Redactieverhalen juni 2021

Marjolein van Breda-Souman

De jeugd van de schermen

Ze stonden er al om bekend: de jeugd van de schermen. Mobiel, Ipad, laptop enzovoort zijn zo ingeburgerd dat men zich niet meer kan voorstellen hoe het was zonder deze apparaten. Mooie ontwikkelingen op het gebied van ICT. Driekwart van de docenten gebruikt de computer tijdens de lessen en het ontwikkelen van digitaal lesmateriaal gaat in een razend tempo. Tijdens de coronacrisis is het online werken niet meer weg te denken. Ik vraag me af wat de gevolgen zijn op lange termijn wanneer we zoveel meer naar schermen kijken. Zelf merk ik dat het vermoeiend is en dat ik geregeld het scherm dichtklap en even iets anders ga doen zonder scherm. Zouden onze leerlingen dit ook doen, vroeg ik mij af? Nu zij weer gedeeltelijk op school lessen kunnen volgen (live of digitaal) valt het mij op dat hun blik in de vrije momenten nog steeds op een scherm gericht is. Zou een wifi vrije zone ze op andere gedachten brengen? Tijd dus voor een experiment. 

Op een van de tafels in de aula heb ik een poster neergelegd met de tekst: ‘In plaats van te appen kun je hier zonder telefoon met elkaar beppen!’ De tafel bleef onbemand, de leerlingen gingen aan een andere tafel zitten met een scherm in hun gezichtsveld. Toch leg ik mij er niet bij neer en de volgende stap wordt ingezet. Spelletjes: tafeltennistafel, damborden, kaarten, mens erger je niet. Er moet toch iets zijn wat ze aanspreekt naast de digitale wereld?

Truda Zijp

Iedereen had het erover

Bij ‘durven experimenteren’ moest ik aan klasgenoot Angela denken. Het regende al dagen lang, het hele schoolplein lag vol grote diepe plassen. Wij stonden daar in de pauze lekker droog onder het afdak naar te kijken. Angela riep plotseling luid: ‘Krijg ik geld als ik in een plas ga zitten?’ Wij lachten en knikten ‘ja hoor’. De volgende dag kwam ze met een grote tas op school, die ze aan de kapstok bij haar jas hing. In de pauze stonden we weer onder dat afdak. En jawel, Angela liep naar het midden van het plein, stapte in een grote plas, ging rustig zitten en leunde ook nog even achterover op haar ellebogen. De hele school keek toe. Na een paar minuten stond Angela op. Kletsnat ging ze rond om geld op te halen. Veel leerlingen gaven haar wat. Daarna pakte ze haar tas, ging naar de wc en trok droge kleren aan. Op tijd zat ze weer in de klas voor de volgende les. Iedereen had het erover, geweldig dat ze zoiets bedacht om aan geld te komen. Met een paar meiden hadden we het ook nog over iets anders: ‘Dat je zoiets durft’, zeiden we tegen elkaar. ‘Vies en nat worden, je ziet er niet uit, terwijl iedereen naar je staat te kijken en te lachen, en je daar niets van aantrekken. Dat is knap.’

Yvonne Mulders

Vol durf de loopplank op

Vakantie in St. Tropez. Tegenover de kapitale jachten ploften we op een terras. Ik vroeg mijn man: ‘Zouden deze multimiljonairs echt gelukkig zijn?’ We zaten te speculeren wat de bezitters van de luxe watervilla’s voor werk hebben. Toen kwam het moment dat ik opstond en tegen mijn man zei: ‘Ik wil zo’n eigenaar eens spreken.’ Mijn man beweerde dat ik dat niet durfde en dat ik op de loopplank al tegengehouden zou worden. Ik trok de stoute schoenen aan en liep naar de jacht. Inderdaad werd ik door de bewaking tegengehouden. Ik stelde me voor en zei dat ik met een onderzoek bezig was naar loopbaanontwikkeling. Ik wilde graag een paar korte vragen stellen aan de eigenaar. De bewaker liep weg, kwam na een minuutje terug en nodigde mij uit. Ik keek nog even naar mijn man die een blik had van: ‘Is dit echt?’ Aan het einde van de loopplank mocht ik mijn stoute schoenen uittrekken, want dat was op iedere drijvende villa de regel. Een zakenman, pur sang, die vertelde dat geld niet altijd gelukkig maakt. Het is hard werken, zei hij om dit te bereiken. Maar gelukkig is hij zeker niet. Het werd een emotioneel gesprek waarbij hij beloofde meer tijd aan zijn gezin te besteden en meer te gaan genieten van andere dingen dan werk. Een dik half uur duurde het gesprek. Met een glimlach liep ik van de loopplank terug naar het terras. Ik hoop hem over een jaar of twee weer te mogen ontmoeten. Ik ben benieuwd.

Christel Isphording

Laat liever niets aan het toeval over

Experimenteren, de betekenis van het woord alleen al: beproeven, de proef op de som nemen, het nemen van proeven, onderzoekingen doen, proefnemingen doen en uitproberen. Ik ben daar niet zo van. Ik ga liever voor zekerheid en veiligheid,  weten waar ik aan toe ben. Ik laat vooral liever niets aan het toeval over. Dat uit zich op allerlei terreinen. Ik kreeg vroeger pianoles, van begin af aan een beproeving (een synoniem van experimenteren en daar houd ik dus niet van). Bij pianoles hoorde ook het onderdeel improvisatie. Dat is voor mij gelijk aan experimenteren. Dat lukt me gewoon niet, ik blokkeer. Inmiddels staat de piano van mijn ouders in onze woonkamer. Maar mij zul je nooit zomaar iets horen proberen. Ik speel geen noot als daar niet eerst veel gedegen oefening (zonder publiek) aan is voorafgegaan. En sowieso speel ik alleen van bladmuziek. Ook ben ik heus wel een keukenprinses, maar nooit zomaar uit de losse pollepel. Daar gaat eerst grondig zoekwerk aan vooraf en vervolgens volg ik elke letter van het recept. Zelfs als ik gaandeweg het gevoel krijg dat dit nooit echt lekker kan worden. Tekenen, dat is ook zoiets. Zomaar iets op een wit papier zetten, dan blokkeert er bij mij van binnen iets. Mijn oom leerde me ooit een trucje: ik zet een specht op een boomtak in één lijn op papier. Mijn kleinkinderen vinden die specht prachtig, maar tekenen dat is het niet. Nee, er gaat bij mij niets stromen bij het woord ‘experimenteren’, ik werp direct mijn barricades op.

