van tekentherapie

Tijdens de Dag voor de Leerlingondersteuning in november 2019 gaf Marjanne Klaver  de hoogst gewaardeerde workshop van het congres: tekentherapie. In dit artikel legt ze uit waarom het een uitstekend instrument is ter uitbreiding van het handelingsrepertoire van elke begeleider.

Al sinds de oertijd maken mensen gebruik van tekens en beelden, op rotsen, kleding, gebruiksvoorwerpen, lichaamsdelen. Tekenen is van oudsher de ultieme vorm van communicatie. Het is een oervorm. Het is een van de eerste vaardigheden die we van  nature inzetten om ons te kunnen uiten. Nog voordat we goed en wel kunnen praten, krassen we al met krijtjes, instinctief, liefst op muren en vloeren, om kenbaar te maken wat we voelen en om te laten weten dat we er zijn. Een tekening is een beeld dat een verhaal vertelt en beeldverhalen zijn er in alle soorten en maten. Een stripboek ligt voor de hand, maar denk ook aan een prachtig schilderij in een museum of de scheurkalender op de wc. Door het gebruik van lijnen, kleuren, details en symboliek brengen zij een verhaal tot leven. Ze creëren een omgeving en sfeer en laten een weergave van een tijdsbeeld zien. Deze ingrediënten worden op een bepaalde manier door iemand bewust gecombineerd, zodat een tekening ontstaat. De tekenaar creëert.

Wanneer je in plaats van bewust te tekenen juist het onbewuste ‘aan het woord laat’, gebeuren er heel andere dingen. Ook dan ontstaat er een tekening, en onder regie van het brein spreekt dan het gevoel zonder inmenging van kennis. Het vertelt ook een verhaal, alleen is het dan geen vooraf bedachte  creatie ontsprongen uit het creatieve brein, maar een persoonlijk en informatief verhaal. Het vergt scholing om te weten wat je hierin ziet. Het kader  en de tekeningen bij dit artikel zijn voor bovenstaand illustratief.

Als tekentherapeut werk ik met deze onderbewuste  beeldtaal, ook wel tekentaal genoemd. In een  vierenhalfjarige studie, o.a. gebaseerd op de psychologie van Carl Gustav Jung, de kunstzinnige therapie van Rudolf Steiner, de psychosynthese van Roberto Assagioli en het werk van Greg Furth, heb ik geleerd deze beeldende taal te interpreteren en om een tekening te vertalen. Deze kennis kan praktisch worden ingezet in het dagelijkse leven; het helpt bij het oplossen van problemen of het bereiken van doelen. Wat heeft een tekening ons te vertellen en hoe kunnen we met die inzichten aan de slag?

Zo werkt het De mens vormt beelden met behulp van zintuigen en voorstellingsvermogen. De hele dag komt er via onze zintuigen informatie tot ons, maar niet al  deze informatie dringt tot ons bewustzijn door. Bewust en onbewust zijn we voortdurend bezig  de informatie te selecteren en te interpreteren.  Al denkend en voelend verwerken we de zintuiglijke prikkels. Zo verbinden we deze met wat bij  ons leeft en belangrijk voor ons is en krijgen de beelden betekenis.

Soms hebben we iets meegemaakt wat te pijnlijk is. Dat beeld stoppen we het liefst zo goed mogelijk weg. Het is vaak een onbewust proces, een overlevingsmechanisme. Een beeld dat je verdringt is als een bal die je onder water probeert te houden: dat kost veel energie. Het gevolg is het ontstaan van fysieke en/of emotionele klachten. Door het maken van een tekening, een schilderij of een andere beeldende vorm zoals een collage, breng je onbewust in beeld wat er innerlijk leeft. Je maakt opgeslagen informatie (beelden uit het onbewuste) zichtbaar, waardoor helder wordt wat er speelt. Je geeft uiting aan je gevoelens of je gemoedstoestand. Emoties als angsten, onzekerheid, blijdschap, boosheid, onbegrip, frustraties komen boven. Je laat de tekening praten; ook wel creatieve communicatie genoemd.

