Long read: Passend onderwijs in het praktijkonderwijs mogelijk maken

Onder de titel ‘Passen en Meten’ publiceert het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) in Bij de Les voorbeelden van effectieve én efficiënte uitvoering van ondersteuning aan leerlingen in het onderwijs. De bijdragen zijn tot stand gekomen in nauwe samenspraak met professionals in scholen. Dit artikel is deel 1 uit de reeks. In de komende edities van Bij de Les publiceren we het vervolg.

Scholen met een groot aantal kwetsbare leerlingen staan voor vele uitdagingen. Zij lopen daarmee een reëel risico zwak te presteren. Voor deze scholen is het een grote uitdaging om een kwalitatief sterke leeromgeving te bieden. Onderzoek laat zien dat een kwalitatief sterke leeromgeving die veilig is en ondersteuning biedt, positieve resultaten geeft op leerprestaties, veiligheidsbeleving en betrokkenheid bij de school.

De Europese Organisation for Economic Co-operation and Development (OECD) heeft in een rapport uit 2012 vijf beleidsaanbevelingen geformuleerd voor het verbeteren van de opbrengsten van scholen. De aanbevelingen zijn echter beknopt en abstract geformuleerd. We laten in dit artikel zien hoe alle betrokkenen in een school voor praktijkonderwijs deze beleidsaanbevelingen kunnen invullen. Ter illustratie bij deze long read in het blauw praktijkvoorbeelden van het Kolom Praktijk College Noord in Amsterdam (KPCN).

Beleidsaanbeveling 1: Versterk en ondersteun de schoolleider

Deze aanbeveling van de OECD roept de vraag op wíe de schoolleider moet versterken en ondersteunen, en in welke zin. Wij formuleren deze aanbeveling hier als volgt: versterk en ondersteun de schoolleider bij zijn competenties om passend onderwijs mogelijk te maken. Eén van de belangrijkste competenties is volgens ons het creatief weten om te gaan met de variabelen tijd en ruimte. Wanneer passend onderwijs geboden wordt op een praktijkschool, betekent dit namelijk dat er (letterlijk) ruimte moet zijn voor leerlingen en leerkrachten om ander onderwijs te bieden. Die ruimte betekent voor de schoolleider dat hij flexibel moet omgaan met tijd, roosters en de inzet van leerkrachten en lokalen en dat hij initiatieven van leerlingen, ouders en leerkrachten serieus moet nemen. Het is vaak een kwestie van creatief ‘passen en meten’. De flexibiliteit van de directeur vooronderstelt instemming van het team. De directeur moet duidelijk maken dat het ‘passen en meten’ flexibiliteit van alle medewerkers vereist.

Een praktijkvoorbeeld bij het KPCN:

Een jongen uit het tweede leerjaar scoort hoger op zijn sociale- en werkcompetenties dan in zijn eerste jaar op het praktijkonderwijs. Hij en is sterk in de praktijkvakken. Toch heeft hij het moeilijk in de klas, voornamelijk bij de theorievakken. Wanneer de mentor hierover met hem spreekt, geeft hij aan dat hij te lang moet stilzitten en dan 'druk wordt in zijn hoofd'. Van een collega hoort de mentor dat er bij het derdejaars programma horeca nog twee plekken over zijn. Meedoen Hieraan meedoen aan dit programma, betekent minder theorie- uren, maar wel meer beweging en een schat aan nieuwe ervaringen. Bovendien geeft het een ‘boost’ aan zijn zelfvertrouwen. De directeur staat er welwillend tegenover en de moeder van de jongen ook. De jongen zelf is dolblij en loopt een prachtige interne stage bij horeca. Elke week vraagt de mentor aan zowel de leerkracht als de leerling hoe de dag verlopen was en elke week koopt de mentor een zelfgemaakt broodje bij hem. Met dat trotse gezicht erbij smaakte de broodjes nog lekkerder!

Beleidsaanbeveling 2: Stimuleer een inclusie-bevorderend en ondersteunend schoolklimaat

Een ondersteunend schoolklimaat dat inclusie ofwel ‘insluiting’ bevordert, vraagt volgens de OECD om aandacht voor de volgende twee aspecten:

  1. Prioriteren van het ontwikkelen van positieve relaties tussen leraar en leerling en onderling tussen de leerlingen;
  2. Vergroten van de veiligheid in en om de school.