 


Column van Christel Isphording

Experimenteren

Experimenteren, daar houd ik beslist niet van. Ik durfde zelfs nooit een sigaret te roken en ik houd erg van vaste routines. Maar experimenteren in het onderwijs: dat is noodzaak. In mijn interviews voor het verhaal over breed opleiden niveau 2 (blz. 16) viel regelmatig het woord ‘cross-over’. Dat is een van de vele onderwijsexperimenten die ons onderwijsland rijk is. Een cross-over kwalificatie is opgebouwd uit een of meer opleidingsdelen van een bestaande kwalificatie voor het mbo. Zo kunnen onderwijsinstellingen snel een nieuwe opleiding ontwikkelen en inspelen op de (regionale) arbeidsmarkt. Zo ontstaan er ook nieuwe cross-sectorale beroepen zoals de Servicemedewerker. 

‘Stoffige bureaulades’

In de lijst met experimenten kwam ik twee aansluitende pilots tegen: Ruimte voor de regio (2020-2026) en Studenten begeleiden bij hun start op de arbeidsmarkt (2018-2020). De eerste kijkt naar de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt. De tweede kijkt wat het oplevert als studenten met een niveau 1 of 2 diploma, nog twee jaar door de school worden begeleid bij hun zoektocht op de arbeidsmarkt. Stiekem hoop ik dat er ook een ‘cross-over’ zal zijn tussen alle drie de experimenten. De mbo’s van de cross-over kwalificatie stemmen immers ook hun aanbod af met de vraag vanuit de regio. In Utrecht zit nog een smalle opleiding sport. Studenten krijgen er les in het bekende voetbalstadion en stromen allemaal door naar niveau 3. En begeleiding op de arbeidsmarkt na het halen van je diploma, dat gun je alle niveau 1 en 2 studenten. 

Op mijn eigen mbo stapten we over naar Rijk onderwijs. Een experiment dat in den beginne met argusogen werd aanschouwd. Onderwijs waarbij studenten de eigen regie nemen en hun eigen studieroute bepalen rondom hun loopbaanperspectief. Zo’n experiment komt voor docenten toch altijd plots en onverwacht. Docenten diepten uit stoffige bureaulades hun stoffige curricula op. Ze deponeerden die tijdens een verplichte cursus met veel geklaag en heel veel hulp in de gloednieuwe elektronische leeromgeving. En nee, daar werd ons onderwijs niets rijker van. Studenten met eigen regie kregen ineens geen les meer en staarden de hele schooldag lang naar hun verplicht aangeschafte laptop, waar al die stoffige teksten ergens gevonden konden worden. De docent die zelf de weg niet wist, wees ze slinks op hun eigen regie. In de ochtend ging het, maar in de middag was het vooral gamen en Netflix. 

Als het na vijf weken tijd was om het portfolio op te hoesten, gericht op hun eigen rijke loopbaanperspectief… dan was er in elke groep wel dat ene meisje, dat haar werk graag beschikbaar stelde. Vaak lieten ze (uit eerbetoon?) zelfs de naam van het meisje staan. De kopieermachine draaide overuren. Niet erg duurzaam nee, maar de zittende garde was niet in staat om de digitale portfolio’s digitaal na te kijken. Inmiddels zijn we een paar jaar verder. Nieuwe, jonge docenten pakken het op zoals het bedoeld is. Curricula worden aangepast aan de praktijk. Studenten beginnen na leerjaar 1 te beseffen dat ze echt de touwtjes zelf in handen hebben. En ja, oudere docenten gaan met vervroegd pensioen om er aan te ontkomen. Of ze gaan iets anders doen, zoals ik.


Column Marinka Kuijpers

Uitgangspunt is eigen regie

Leerlingen zijn te jong om te kiezen voor een profiel- of vervolgopleiding las ik deze week. Leraren lukt het niet om LOB in de vaklessen te integreren hoorde ik vorige week. Mentoren vinden het moeilijk om LOB-gesprekken te voeren is mijn ervaring. Dit roept vragen op over de haalbaarheid en effectiviteit van LOB. Zoals: LOB, wat kunnen we ermee? Wat zijn de doelen en wat is de aanpak om jongeren te leren kiezen in plaats van te laten kiezen? Als leraren het niet kunnen, kunnen ze het dan wel leren? Wat is nodig voor een (toekomstig) curriculum in het vo?

Om deze vragen te beantwoorden, is het essentieel om LOB te definiëren. Ik maak er geen geheim van dat volgens mij LOB als afkorting van loopbaanontwikkeling en -begeleiding beter past in deze tijd dan voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding. Met als kanttekening dat de ontwikkeling in dit geval de leerlingen betreft en de begeleiding de verantwoordelijkheid is van leraren, een beetje vreemd voor een afkorting dus. Afijn. Mijn punt: de woorden die afgekort zijn in LOB geven richting aan de doelen ervan. We kunnen van leerlingen niet verwachten dat ze zich oriënteren op een onzekere toekomst, maar we kunnen ze wel leren om zich te ontwikkelen zodat ze zich steeds weer opnieuw kunnen verbinden met hun veranderende omgeving.

Een leven lang ontwikkelen begint niet als je werkt, maar dat doe je een leven lang, dus ook op school. Daarbij helpt een aanbodgericht curriculum niet, want daarin leer je niet om je vanuit een eigen vraag te ontwikkelen. Ook helpt het niet als je een loopbaankeuze moet maken terwijl je helemaal geen ervaring hebt in het maken van keuzes en geen zicht hebt op waarvoor je kiest, zoals bij een profielkeuze bijvoorbeeld.

Wat als… een leerling geen profielkeuze maakt, maar dat een profiel een uitkomst is van een loopbaanontwikkelproces? Een ontwikkelproces waarin jongeren keuzes leren maken gedurende hun leerproces, in plaats van dat zij een keuze moeten maken voor zij een leertraject starten. Dynamisch onderwijs als voorbereiding op een dynamische arbeidsmarkt. En,

dat alle leerlingen uit elk profiel basiscompetenties leren die ze nodig hebben in hun leven. En ook dat het onderwijs een systeem hanteert waarin je deze competenties kunt ontwikkelen op basis van je kwaliteiten en motieven. Dat je als jongere steeds zelf leereenheden kiest, waardoor je je verdiept in een profiel of juist verbreedt. Dat het profiel (of profielcombinaties) de uitkomst, en niet het startpunt is van leren. Profielleren zou dat heten.

‘Dat de profielkeuze de uitkomst is en niet het startpunt’

Wat als … jongeren in de vakken horen en ervaren hoe verschillend werk eruit ziet, kunnen experimenteren, hun motieven en kwaliteiten kunnen ontdekken en deze verbinden met het (school)werk dat gedaan moet worden. Want dat is loopbaanontwikkeling: het verbinden van je eigen doelen met die van je omgeving.