In het tekenproces wordt het denken, voelen en  handelen door middel van het ontwerp, het kleurgebruik (kleur is emotie) en de motoriek samengevoegd. Het fysieke niveau vertaalt zich in gebruik  van lijnen, beweging en energie. Het emotionele niveau door gebruik van kleuren en sociale inter- actie. Het geestelijke niveau door symboliek, de boodschap, verbanden, tijd en ruimte. Dit vormt de beeldtaal: tekentaal. Het maken van een tekening helpt om te uiten wat je met woorden niet kunt. Deze expressie zorgt voor een ontlading en kan een enorme opluchting geven. Het mooie is dat je hiervoor niet hoeft te kunnen tekenen of creatief hoeft te zijn. Iedereen kan het!

Creatieve communicatie en pubers

Wanneer er balans is tussen het denkvermogen, gevoel en handelen, dan is er sprake van psychologisch welzijn. Er is denkend voelen en voelend denken. Dit is voor een volwassen mens soms al moeilijk genoeg, laat staan voor pubers. Zowel psychisch als fysiek heerst er over het algemeen disbalans bij een puber. Hormonen gieren door het lijf, ze worden heen en weer geslingerd tussen kind zijn en volwassen worden en het ontplooien van de eigen identiteit. Als er dan ook nog een trauma meegedragen wordt, bijvoorbeeld de scheiding van ouders, gepest worden, faalangst of werkdruk op school, dan ontstaan er blokkades. Deze kunnen het kind vastzetten. En dat terwijl ook juist een puber niets liever wil dan gehoord, gezien en begrepen worden (ondanks het soms stoere puberschild). Een puberbrein kan weigeren om te praten, simpelweg omdat het niet weet hoe of omdat het soms de juiste woorden niet kan formuleren. Voelen en uiten worden dan erg lastig. Juist dan, wanneer praten geen optie is, maar wanneer het toch nodig is dat er hulp geboden wordt, blijkt het inzetten van tekenen als instrument voor deze doelgroep doeltreffend. Het snelle resultaat, zonder veel woorden eraan vuil te hoeven maken, vindt het kind/puber/jongere zelf vaak een prima optie. ‘Lekker snel en zonder teveel gelul en gezeik, want dat horen we namelijk al genoeg thuis en op school’, aldus de quote van een leerling.

Missie

Uiteraard is voor kwetsbare jongeren met heftige problematiek de juiste hulp in de vorm van professionele individuele begeleiding of een therapeutisch traject nodig. Het is dan ook niet mijn bedoeling om zorgprofessionals op het voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs tekentherapie te leren. Daar is een gedegen opleiding voor nodig. Ik ben er wel een voorstander van om praktische kennis en tools in te zetten en te delen. Ik geloof in de doelmatigheid van tekenen als instrument en het profijt dat de scholier en de leerlingbegeleider daarvan kunnen hebben. Als eerste-hulp tool is het laten maken van een tekening, mits je weet hoe, een instrument ter uitbreiding van het handelingsrepertoire van elke begeleider, zorgcoördinator en leerling.

Kijk voor meer informatie over Tekentherapie,  trainingen Creatieve Communicatie en intervisie op  de website magenta-tekentaal.nl, of mail naar  Marjanne Klaver: info@magenta-tekentaal.nl


#MeToo tijdens begeleiding in het onderwijs

 #MeToo tijdens begeleiding in het onderwijs

Hoe om te gaan met #MeToo in het onderwijs? Wat als een aantrekkelijke adolescent zich iets te vrijpostig opstelt? Of wat als je beschuldigd wordt van een of ander? Beroepskeuze-adviseur Theo Grevers gaat dieper in op dit onderwerp en deelt daarbij ook verhalen uit zijn eigen beroepspraktijk.

De afgelopen tijd is #MeToo geregeld in het nieuws. Het lijkt haast overal flink mis te zijn. Sportclubs, scouting, universiteiten, scholen, kunstopleidingen, filmindustrie, overheid, geloofsgroeperingen, de medische wereld en ga zo maar door: overal waar mannen werken – meestal zijn het mannen – én waar sprake is van machtsongelijkheid, blijven de verhalen opduiken. Goed dat het naar buiten komt, want daarmee kan erger mogelijk worden voorkomen, al krijgt het soms het karakter van ‘veroordeling door de media’.

Hoe zit het binnen de schoolmuren? Ik merk af en toe angst onder mannelijke professionals die persoonlijke gesprekken met leerlingen (vaak samen in een kamertje) moeten aangaan. Zo heb ik al diverse keren gehoord: ‘Met ‘die-en-die’ ga ik voor geen goud samen in een aparte ruimte zitten!’