Wat als… leerlingen daardoor niet één vervolgopleidingkeuze hebben aan het eind van het vo, maar dat ze een zelfbeeld ontwikkeld hebben waarmee verschillende keuzes mogelijk zijn en dat ze over vaardigheden beschikken om steeds weer opnieuw een keuze te kunnen maken die bij hen past.

 


Redactieverhalen april 2021

Beter opgelet tijdens Nederlands

Soms denk ik wel eens als het gaat over de ontwikkeling die je door de jaren heen doormaakt: dat had ik eigenlijk 40, 30 of 20 jaar geleden willen weten. Hoe je door een goede relatie op te bouwen de beste prestaties kan krijgen. Hoe je om kunt gaan met het geven en ontvangen van feedback, de juiste vragen op het juiste moment kunt stellen.

Was het mij niet gemakkelijker afgegaan als ik meer kennis had van onder andere reflectief luisteren, motiverende gespreksvoering, oplossingsgericht werken? Had ik minder stress gevoeld als ik meer wist van omgaan met weerstand (niet alleen die van anderen maar ook met mijn eigen weerstand)? Wat had het mij niet allemaal opgeleverd als ik ‘vroeger’ meer wist van meditatie en omgaan met verlies? Allemaal dingen die ik mijzelf wel eens afvraag. Ik zou toen graag geweten hebben dat nee zeggen ook een optie is. Dat ik meer op mijn gevoel moet vertrouwen. Dat ik mij niet druk moet maken over irrelevante zaken. Kortom, had ik dit echt allemaal van te voren willen weten? Nee! Ik denk dat alle ontwikkelingen die ik heb doorgemaakt op het juiste moment gekomen zijn. Ik had ze toen niet willen weten, daar was ik nog lang niet klaar voor. Sommige dingen leer je door de jaren heen. Al was het wel handig geweest als ik destijds had geweten dat ik nu als redactielid voor dit blad zou schrijven. Had ik beter opgelet tijdens de lessen Nederlands.

Mierenneuken met punten en komma’s

Toen ik redactielid werd van Bij de Les maakte ik voor het eerst kennis met het verschijnsel eindredactie. Dit werk behoorde voor mij tot de categorie saai: de hele dag in je eentje op een stoel achter een pc zitten mierenneuken met punten, komma’s en d/t’s, het ene stuk na het andere.

Op een dag was de eindredacteur ziek en hoofdredacteur vroeg me in te vallen. ‘Best,’ dacht ik, ‘kan wel wat extra geld gebruiken.’ Ik heb geen Nederlands gestudeerd, ben geen grammaticawonder, geen overdreven pietje precies, en dacht: probeer maar. Tot mijn verbazing bleek ik het leuk te vinden. Je zit inderdaad alleen achter een pc. Maar saai? Totaal niet. Ik vind het zelfs spannend. Bij elk nieuw artikel ben ik nieuwsgierig naar wat ik nu weer voor m’n neus heb, ik ga er helemaal in op. En het zijn niet alleen punten en komma’s, het is vooral: ‘Hoe maak ik het voor een ander zo begrijpelijk en interessant mogelijk?’ Je denkt ook mee over hoe het blad er uitziet, wat er in komt en wat niet. Ik hou van werken met mensen, maar hierbij mis ik ze totaal niet. Lichamelijk gezien is het wel saai. Dat los ik op door tussentijds oefeningen te doen, de tuin in te lopen, boodschapje halen, wasmachine vullen. Dit had ik van te voren niet willen weten. Nee. De open deur is voor mij een waarheid als een koe: het niet weten brengt je verrassingen. Houden zo.

Met twee vingers in mijn neus

Dertig jaar geleden ben ik het onderwijs ingestapt. Ik stond er toen niet bij stil of het bij mij zou passen. Ik heb deze stap gemaakt omdat ik vond dat ik het beter kon dan al die docenten op de middelbare school. Eén docent heeft mij misschien toch wel aan het denken gezet. Dat was een docent Nederlands die in de bovenbouw lesgaf. Met een krijtje op het bord schreef hij samengestelde zinnen (die je overigens in het leven nooit zou gebruiken) en die moesten wij ontleden. Dat deed ik met twee vingers in mijn neus. Deze docent heeft ooit in een gesprek naar voren laten komen dat het onderwijs wel eens iets voor mij zou zijn. Als ik met die opmerking wat serieuzer was omgegaan en daar toen eens over nagedacht had, dan was ik niet eerst een economische opleiding gaan volgen. Toch beschouw ik deze tussenopleiding niet als verloren jaren. Ik heb ontzettend veel geleerd en vooral veel plezier gehad. Daarna heb ik het serieus aangepakt: mijn bevoegdheden voor twee talen gehaald en jarenlang lesgegeven. Wat ik wel eerder had willen doen, was decaan worden. Wat een mooie functie, wat een dankbaar werk, wat een leuke uitdagingen. De waardering voor dit prachtige vak komt vooral vanuit ouders, leerlingen, mentoren, externe bedrijven of vervolgopleidingen. Als ik dit geweten had en het had kunnen bespreken met een decaan op mijn middelbare school, dan had ik eerder de stap richting decanaat gemaakt. 

Vogel met gekortwiekte vleugels

Als jong meisje speelde ik veel schooltje en dan was ik de juf. Anderen graag de les lezen en wijzer willen maken, dat zit echt in mijn genen. In 2012 haalde ik mijn tweedegraads bevoegdheid docent Nederlands. Studenten noemen je dan ‘mevrouw’, je bent dus geen echte juf. Geen juf, zoals mijn oma, mijn moeder, mijn tantes en mijn schoondochter. Geen juf, die bij de deur staat en alle kindertjes verwelkomt of weer uitzwaait. Geen juf, die tranen droogt na kleine ongelukjes of hele boeken voorleest. 

In 1979 ging ik naar de pabo om zo’n juf te worden. De stage vond ik leuk maar de opleiding niet. Die opleiding was slechts één straat verder dan mijn middelbare school. Ook besloot mijn vriendje van de havo mij last minute te volgen omdat hij niks beters wist. Ik verwachtte een wijde wereld na mijn diploma, maar voelde me als een vogel met gekortwiekte vleugels. Ik stopte al snel met de opleiding en verbrak ook mijn verkering. 