Maar wees niet te bang voor zo’n tweegesprek. Want wat er als een informeel en ontspannen gesprek uit kan zien – en uit moet zien – is in feite een methodisch gesprek, met van uw kant een duidelijk plan van aanpak en een helder doel voor ogen. U bent op twee niveaus tegelijkertijd aan het werk: u voert een natuurlijk gesprek, maar in uw hoofd bent u zich er voortdurend van bewust waar u naar toe wilt, hoe u dat gaat aanpakken, of het werkt en of u moet bijsturen. Iedere actie (verbaal of non-verbaal) zet u in om het einddoel te bereiken.

‘Geduld, warmte en begrip’

Terwijl u dus een gesprek voert met de leerling, bent u in uw hoofd met van alles bezig. Maar niet alleen met de feitelijke voortgang in het gesprek, want ook registreert u wat er op relatie- en gevoelsniveau gebeurt: hoe voelt de leerling zich bij u en hoe voelt u zich bij de leerling? Bij u kunnen gevoelens de kop opsteken die het doel van het gesprek niet dienen: u zit geregeld tegenover een aantrekkelijke adolescent waarvoor u warme gevoelens kunt krijgen. En ook u kunt dit soort gevoelens bij de leerling oproepen omdat u rust, geduld, warmte en begrip uitstraalt: allemaal vormen van aandacht die in het dagelijks leven kunnen ontbreken en waar een adolescent net behoefte aan kan hebben. Het kenmerk van een professioneel tweegesprek is dat u deze gevoelens in het gesprek waarneemt en bij uzelf herkent. Dan blijft natuurlijk de vraag hoe u ermee moet omgaan. Ik zie veel mogelijkheden – en ik denk u ook – maar van dat ene, die grens overgaan, weten we allemaal dat u dat nooit moet doen. Nog afgezien van de beroepsethische regels die u overtreedt, maakt ook de machtsongelijkheid dat tot een foute situatie. Machtsongelijkheid is er niet alleen doordat u docent bent, maar alleen al doordat u ouder bent en meer levenswijsheid bezit. Zelfs al gaat een leuk pubermeisje met een lekker brutale kop en een uitdagend naveltruitje recht tegenover u als mannelijke begeleider zitten, is het nog steeds een ongelijkwaardige situatie en is haar beleving van de affectieve situatie nog steeds volkomen anders dan die van u.

Het is wel plezierig, om niet te zeggen noodzakelijk, dat u dergelijke ervaringen met collega’s kunt delen en dat de directie vertrouwen in u heeft en achter u blijft staan, mocht dit op enigerlei wijze nodig blijken te zijn. Ook ik heb natuurlijk met dergelijke situaties te maken. Als mannelijke studie- en beroepskeuze-adviseur werk ik immers dagelijks met jonge vrouwen en door de persoonlijke en diepgaande gesprekken is er sprake van een in zekere zin ‘intieme’ relatie, waarin ik na een paar uur vaak meer over iemand weet dan diens vrienden en familie. Ik heb gelukkig nooit teruggekregen dat iemand zich bij mij ongemakkelijk of geïntimideerd heeft gevoeld, maar ik herinner me wél een situatie waarin ik zelf in verlegenheid werd gebracht.

Zoenen

Jaren geleden, toen ik nog een betrekkelijk onervaren studiekeuze-adviseur was, had een decaan van een mbo-college gevraagd of ik een onderzoek kon doen bij een vrouw van twintig die in haar laatste jaar SPW was vastgelopen in haar stage. Er waren vanuit haar stageadres ernstige twijfels over haar inlevend vermogen – uiteraard een doodzonde in dit vakgebied – en omdat haar vorige stage ook al op dit punt was misgelopen, was haar aangeraden een andere opleiding te kiezen. Ik zou haar hierbij helpen. Ik trof een in mijn ogen knap meisje (kort strak truitje, leren broek, blote voeten), een vriend en vader. Alle drie waren ze al negatief en wantrouwend voordat het gesprek begon, omdat ze mij als verlengstuk van de opleiding zagen. Nu had  ik dit meisje liever al in haar eerste jaar in plaats van in het examenjaar gezien, maar ten eerste kon ik dat niet helpen en ik vond het ook terecht dat de school het alsnog aankaartte in plaats van passief toe te zien. Ik ging er dan ook bij het gesprek vol in en al snel bleek dat het meisje veel conflicten had waarbij de ander het altijd gedaan had. Op haar eigen bijdrage hieraan had zij maar nauwelijks zicht. Het werd geen fijn gesprek en maakte pijnlijk duidelijk dat haar gevoelswereld voor woonbegeleider of activiteitenbegeleider tekortschoot en dat ze zou moeten uitzien naar een alternatief. Opeens nodigde ze haar vriendje uit om bij haar op schoot te komen zitten waarna de twee vlak voor mijn neus gingen zoenen. Vader keek bij deze demonstratie weg en zelf keek ik maar gauw omlaag. Met mijn ervaring van nu was ik direct weggegaan, maar destijds ontbrak het mij aan die assertiviteit. Na een week lag er een klacht bij de decaan, zonder afschrift naar mij: ik zou naar haar borsten hebben zitten gluren.