In 1992, met mijn drietal onder mijn vleugels, deed ik poging nummer twee op de deeltijd pabo. Ik rondde toen de propedeuse af. Daarna moest er brood op de plank omdat ik er alleen voor stond. In 2007 leverde poging nummer drie de tweedegraads bevoegdheid Nederlands op en werd ik een ‘mevrouw’ in het onderwijs. Niet zo lang geleden besefte ik dat ik toch het allerliefste een echte juf had willen zijn. En dat had ik in 1980 heel graag willen weten. 

 


Redactieverhalen februari 2021

Een waterval aan tekst

Op een vrijdagmiddag sprak ik mijn vriendin over vijf jaar passend onderwijs en hoe ik daar op terug kijk. Ik vertelde haar dat we de afgelopen jaren zoveel mooie voorbeelden hadden van geboekte resultaten met deze vorm van onderwijs en dat het soms verassend passend kan zijn. Het eerste wat ze zei was: ‘Ik denk meteen aan jouw reactie een paar jaar geleden toen je over je oren in het werk zat.’‘Hmmm, help me even’, was mijn reactie en toen herinnerde ze mij aan een gesprek een paar jaar geleden na werktijd in een dorpscafé. ‘Je kwam binnen met een verhit hoofd en een waterval aan tekst.’

Ik stop ermee, heb er genoeg van! Al die zorgleerlingen die we maar aan moeten nemen en waarvan we nu al weten dat die het niet gaan redden op het regulier onderwijs! Het lijkt wel of ik de hele dag bezig ben met mensen te overtuigen waarom deze leerling is aangenomen, collega’s aan het coachen ben over de omgang met deze leerling en met ontevreden ouders bezig ben. En om nog maar te zwijgen over de tijd die ik kwijt ben om te overleggen met externe instanties. Basta! Ik ben er helemaal klaar mee! Ik kom gewoon niet meer aan mijn werk toe!

Stilte…......... ’Goh, heb ik dat gezegd’, was mijn verbaasde reactie? ‘Was ik al helemaal vergeten! Niets veranderlijker dan een mens.’

Voor straf op de gang

Nieuwsgierig en leergierig als ik was, had ik mezelf als kleuter, al vragen stellend aan mijn ouders, alvast leren lezen. Dus, de eerste leesoefeningen op school waren aan mij niet besteed. Hetzelfde met de tafels. Die had mijn buurmeisje me al geleerd met schooltje spelen. Zij was altijd de juf. Er waren later op de basisschool periodes waarin ik vaak voor straf op de gang zat omdat ik met kletsen anderen van hun werk hield. Ook wel omdat ik niet oplette bij de zoveelste uitleg van het kofschip, maar wel zwaar verzonken in een boek zat te lezen. In het voorlaatste jaar kondigde de meester aan dat er een voorbereidende wiskundemethode zou komen. Dat wilde ik zo graag doen. Maar het duurde bijna een jaar voordat ie kwam. In het laatste jaar verzamelde ik in een schrift alvast Engelse, Franse en Duitse woordjes. Als enig meisje van de klas ging ik naar een havo-vwo school. Wat zat ik me daar op te verheugen, nieuwe dingen, talen, exacte vakken en hoera, eindelijk een echte tekenleraar. Ik begon vol ijver, deed enorm mijn best en haalde hoge cijfers. Na drie jaar was het afgelopen. Mijn nieuwsgierigheid en motivatie waren volkomen verdwenen.

Het onderwijs was een gedwongen sleur geworden, een gebouw met een lesrooster, als hokjes. Met doorzettingsvermogen haalde ik het diploma. Het onderwijs paste mij niet, of andersom.

Hart, ziel en zaligheid

Met mijn hart, ziel en zaligheid pas ik in het onderwijs. Aandacht geven aan leerlingen die op gesprek komen voor hun studie- keuze en samen kijken naar passende oplossingen. Ouders en leerlingen meenemen in de route die het keuzeproces mooi maakt. De vragen, de gesprekken, ze zijn allemaal van andere aard en dat maakt het voor mijzelf zo fijn en passend in het onderwijs. Elf jaar geleden heb ik een bewuste keus gemaakt. Ik ging van lesgeven naar individuele begeleiding. Natuurlijk kom ik de klassen nog in en spreek ik daar over loopbaanontwikkeling, over de opdrachten die helpen bijeen eigen LOB traject. Echter, het individu aan tafel maakt het com- pleet voor mij. Leerlingen met hun ADHD, autisme, demotivatie, dyslexie vragen om hulp bij het leren kiezen van een vervolgopleiding. Een passende opleiding bij een passende vraag. Door onder andere een digitale methode aan te schaffen en leerlingen hun eigen traject te laten ontdekken hoop ik dat dit ook een passende oplossing is voor leerlingen. Met dit digitale hulpmiddel is een leerling er bijvoorbeeld achter gekomen dat hij graag na de middelbare school aan de slag wil. ‘Uit de boeken en de praktijk in, lijkt me het fijnst’, zo zegt hij in een gesprek. Een andere leerling heeft een vwo advies gekregen op de basisschool, is gestart op tweetalig atheneum, vervolgens naar havo en wil naar het mbo. Ouders staan er volledig achter. Er is namelijk maar één ding dat het passend maakt voor deze leerling: gelukkig zijn.

Te zware rugzak

Lars loopt voor zijn opleiding Sociaal cultureel werk stage op een school voor passend onderwijs. De leerlingen vinden hem erg aardig en ook het personeel loopt met hem weg. Maar Lars heeft zelf een rugzak en die begint op school en in de praktijk steeds zwaarder te wegen. Hij heeft zelf ook veel begeleiding nodig. Lars heeft vooral moeite met plannen en organiseren. Lars denkt dat hij mondeling examen Spreken heeft, thuis achter de laptop, als hij op school bij het examen Schrijven moet zijn. Hij is de student die je totaal in paniek belt als dat schrijfexamen al begonnen is: ‘Mevrouw, ik word gebeld door Toon en die zegt dat ik op school moet zijn, dat is toch niet waar?’ Hij is alsnog naar school gevlogen en heeft daar dat examen in een half uur gemaakt wat hem natuurlijk kostbare punten kost. Hij is de student die alle communicatie via e-mail, niet heeft gezien of niet heeft begrepen. Hij is de student die je bij de hand moet houden bij de meest simpele zaken en dat is echt geen onwil.

Nu ik bij verzuim werk, zie ik dat op zijn studentenkaart bij het plusje van ‘begeleidingsprofiel’ niets ingevuld staat. In de gespreksnotities lees ik dat hij intussen al een half jaar vertraging heeft: ‘Nog niet klaar om taken uit te voeren die passen bij een examenkandidaat.’ En ja, dan vraag ik mij wel af: ‘Hoe passend is dat passend onderwijs?’