Hiertegenover staan veel verhalen waaruit blijkt dat je als mannelijke adviseur wél warm kunt omgaan met jonge vrouwen, zonder angstig of krampachtig te gaan werken. Zo kan ik mij een eindgesprek herinneren bij ouders thuis in een sfeervolle kamer. Ik wilde een test bespreken van een achttienjarig meisje aan de hand van een resultatenformulier. Ze kwam naast mij zitten op de bank en schoof dicht tegen mij aan met de woorden: ‘Leuk naar de resultaten kijken.’ Ik voelde mij er niet gemakkelijk bij en vond het te intiem. Maar later fluisterde haar moeder (een huisarts, die mijn ongemak blijkbaar wel aanvoelde) mij in: ‘Laat haar maar, ze vindt je gewoon aardig en ze is blij met je hulp.’ Mij helpt het dat ik een prettige collega heb met wie ik altijd even op zo’n situatie kan terugkijken en die niet aarzelt wat terug te zeggen.

Het blijft al met al een lastig onderwerp. Laten we er vooral over in gesprek blijven met als inzet dat openheid van zaken het aantal vrouwelijke (en natuurlijk ook mannelijke) slachtoffers tot nul reduceert en dat hulpverleners professioneel hun werk kunnen doen zonder dat ze vormen van affectie bij de ander of zichzelf negeren en als een soort robot te werk gaan


De school als veilige basis voor, tijdens en na de Coronacrisis

De school als veilige basis voor, tijdens én na de Coronacrisis

Wat nu de school als veilige basis wegvalt in tijden van Corona? Hoe bouw je die veilige basis weer op? Jan Ruigrok houdt een vurig pleidooi.

Het is ten tijde van schrijven maart 2020 en de Coronacrisis zet de wereld op een kantelpunt.  De sociale media vragen naar favoriete gedichten, liedjes en filmfragmenten. De antwoorden zijn ankers van hoop in onzekere tijden en boren een overlevingsinstinct aan van waaruit de krachten als vanzelf naar boven borrelen. Mij brengt het bij de bestralingstoptien die ik samenstelde toen ik jaren geleden in een isolatiekamer van de Daniel den Hoedkliniek lag en niet wist of ik er over een jaar nog bij zou zijn. Het stoomlied van Ed en Willem Bever stond op 1, gevolgd door Tom Petty’s Zombie Zoo:

Sometimes you’re so impulsive,  you shaved off all your hair You look like Boris Karloff and you don’t even care. Painted in a corner and all you wanna do Is dance down at the Zombie Zoo

Vanuit mijn man cave zie ik nu, decennia later, in de verte de watertoren van Barendrecht. Daar lag de finish van een wandelmars die we als padvinders bij een temperatuur van dertig graden moesten volbrengen. Naarmate de toren dichterbij kwam, namen het volume en de welluidendheid waarmee onze liederen over de aardappelvelden golfden, af. Desondanks hielden we stug vol terwijl we zongen:

‘en van je hela hola houd er de moed maar in’

En:

‘ik ben zo blij, zo blij, dat mijn neus voren zit  en niet opzij’

Het waren liedjes van hoop waaraan wat inspiratie betreft ook nu nog menig gedicht, roman en kunstwerk niet kan tippen: zolang mijn neus van voren zit, is nog niet alles verloren. Daar kan Mona Lisa een puntje aan zuigen. Wanneer zekerheden wankelen, de wereld op het punt staat blijvend te veranderen en waar mensen schade en pijn oplopen door wat het lot over hen uitstrooit, is het beroep dat op hoop gedaan wordt groter dan ooit. Scholen kunnen een bijdrage leveren in het zichtbaar maken, kanaliseren en doen groeien van hoop. Daarmee helpen ze leerlingen en leraren zich staande te houden en leggen ze een fundament voor de toekomst.

De school als veilige basis

Het verhaal van de School als Veilige Basis definieert een veilige basis als een plek die bescherming, veiligheid en zorg biedt én waar je uitgedaagd wordt om over drempels te stappen en jezelf te ontwikkelen. Het is een optimale combinatie van wat in het Engels caring and daring heet. Je gunt ieder kind dat opgroeit op zo’n plek van waaruit het de wereld kan intrekken om met nieuwe ervaringen en verhalen terug te keren. Het terugkijken op die ervaringen en het verankeren ervan is voor de Amerikaanse filosoof, didacticus John Dewey de kern van leren: ‘Het ware leren vindt plaats door reflectie op je handelen.’ Wanneer kinderen groter worden, trekken ze verder de wereld in en neemt als het voorspoedig gaat, het aantal veilige basissen toe. Een veilige basis is wat een haven is voor een schip, een herberg voor een pelgrim, de kleedkamer voor een sportteam of een safe house voor militairen. Maak van een klas een veilige plek en de lerarenkamer er een van waaruit leraren naar het klassikale front trekken om daar met een warm en liefdevol hart hun missie te volbrengen voor groepen pubers die worden voortgedreven door oncontroleerbare hormonen.

De uitdagende kant van de veilige basis vergt Moed met een hoofdletter. Moed die Socrates definieert als ‘dat doen wat nodig is, ondanks je bange zelf’. Moed waarvan de buitenwereld niet altijd beseft hoe nodig die is als je in het onderwijs werkt.

De begeleider als wisselwachter

Als de veilige basis onder druk staat, verdwijnt de moed of verandert die in risicovolle overmoed. Het frustreert een gezonde ontwikkeling van mensen en leidt tot gedrag waarmee zij zichzelf en anderen in de weg zitten of beschadigen. Denk aan agressie, ongeïnteresseerdheid escalerend in depressie, burn out, bore out en andere vormen van zelfbeschadiging. Ellende, narigheid en onveilige basissen, activeren overlevingsenergie. Rampower noem ik die energie: hoe meer rammen je in het leven oploopt, hoe meer je in staat bent ze uit te delen. Daarbij kan het een positieve of negatieve kant opgaan. Mensen die met jongeren werken, vervullen daarbij de niet te onderschatten rol van wisselwachter. Het effect van hun sturing, soms in een fractie van een seconde, kan generaties lang doorwerken.

Als het de negatieve kant opgaat, wordt het een kwestie van puur overleven: agressie inzetten om je veilig te voelen, sarcasme en cynisme om afstand te houden en niet geraakt te worden, terugtrekken om geen risico’s te lopen. Hoop ontstaat als de energie de positieve kant opgaat: overleven wordt leven. We hebben daar de laatste tijd aan alle kanten voorbeelden van gezien. Leraren waar het werkplezier aan het wegzakken was, blijken ineens inspirerende digilessen te ontwerpen en hun leerlingen intensiever te begeleiden dan ze jaren gedaan hebben; leerlingen zoeken elkaar via het scherm op, steunen elkaar en wisselen volop ervaringen uit.
Op een manier die we nog niet eerder zijn tegengekomen staan nu, voorjaar 2020, veilige basissen onder druk. Scholen en sportclubs zijn gesloten en op de steun die jongeren bij elkaar vinden, is door beperkende maatregelen moeilijker een beroep te doen. Het hoopvolle anker dat het behalen van een examen kan zijn is veranderd. Wat is de waarde van een Coronadiploma dat je door een ramp in de schoot wordt geworpen, ten opzichte van een diploma dat volgens de regels is afgenomen en waar je hard voor hebt geploeterd? Na de crisis worden de scholen weer bevolkt door honderden mensen waarvan een flink aantal niet de mogelijkheid heeft gehad op een zorgvuldige en liefdevolle manier afscheid te nemen van dierbaren. De pijn van een afscheid dat geen afscheid is, kan lang doorwerken.