 


Inclusief onderwijs als stip op de horizon

Al tijdens mijn stages op de pabo werd ik getriggerd door leerlingen die ‘opvielen’ in de klas, vooral door hun (leer-)gedrag. Ik merkte ook dat ik een steentje kon bijdragen aan hun ontwikkeling, als leerkracht, mentor, teamleider en later als ambulant begeleider, begeleider passend onderwijs en nu als coördinator passend onderwijs.

De wetswijziging ‘passend onderwijs’ werd operationeel in 2013. De bedoeling was dat we leerlingen de juiste ondersteuning gingen bieden in het onderwijs, waarbij we niet meer uitgingen van hun diagnoses, maar van hun ondersteuningsbehoeften. Veranderde er dan veel in de scholen? In mijn optiek eigenlijk niet. Wat er wel veranderde was de rol van de zorgcoördinator, ook wel intern begeleider of coördinator passend onderwijs genoemd. De zorgcoördinator werd een belangrijke spil in het passend onderwijs in de scholen. Wat heeft deze specifieke leerling nodig, binnen deze specifieke context, wie kan wat daarin betekenen, wat spreken we er concreet over af en hoe evalueren we, zijn voor mij vragen die bij uitstek horen bij het vormgeven van passend onderwijs in school.

‘Verder met vallen en opstaan’

Maar hoe gaat het nou eigenlijk met het passend onderwijs in ons land? Deze vraag stond centraal af- gelopen jaar bij het veldtraject, georganiseerd vanuit het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Middels het ‘impulsoverleg’, een overleg met een groot aantal in het onderwijsveld opererende partijen, van leerkrachten, schoolleiders, bestuurders tot natuurlijk ouders en leerlingen, werd er een evaluatie- traject doorlopen. Hoewel corona een stempel drukte op dit overleg in digitale en online bijeenkomsten, leverde het een uitvoerige evaluatie op van het stelsel passend onderwijs, waarin ik vanuit de NVS-NVL een bijdrage mocht leveren.

De evaluatie is positief uitgevallen, namelijk het veld wil geen afschaffing van het stelsel, maar wel verbetering: in 25 aandachtspunten is beschreven wat nodig is om het passend onderwijs nog beter te laten verlopen, waarbij nog meer leerlingen krijgen wat ze nodig hebben in hun ontwikkeling.

De volgende twee punten wil ik graag uitlichten, omdat deze direct invloed hebben op ons werk:

Er komt een landelijke norm voor basisondersteuning, deze omschrijft wat elke school in ons land minimaal aan ondersteuning moet bieden. Op onze bijeenkomsten en congressen de afgelopen jaren viel vooral op dat het overal in het land zo anders vorm wordt gegeven. Door deze norm maakt het voor leerlingen en hun ouders niet langer uit waar ze wonen en waar ze onderwijs kunnen volgen. Scholen houden wel de vrijheid om meer aan te bieden dan deze basisnorm.

Leraren beter voorbereiden is het andere punt dat ik wil uitlichten. Dit behelst voor mij twee kanten: in de lerarenopleidingen veel meer aandacht geven en kennis over brengen over de diversiteit aan leerlingen die we in ons onderwijs hebben en de huidige leraren nog beter meenemen in de ontwikkelingen en ondersteuningsbehoeften van hun leerlingen. En dat is waar wij als zorgcoördinatoren ons in de school op kunnen focussen.

Kortom we zijn op weg, we komen verder met vallen en opstaan en niet onbelangrijk: de stip op de horizon wordt steeds duidelijker: inclusief onderwijs! Daar word ik persoonlijk erg blij van.

Elzeline Bergisch is coördinator passend onderwijs bij het Amadeus Lyceum Vleuten en beleidsmedewerker leerlingondersteuning bij de NVS-NVL.

 


Redactieverhalen december 2020

'Een carrouselvorm waarbij we de boel draaiende willen houden’

Voor alle leerlingen die de overstap van po naar vo maken, is het bezoeken van hun nieuwe school een spannende periode. Waar voel ik me prettig, wat spreekt mij aan en hoe word ik begeleid? Vragen waar veel leerlingen antwoord op willen hebben. Deze antwoorden hopen ze te vinden door naar de informatiedagen te gaan. Nu ziet het er naar uit dat die geplande informatiemomenten voor toekomstige leerlingen niet door gaan. Een van de vele gevolgen van het coronavirus. Maar het onderwijs zou het onderwijs niet zijn als er niet creatief wordt nagedacht. En dus worden er alternatieven bedacht om toch zoveel mogelijk leerlingen en ouders te bereiken. Wij vinden het belangrijk om mensen persoonlijk te zien en te spreken en kiezen ervoor om de ouders en leerlingen op school te ontmoeten. Het plan is om via de basisscholen de ouders en leerlingen te benaderen om zich in te schrijven op voorgestelde data en tijd om de school (volgens de voorzorgsmaatregelen van het RIVM) te kunnen bezoeken. Wij tuigen de school op zoals andere jaren en zetten betrokken medewerkers neer op één plek waar ze ouders en leerlingen te woord kunnen staan. De ouders en leerlingen lopen via een uitgezette route door de school, ze komen op alle belangrijke plekken en spreken de bijbehorende personen. Een carrouselvorm waarbij we de boel draaiende willen houden en op een leuke manier de school willen laten zien! Maar, we hopen natuurlijk dat het anders zal gaan lopen zoals verwacht en dat de deuren weer open kunnen gaan voor iedereen.

'Er is saamhorigheid'

Eén van de conciërges van het plaatselijke roc vertelt over zijn school in deze c-tijd: ‘Ongelofelijk. Het oogt heel saai. Maar achter de schermen gebeurt veel. Geen volle klassen, de online-lessen zien we niet. De eerstejaars komen het meest op school en ook de niveau 1-opleidingen, meestal in kleine groepjes. De kantines gebruiken we niet, pauzes zijn in de klas, daar mogen de jongeren eten. Het heeft heel wat voeten in aarde gehad om na de eerste golf aan de eisen te voldoen van het RIVM. We heb- ben toen veel meubilair weggehaald om afstand te creëren. Dit schooljaar hebben we de boel er weer ingezet en met stickers aangegeven waar je wel en niet mag zit- ten. Voor de bewegwijzering en spatschermen hebben we een bedrijf ingehuurd. Ook wat extra beveiliging. De sfeer? Iedereen wordt er af en toe chagrijnig van, je bent de hele dag bezig met die anderhalve meter en je aan regels te houden. Sommige groepen jongeren vergeten het, ze krioelen door elkaar en het lijkt langs ze heen te gaan. Dat zie je ook bij sommige docenten: bijvoorbeeld tafels bij elkaar zetten voor groepsopdrachten. De beveiligers en wij als conciërges spreken de mensen daar op aan. Veel collega’s vinden het eng, voelen angst om het virus op te lopen. En als ik iets positiefs moet zeggen: er is saamhorigheid. En een beter contact met de leidinggevenden. Als we met vragen zitten, besteden ze er aandacht aan. Maar, we moeten wel zelf aan de bel trekken.