Vertrouwen komt te voet en vertrekt te paard. Het vertrouwen in veilige basissen heeft een deuk opgelopen die niet een-twee-drie hersteld zal zijn. Het drukt onderwijsmensen met hun neus op hun taak als wisselwachter. Voor de uitvoering daarvan bestaan geen regels; het komt uit je hart en dat laat zich niet leiden door protocollen. Het op je nemen van die taak begint met het om je heen kijken. Wie oogt heeft voor al die bloemen die bloeien in de tuin van meeleven en onderlinge steun en verbondenheid, ziet mooie perken ontstaan. Voor wie die bloemen wat voeding wil geven, staan hieronder twee overwegingen, de daltheorie en de onveiligheidangst-paradox.

De daltheorie

Als je in het dal zit zijn er twee primaire krachten om eruit te komen. De eerste is de duwkracht van de Erkenning, de tweede de trekkracht van het Verlangen. Ik werd me daar echt bewust van toen een lerares op een time-out-voorziening zei dat er geen betere manier was om haar leerlingen de mond te snoeren dan hen te vragen wat ze zouden willen. Achteraf begrijpelijk: voordat mensen bij hun verlangen komen, moet er ruimte zijn om hun verhaal te vertellen, inclusief alle pijn en narigheid. Daar zijn mensen bij nodig die geïnteresseerd zijn, zonder oordeel kunnen luisteren en die niets aan hen willen veranderen. Pas nadat je je gehoord voelt en voldoende hebt kunnen terugkijken, kun je een volgende stap zetten. Op de time-out-voorziening leidde het ertoe dat er momenten werden gecreëerd waarin leerlingen in cirkels hun verhalen deelden. Mooi als een professionele begeleider naar je luistert, vele malen waardevoller is het wanneer je je verhaal kwijt kunt in een kring van medereizigers met wie je je reis door het leven aflegt; een kring waarin spreken als evengrote bijdrage wordt gezien als zwijgen.

De Veiligheid-Angst-paradox

Het uitwisselen van verhalen voert herstelwerkzaamheden uit aan de veilige basis die schade heeft opgelopen. Wanneer de verhalen zijn verteld en de vertellers zwijgen, richt de blik zich van het verleden naar de toekomst: er kan weer gebouwd worden, je wilt verder, gedreven door doelen verlangens. Doelen bepaal je zelf: een diploma, een slagingspercentage van 92,4%, een baan als teamleider, een huis met een auto ervoor. Een bereikt doel vink je af waarna je nieuwe stelt. Doelen zijn voor de overlevers. Verlangens liggen op een dieper niveau: waarheen waarvoor? Waarom lopen we rond op deze aardbol, wat is de bedoeling van ons leven en wat hebben we nodig om te kunnen zeggen dat het goed is dat we bestaan, wat is de reden om door te gaan?

Wat mij helpt als het gaat om uitdaging, moed en veiligheid is de veiligheid-angst-paradox: in een onveilige omgeving waarin mensen invloed hebben, voelen ze zich gelukkiger en veiliger dan in een veilige omgeving waarin ze geen invloed hebben. Waar de invloed daalt, stijgt de angst. Wanneer je leerlingen invloed geeft, sluit je aan bij een primaire levensbehoefte en geef je hen kans stappen in de richting van hun verlangen te zetten. Het herstelt beschadigd vertrouwen. Laat ze meedenken en mogelijkheden aandragen voor hoe zij hun wereld vorm willen geven. Vraag hoe ze over zaken denken, luister, leer van hen, zet wat je van hen hebt geleerd om in doelen en voer die samen uit. Het is goed voor hen én voor toekomstige generaties.

En ja, er blijven regels; het spanningsveld tussen invloed geven en beperkingen opleggen vraagt nieuwe aandacht. Of je het leuk vindt of niet, er moet een aantal regels worden gehanteerd waarbij geen ruimte voor dialoog of discussie mogelijk is: 1,5 meter = minder doden. Je leren aan te passen aan een snel veranderende wereld en daarin te leven en overleven wordt belangrijker dan kennisoverdracht. Ongevraagd en ongewild krijgen we unieke kansen leerlingen hierin te ondersteunen.

Jan Ruigrok werkt voor ECHO, het expertisecentrum voor herstelrecht in het onderwijs.  Mail: jan@herstelrechtinhetonderwijs.nl


Maatwerk voor een behanger

Of: examenstress voor een docent Nederlands

Redacteur Christel Isphording werkt als docent Nederlands op het mbo. Dit is ‘zomaar’ een maatwerkverhaal uit de dagelijkse praktijk van het onderwijs.

Ze noemen mij op school ook wel de behanger, wanneer ik aan het eind van de week met mijn grote gekleurde A3-vellen en schilderstape naar de lokalen loop. Eén A3 met daarop de voortgang van een klas voor Nederlands, per periode van 5 weken. We zitten nu in periode 5, dus dat zijn 5 A3-vellen per klas, keer 7 klassen. Mijn mbo-klassen hebben een vast lokaal, dus ik plak mijn A3-vellen op de binnenkant van de juiste deur. Vaak denk ik dat die plek niet handig is, omdat ze er zo graag doorheen lopen en nergens naar kijken. Maar collega’s stelden mij gerust dat er geen enkele plek is die garandeert dat ze dat wel zullen doen.

Regels veranderd

Voorheen mochten mijn mbo-studenten pas examen doen als ze de helft van de opleiding af hadden. Dat is dit schooljaar ineens geen voorwaarde meer. Voor onze afstromers van de havo en voor studenten die goed in Nederlands zijn, is dat natuurlijk een fijne inspanningsprikkel. Wij werken met een digitaal oefenprogramma – oefening baart kunst – maar studenten zijn er niet dol op. Omdat het niveau van onze instroom zo divers is, startte ik voorheen met alle eerstejaars op niveau 2F. Aan het eind van dat jaar behaalden ze hun 2F-certificaat. Voor de één een hele  struggle, voor de ander easy-peazy. In leerjaar 2 startten we dan met 3F en in leerjaar 3 houden de studenten zich alleen nog bezig met de 4 examens (lezen/ luisteren, spreken, gesprekken voeren en schrijven).

Toen dit jaar de regels veranderden en studenten meteen examen mochten doen, vond ik dat ik mijn programma hierop aan moest passen. Nieuwe regels, nieuw lesprogramma: dat is maatwerk. Ik bedacht dat studenten die een goed resultaat behaalden voor de 2F instaptoets, direct konden beginnen met 3F. Als zij daarna een voldoende zouden halen voor het oefenexamen lezen/luisteren, konden ze wat mij betreft in het eerste jaar al aangemeld worden voor het landelijke examen Nederlands. Ook voor de versnellers op de opleiding was het eerder examen mogen doen goed nieuws!

Tot zover mijn gedachtegang vooraf. Nu de praktijk.

Instaptoets

Ik start het schooljaar met mijn heuglijke nieuws: als je goed werk levert, kun je al in het eerste jaar examen doen. Daar hebben ze vrijwel allemaal wel oren naar. Dan de instructie: maak die instaptoets zo goed mogelijk, dan mag je een niveau overslaan. Ik maak het ze hierbij niet al te moeilijk. Mijn doelgroep met diverse migratieachtergronden heeft veel moeite met ‘de’ en ‘het’ en met ‘deze’, ‘die’ of ‘dit’. Een lastige achterstand om in te halen (in het Frans weet ik ook nooit of het ‘le’ of ‘la’ moet zijn…). Daarom heb ik www.woordenlijst.org ingevoerd als officiële spieksite. Deze site van de Nederlandse Taalunie mogen ze zelfs bij toetsen gebruiken. Ik ben van mening dat als studenten de moeite nemen om daar de juiste spellingswijze of werkwoordvervoeging te zoeken, ze daar beter van worden. Beter dan van de ontmoedigende rode cijfers die in dit systeem telkens weer meer oefeningen opleveren.

Dus, waar waren we gebleven? Ze maken in leerjaar 1 die instaptoets met een beetje van Maggi en een beetje van henzelf en studenten met een mooie uitslag starten meteen op 3F. Dan moet ik dus op mijn A3-behang achter iedere student noteren of hij/ zij op 2F of op 3F werkt. Vervolgens komen er na een paar weken studenten vragen waarom hun klasgenoten op 3F werken en zij niet. Die zeggen dan dat ze die instaptoets helemaal niet serieus gemaakt hebben, dat ze niet wisten hoe belangrijk die was en of het alsjeblieft nog eens mag. Zo’n toets gaat in de digitale prullenbak en ineens staat daar een 6,9 in plaats van een 4,3. Dat vereist weer wat aanpassingen op mijn behang. Ook merk ik nu dat ik niet meer een hele klas in zijn geheel kan controleren op de voortgang. Want ik kan zo’n klassenlijst alleen op 2F óf 3F openen in het systeem. Dat is dus dubbel (maat)werk.