‘Zet deze lastige tijd om in een positief stukje onderwijs’

Op maandag 28 september 2020 kwamen Hugo de Jonge en Mark Rutte in beeld voor de persconferentie. Strengere maatregelen werden aangekondigd. Daarnaast werd er een dringend advies gegeven om mond- kapjes binnen de scholen te gaan dragen in gangen en aula’s. Brieven van de directies werden verstuurd naar ouders/leerlingen en personeel om ze hierover te informeren. Veel scholen gingen er positief op in en kregen begrip van ouders/leerlingen. Binnen de mentorlessen werd er zoveel mogelijk over gesproken waarom dit advies er is. Maar Nederland is Nederland niet als er ook geen weerstand zou komen. Ouders die hun kinderen dreigen thuis te houden als niet iedereen een mondkapje draagt, ouders die een ‘verklaring’ van de huisarts hebben omdat hun kind het mondkapje niet kan verdragen op het gezicht, ouders die namens de groep Viruswaanzin een brief hebben geschreven. Veel scholen gaan heel zorgvuldig om met het mondkapjesbeleid Leerlingen worden aangesproken bij de voordeur van de school om het mondkapje te dragen. En zo ziet de school dat er meer leerlingschapen over de dam komen en dat het kuddegedrag effect heeft. Ik ben helaas nog geen enkele school (laat het weten als het wel zo is) tegen gekomen die de handvaardigheidslessen, de teken- of technieklessen inzet om een opdracht te maken: wie kan een zo creatief mogelijk mondkapje maken of wie komt naar school met een zo creatief mogelijk mondkapje? Zet deze lastige tijd om in een positief stukje onderwijs.

'Creatief met corona'

Natuurlijk willen we allemaal onze vrijheid terug en natuurlijk willen we graag weer onbeperkt kunnen reizen. Maar ik ben een rasechte huismus. Ik ga bijna nooit uit eten, kijk liever thuis een film dan in de bioscoop en verafschuw grote groepen. Ik bezocht als puber geen enkel concert of evenement. Thuiswerken is een lang gekoesterde wens. Het werken op een teamkamer waar iedereen praat (zeker ik!) en waar ik alles hoor (dus reageer!), dat kon ik niet. Dus gebruikte ik de avonden, de weekenden en de vakanties om al dat werk toch naar behoren te doen. En toen op 13 maart... Toen ging de wereld op slot en ging voor mij een nieuwe wereld open. Een wereld van rust en regelmaat. Geen gehaast meer naar de trein, geen gesjouw met spullen en weer wat belangrijks vergeten. Rustig heel vroeg op staan, kopje thee, fitness, yoga, meditatie en soms een rondje bos en kuil. En dan in je comfortabele outfit met een wél lekker kopje koffie aan het werk. In alle rust aan je e gen bureau met uitzicht op eigen huis en t n. Mijn middagpauze kan zo 2 uur duren, maar dan werk ik door van 3 tot 7. Geen congiërge die mij de school uitgooit als ik lekker aan het werk ben. Geen gestress met roosters in combinatie met onze vergadering in Utrecht. Geen stukken lezen in de trein, maar onder een dekentje heerlijk op mijn eigen bank. Als straks alles weer kan, dan zou ik dit echt heel graag zo blijven doen!

 


Redactioneel oktober 2020

Een brug, een verbinding tussen twee punten die gescheiden zijn van elkaar. Gescheiden door water, door een afgrond of gescheiden door gebrek aan kennis of communicatie, of door onwetendheid. Het onderwijs in Nederland heeft veel expertise en ervaring in het begeleiden van leerlingen. Het begeleiden in hun dagelijkse onderwijs en het begeleiden van leerlingen naar hun toekomst. Maar deze kennis en ervaringen zijn soms verdeeld op eilandjes en daardoor van elkaar gescheiden. Ze zien elkaar vaak wel en weten ongeveer wel van elkaar wat verschillende onderwijsinstanties doen, maar tot samenwerking komt het niet altijd.

Bruggen bouwen doe je niet in één dag. Daar is tijd voor nodig en vaak ook wel wat moed. Soms voelt het veiliger om op je eigen eilandje te blijven. Daarom vind ik het extra mooi hoe deze Bij de Les vol zit met succesverhalen van onderwijsmensen die dat avontuur aandurfden.

Zo is in deze Bij de Les te lezen hoe de brug wordt geslagen tussen het basisonderwijs en voortgezet onderwijs, maar ook tussen het mbo en hbo. En je leest in een geslaagd praktijkvoorbeeld hoe er verbinding wordt gemaakt met collegascholen; échte verbinding door te willen leren van elkaar en je als school kwetsbaar durft op te stellen.

Ook de brug tussen het onderwijs en de thuissituatie is er, maar kan wel wat versteviging gebruiken hier en daar. Hoe zet je ouders in als supporters van hun kinderen? En wat blijft er over van de verbinding met thuis als het daar niet zo goed gaat? Door middel van de Meldcode wordt helder uiteengezet wanneer je als school aan zet bent, en wat je kunt doen of bij wie je moet zijn voor hulp. Ook buiten het thema valt er weer genoeg te lezen. In ‘Iedereen heeft zijn eigen verhaal’ lees je een ontwapenend artikel over Wendy Fok. Ze vertelt hoe zij met haar Dramataallessen leerlingen, docenten of ouders hun kracht wil laten voelen, zodat ze kwetsbaar durven zijn. En wat zij daarover zegt vat eigenlijk precies het hele nut van bruggen bouwen samen: ‘Open zijn over kwetsbaarheid verbindt mensen met elkaar. En als mensen verbonden zijn, zijn ze liever voor elkaar.’ En daarmee kom je altijd een stap verder.


Redactieverhalen oktober 2020

‘Het aantal uitstuurkaarten is met 25% gedaald’

Iedereen die werkzaam is in het onderwijs weet dat er altijd leerlingen zijn die moeite hebben om aan het regulier onderwijsproces deel te nemen, hulp nodig hebben om de dag door te komen of die een dusdanige impact op de groep en docent hebben dat een tijdelijke time-out voor alle partijen wenselijk is. Het zijn de leerlingen die regelmatig de klas uit worden gestuurd en als ‘probleemkinderen’ worden besproken in leerlingbesprekingen. Voor deze leerlingen is een verwijzing naar een tijdelijke time-out ruimte een van de oplossingen die wij voor deze leerlingen hebben ontwikkeld. Dit is het Oké-lokaal dat bemand wordt door pedagogisch medewerkers. Het is een brug die geslagen wordt tussen de, op dat moment, drukke klas waar de leerling zich niet kan concentreren en de rust die hij vindt in een prikkelarme omgeving. Met name de rust en een-op-een begeleiding leidt ook tot betere leerresultaten. Het aantal uitstuurkaarten is in het eerste kwartaal van het schooljaar met 25% gedaald. Wij werken nu twee jaar met het Okélokaal en het resultaat is dat docenten rust ervaren. Rust in de school, klas en t.a.v. een aantal leerlingen die veel aandacht vragen. De meeste leerlingen die hier begeleid worden ervaren het als zeer prettig en willen niet meer terug naar de klas. Eigenlijk zou er in de klas meer tijd en begeleiding voor ze nodig zijn, zodat leerlingen stapsgewijs en met ondersteuning van een coach in de klas de overstap kunnen maken. Dus……………weer een brug bouwen.

‘Een brug te ver in m’n hoofd’

Als tijdelijk ingehuurd leidinggevende zat ik bij de overgangsrapportvergadering van 5 vwo. Leuk: docenten die praten over jongeren die ik niet ken. Dat maakt nieuwsgierig. Tom zou voor de tweede keer blijven zitten. ‘O, nee, niet te lang over praten’, kreunde de mentor. ‘We weten het zo onderhand wel met die jongen, laat maar gaan. Voor een diploma kan hij naar het vavo.’ De volgende dag stapte een lange, al behoorlijk volwassen ogende jonge man binnen. Zelfverzekerd, nonchalant, robuuste vierkante kin. Hij gaf me een hand. ‘Tom uit v5. Ik kom mijn cijferlijst alvast halen. Ik ga weg. Hier wordt het toch niks.’ Ik vertelde hem hoe de docenten op hem hadden gereageerd en ik vroeg hoe dat zo kwam. ‘Nou,’ zei hij ‘ik ben de gemakkelijkste niet.’ Ik: ‘Hoezo?’ ‘Beetje arrogant, laat me niet zomaar wat zeggen en ik heb een hekel aan docenten die je met zo’n hooghartig air van alles op zitten te dragen.’ Ik vroeg of hij enig benul had van wat hij wilde. ‘Geen idee, ik weet alleen dat ik niet onder een baas moet werken. Verder ben ik wel vriendelijk als ik wil.’ Dat zag ik. ‘Ga je nog je diploma halen?’ vroeg ik. ‘Dat is op dit moment een brug te ver in m’n hoofd, misschien later’, zuchtte hij. ‘Waar hou je van?’ vroeg ik. ‘Ik heb altijd geschreven, verhaaltjes en zo. Daar ga ik weer mee verder.’ ‘Harry Mulisch’, zei ik. Er kwam een stralende glimlach te voorschijn. ‘Jee, mevrouw, dat vind een compliment!’

‘LOB zit overal in verweven’

Een verbindingsstuk is nodig om een doorbroken lijn aan elkaar te krijgen. Op mijn school lag er een LOB programma voor klas 2, 3 en 4 vmbo. Echter, klas 1 ontbrak nog. Ik heb aangedrongen om in het visie/missie stuk LOB een doorlopende leerlijn te zetten, zodat leerlingen hun loopbaanontwikkeling vanaf de brugklas kunnen inzetten. De school zag LOB vaak nog als een op zichzelf staand programma. Gelukkig kwam er door het visie/missie stuk duidelijk naar voren dat LOB overal in verweven zit. In de vaklessen, in de gesprekken, in wat leerlingen voor keuzes maken, in de vrije tijd. Aan het programma waar wij mee werken worden ook nog eens burgerschapslessen toegevoegd. Dat maakt het voor mentoren interessant om in de mentorlessen hiermee aan de slag te gaan en dit te combineren met LOB. De mentoren zijn geschoold in het voeren van loopbaangesprekken en hebben uitleg gekregen over het programma en wat het inhoudelijk brengt. Hiermee kunnen leerlingen hun eigen loopbaandossier opbouwen en in het laatste jaar een Plusdocument maken. LOB staat op de kaart en in het PTA (Programma voor Toetsing en Afsluiting). Per periode maken we samen de balans op. Wat gaat er in die periode plaatsvinden en hoe gaan we dat met zijn allen doen. Ik ben tevreden. Het heeft een paar jaar geduurd voordat ik deze stevige brug kon bouwen. Maar ja, de Zeelandbrug, de Moerdijkbrug, de Erasmusbrug en al die anderen, zijn ook niet in één jaar tijd gebouwd.

‘Net dat ene bruggetje verzinnen’

Als kind heb ik me er over verwonderd: hoe worden bruggen in hemelsnaam gebouwd? Dan zag ik voor me hoe ze steeds een klein stukje bouwden, met gevaar voor eigen leven. Die bruggen vervulden mij met diep ontzag voor de bruggenbouwers. Maar ik had ook geen exacte vakken in mijn havo pakket, dat was voor mij een brug te ver. Later in de brugklas begreep ik dat het begrip ‘brug’ meer betekenissen heeft. Als schrijver ben ik continue bezig om net dat ene bruggetje te verzinnen om mijn teksten mooi aan elkaar te breien (zoals hierboven met die brug te ver). Een van de laatste examens voor de zomer, was van de al wat oudere student Robin. Als onderwerp van zijn presentatie Nederlands koos hij deradicalisering. Ik herinnerde mij gehoord te hebben dat hij zelf moslim extremist was geweest. In het examengesprek, zonder publiek, vroeg ik hem hiernaar. Hij vertelde er heel open over en ik zag direct een stukje van een brug naar Bij de Les. Radicalisering is een lastig onderwerp, juist omdat weinig mensen hier open over willen praten. Vervolgens vertelde hij over de jeugd die hij van het extremistische pad probeert af te houden in samenwerking met de gemeente Arnhem. Ik zag opnieuw een stukje van een brug naar het MotivatieKompas. Daar werk ik mee om jongeren de brug naar hun eigen toekomst te leren bouwen. Dit is voor mij nu bruggen bouwen, en daar heb ik gelukkig geen enkel exact vak voor nodig.

 


Redactieverhalen september 2020

Onze redactieleden zitten met elkaar op één lijn. Veranderen moet! Waar dachten ze aan bij dit thema? Ze vertellen het in hun persoonlijke redactieverhalen.