Kleurboek

Mijn A3-behang is intussen een compleet kleurenboek. Rode namen voor wie niet klaar is, groene namen liggen op schema, blauwe namen versnellen, paarse namen hebben vrijstelling. Ik heb ook nog geel, dat betekent onvoldoende, maar telt niet mee voor de niveautoetsen. In leerjaar 2 heb ik ook een kolom met de cijfers van het oefenexamen lezen/ luisteren. Daarnaast staat in welke periode ik ze heb aangemeld. Na 6 weken komt daarvan de uitslag. Met weemoed denk ik aan de tijd dat ik gewoon de hele tweedejaars klas ineens aanmeldde voor het examen. In één keer! De hele bups! En 6 weken later kon ik de hele klas dan de cijfers doormailen. (Dat mag nu trouwens gezien de wet op de privacy sowieso niet meer, dat moet individueel, maar dat is een ander verhaal.)

Over het algemeen zit ik eens per 5 weken een hele zondag aan de status van mijn A3-kleurenboek te werken. Die student was rood, maar is nu blauw. Die was blauw, maar blijkt bij een controle helemaal niet meer te werken, dus gaat terug naar rood. Ook de namen van de studieloopbaanbegeleiders staan in mijn schema’s. Zij kleuren mee met de student, zodat ze snel kunnen zien over wie ze zich wel of juist geen zorgen hoeven te maken. Intussen heb ik de eerste zeer ijverige student uit leerjaar 1 al voor kerst voor het examen aangemeld. Ze liet mij echter weten nog altijd geen uitnodiging gekregen te hebben. Navraag bij het examenbureau wees uit dat zij nog niet voorzien is van een uitstroomcrebo en dan kan je ook geen examen doen. Dit blijkt slechts een administratieve mutatie, dus dat gaat helemaal goed komen.

De oplossing voor de administratie van de aanmelding van de examens is intussen nabij! Volgend jaar gaat er weer iets veranderen in de regels. Docenten hoeven studenten niet meer aan te melden voor het examen. De studenten zijn hier volgend jaar zelf verantwoordelijk voor. 20 maart was de laatste keer dat ik mijn A3-kleurboeken van leerjaar 1, 2 en 3 moest doorlopen om te kijken welke studenten er nog aangemeld moeten worden. Alleen zit ik nu wel te piekeren: hoe kan ik zorgen dat ze er volgend jaar ook echt klaar voor zijn? Want hoe krijg ik het voor elkaar dat iedere student tenminste ook één oefenexamen heeft gemaakt vóór hij zichzelf aanmeldt? Ach ja, onderwijs blijft altijd maatwerk.

Toelichting Taalniveaus

Er bestaan twee indelingen in taalniveaus: F-niveaus gelden binnen het Nederlandse onderwijssysteem.  Het zijn drempelniveaus die een leerling moet beheersen aan het einde van een school of opleiding. A-B-C niveaus  is een indeling volgens het Europees Referentie Kader.  Deze niveaus worden gebruikt in het onderwijs aan anderstaligen (Nt2).

2F – B1 einde vmbo en mbo-1,2,3 De leerling: Kan de belangrijkste punten begrijpen uit duidelijke standaardteksten over vertrouwde zaken die regelmatig voorkomen op het werk, op school en in de vrije tijd. Kan zich redden in de meeste situaties die kunnen optreden  tijdens het reizen in gebieden waar de betreffende taal wordt gesproken. Kan een eenvoudige lopende tekst  produceren over onderwerpen die vertrouwd of die van persoonlijk belang zijn. Kan een beschrijving geven van ervaringen en gebeurtenissen, dromen, verwachtingen en ambities en kan kort redenen en verklaringen geven voor meningen en plannen.

3F – B2 einde mbo-4 of havo De leerling: Kan de hoofdgedachte van een ingewikkelde tekst begrijpen, zowel over concrete als over abstracte onderwerpen, met inbegrip van technische besprekingen in het eigen vakgebied. Kan zo vloeiend en spontaan reageren dat een normale uitwisseling met moedertaalsprekers mogelijk is zonder dat dit voor een van de partijen inspanning met zich meebrengt. Kan duidelijke, gedetailleerde tekst produceren over een breed scala van onderwerpen; kan een standpunt over een actuele kwestie uiteenzetten en daarbij ingaan op de voor- en nadelen van diverse opties