'Hoe vraag je verkering aan iemand die je leuk vindt?’

VO-scholen zijn de afgelopen tijd ontzettend druk geweest met het organiseren van lessen en de infrastructuur om weer open te kunnen gaan. Hoe doe je dat met 300 (of meer) pubers waar de hormonen door het lijf gieren en die niet of nauwelijks te motiveren zijn om NIET aan elkaar te zitten?

Terwijl de scholen zich ernstig afvroegen hoe de leerachterstanden zullen zijn na 2 maanden géén live- onderwijs en of er in de zomer les gegeven moest worden, waren de leerlingen met hele andere vraagstukken bezig. Hoe vraag je verkering aan iemand die je leuk vindt en hoe ga je dan verder? Waar kun je, zonder handhaving in je nek, met vrienden afspreken om te chillen, te winkelen of een frietje eten? ‘Jongeren hebben het minste baat bij de lockdown maatregelen, want ze zijn voor het virus minder vatbaar’, betoogde een Belgische econoom op de televisie. Ze lopen minder risico maar mogen niet normaal naar school en moeten zich aan alle regels van de anderhalve metersamenleving houden.’ Als dit waar is, zou je verwachten dat onze jongeren in verzet komen. Niets is minder waar; ze laten deze coronacrisis gelaten over zich heen komen. Sommigen worden somber en verdrietig, anderen proberen er nog een beetje lol uit te halen. Zij gaan de geschiedenis in als de coronageneratie met leerachterstanden, sociaal- emotionele problemen en…………… als ze niet uitkijken: zonder verkering!!!!!

‘Maar,’ zei ze, ‘dan moet ik de boel wel aanpassen’

Tijdens een EK in de zomer werkte ik in de winkel van een huisjespark in Egmond aan Zee. Het park draaide voor 40% op stagiaires uit het mbo: toerisme, technische dienst, sport en bewegen en horeca. Roos, horecamedewerkster, genoot van het voetbalgedoe op het park. Meestal zat er zo’n veertig man in het restaurant te kijken naar het ingehuurde grote tv- scherm. De volgende dag zou Duitsland spelen. Ze had het er druk mee dat het restaurant niet open kon voor de Duitse gasten om samen voetbal te kijken. Het restaurant was verhuurd voor een huwelijksfeest. Roos bedacht er wat op: ze vond de ruimte van het animatieteam geschikt om de voetballiefhebbers te ontvangen. ‘Maar,’ zei ze, ‘dan moet ik de boel wel aanpassen.’ Dat vond de teamleider best. Roos ging aan de slag, zitplekken maken, groot scherm aansluiten en de koelkast vullen. Van een vertegenwoordiger kreeg ze een paar vuvuzela’s. Samen met twee medestudenten bekeek ze de opstelling en bedacht: ‘We moeten looppaden hebben om te serveren.’ De volgende dag was Roos bezig alles op te ruimen. ‘Veertig euro fooi!’ riep ze. ‘Dat mochten we hou- den!’ Nadenkend vertelde ze verder: ‘De organisatie van de bediening moeten we de volgende keer veranderen. We gingen soms met z’n drieën tegelijk een bestelling opnemen. Dat was verwarrend. Volgende keer verdelen we de zaal in wijken. Voor Roos was veranderen nodig om te kunnen verbeteren.’

‘We zijn met z’n allen in één keer in het diepe gegooid’

In de corona thuiswerktijd heb ik nagedacht over wat er in het onderwijs veranderd kan of moet worden. Op LinkedIn zag ik veel berichten voorbij komen over hoe er online les gegeven wordt. Daarnaast las ik de passie en zag ik de creativiteit van docenten en andere onderwijsbetrokkenen. Echter las ik ook de zaken die het onderwijs op afstand niet makkelijker maken. We zijn met z’n allen in één keer in het diepe gegooid. Een goede voorbereiding (hadden we die?) had wellicht ons afstandsonderwijs beter, intensiever en opbrengstgerichter laten zijn.

Het geregel rondom de examens, de extra toetsen of herkansingen die ingezet zijn om leerlingen een ‘echt’ gevoel te geven te zijn geslaagd, is naar mijn mening hectisch verlopen. Maar, als we mogen veranderen, verander dan de examens. Je kunt leerlingen ook laten slagen op basis van skills en testresultaten van de voorgaande jaren. Het basisonderwijs geeft een advies (eventueel met of zonder Cito toets), het mbo, hbo en wo beoordelen of iemand een diploma krijgt op basis van praktijkexamens, tussentoetsen, papers en/of onderzoeken. Geen klotsende oksels in een gymzaal. Dat is blijkbaar voor het vo weggelegd. Laten we eens meer naar andere mogelijke vormen kijken of een leerling in staat is om het vervolgonderwijs aan te kunnen. Met een goede voorbereiding, betere instructies en nog steeds de enorme gedreven passie en creativiteit moeten we dit toch voor elkaar krijgen?

'Het onderwijs kruipt door ons familiebloed'

Wie mij een beetje heeft gevolgd in Bij de Les weet hoe ik met hart en ziel op latere leeftijd docent ben geworden. Het onder- wijs kruipt door ons familiebloed en toen ik eindelijk als 50-plusser voor de klas stond voelde dat als thuiskomen. En nu is dat allemaal voorbij…

Op vrijdagochtend 15 mei zit ik een aflevering van 100 dagen voor de klas te kijken. Ineens valt het allemaal op z’n plek. Mijn moeizame strijd van de laatste jaren na die flinke burn-out. Ik loop al een hele tijd letterlijk op mijn tandvlees. De tandarts kon niets vinden voor die onverdraaglijke zenuwpijn. De diagnose werd chronische aangezichtspijn en niets hielp. Mijn team- manager besloot dat ik alleen nog Nederlands zou geven. Huilend nam ik afscheid van mijn mentorklas. Maar het was wel een verstandige keuze. De pijnaanvallen verdwenen. Na een brand in het huis van mijn dochter, mijn moeder die een heup brak en mijn vader die overleed, was dit jaar ook mijn jaar niet. Intussen al twee jaar 60% aan het werk dus de WIA nadert, maar loslaten vind ik zo moeilijk. Die ochtend bij 100 dagen voor de klas ben ik ineens trots op mezelf. Ik heb het toch maar mooi gedaan al die jaren en ben zoveel ervaringen rijker. Het is nu tijd voor verandering. Meteen tik ik een mail aan mijn team dat er volgend jaar een andere docent Nederlands zal komen. Veranderen, soms moet het echt