Deze twee aspecten vormen de kern van het pedagogisch handelen. Uit veel onderzoeksresultaten blijkt dat het belangrijke aspecten zijn voor het vergroten van zowel het rendement van de overdracht van kennis, houding en vaardigheden als van het bijdragen aan een optimale sociaal-emotionele ontwikkeling. Bij het geven van onderwijs aan leerlingen gaat het niet alleen om het realiseren van prikkelend en uitdagend onderwijs op maat, maar óók om de kwaliteit van de pedagogische relatie. Overdracht van kennis en vaardigheden is immers ingebed in de relatie tussen de docent als volwassene en de leerling als jongere. Die pedagogische relatie vraagt om bewuste hantering ervan; we noemen dit pedagogisch vakmanschap. Belangrijk is dat de docent hierover beschikt. In dat pedagogisch vakmanschap is het ook van belang om te beseffen dat leerlingen zowel objecten zijn van kennis- en vaardighedenoverdracht, als ook subjecten in de zin van zich ontwikkelende jeugdigen. In de lagere schoolleeftijd zijn ontwikkelingsopgaven als ‘acceptatie door leeftijdsgenoten’ en ‘ontwikkelen van schoolvaardigheden’ belangrijk. In de leeftijd daarboven, zoals bij leerlingen in het praktijkonderwijs, bestaan die ontwikkelingsopgaven uit ‘het verwerven van emotionele en praktische zelfstandigheid’, ‘het leren omgaan met de eigen en de andere sekse’ en ‘de ontwikkeling van een persoonlijke identiteit’. In het pedagogisch handelen dient de leraar daarmee rekening te houden.

'Leerlingen zijn 25 tot 30 procent van hun ‘wakkere tijd’ bezig met school'

De pedagogische opdracht van de school - en in het verlengde daarvan het belang van pedagogisch vakmanschap - vloeit eigenlijk al voort uit het gegeven dat leerlingen 25 tot 30 procent van hun ‘wakkere tijd’ bezig zijn met school. Denk aan reizen naar en aanwezig zijn op school en huiswerk maken. De ontwikkeling van de leerling stopt niet op school. Een leraar moet ook:

  • Positieve aandacht geven aan de leerling, zodat hij zich gezien voelt;
  • Aandacht hebben voor opvallendheden in sociaal-emotioneel en gedragsmatig opzicht;
  • Aangeven wat na te leven gedragsnormen en -regels zijn;
  • Zorgen voor veiligheid door tijdige en adequate begrenzing en eventuele sanctionering van norm- of regel-overschrijdend gedrag.

De leraar is steeds bezig met het zodanig inbedden van kennis- en vaardighedenoverdracht in de relatie, dat recht wordt gedaan aan het ontwikkelingsniveau van de leerling en bijgedragen wordt aan het stimuleren van die ontwikkeling. Als de kwaliteit van de pedagogische relatie te kort schiet, ontstaan pedagogische verwaarlozing, sociale onveiligheid en slechtere schoolresultaten. De school heeft er baat bij om de kwaliteit van het pedagogisch handelen en vakmanschap te optimaliseren en aan te moedigen, te onderhouden en voortdurend te verbeteren.

'Als de kwaliteit van de pedagogische relatie te kort schiet, ontstaan pedagogische verwaarlozing'

Volgens de OECD is het gebruik van effectieve én efficiënte registratiesystemen belangrijk. Zo vallen leerlingen die dreigen uit te vallen tijdig op. Belangrijk is ook dat het registratiesysteem duidelijk maakt welke factoren de verstoringen in de schoolloopbaan veroorzaken.

Wat werkt bij pedagogisch handelen in het KPCN?

Directie en schoolteam realiseren zich dat zichtbaarheid van het personeel in de school van groot belang is. De leerlingen weten dat er leerkrachten aanwezig zijn en dat zij actief toezicht houden, maar ook dat zij aanspreekbaar zijn als er zich problemen voordoen. Bovenal biedt het aanwezig zijn in bijvoorbeeld de pauzes de kans contact te leggen met leerlingen op andere manieren dan in de les. Ook worden positief geformuleerde gedragsverwachtingen gesteld voor de leerlingen: wat wordt er van jou verwacht en welk gedrag past daar bij? En wanneer zich een incident voordoet, wordt dit zo mogelijk op dezelfde dag nog besproken op school, zodat leerlingen (en leerkrachten!) ‘opgeschoond’, en niet boos naar huis gaan.

Volgens de OECD is het gebruik van effectieve én efficiënte registratiesystemen belangrijk. Zo vallen leerlingen die dreigen uit te vallen tijdig op. Belangrijk is ook dat het registratiesysteem duidelijk maakt welke factoren de verstoringen in de schoolloopbaan veroorzaken. Daarnaast wordt tweemaal per jaar een scoreprogramma ingevuld over de sociaal-emotionele ontwikkeling van de leerlingen. Op basis hiervan wordt een groepsplan gemaakt en uitgevoerd. Belangrijk is ook de periodieke meting van veiligheidsbeleving bij leerlingen en medewerkers. De resultaten van zo’n meting geven, in combinatie met meetgegevens vanuit de ondersteuning/zorg, Arbo, en de incidentenregistratie, inzicht in de veiligheid op school. Ook geven ze houvast bij het formuleren van adequate preventieve en corrigerende maatregelen.

'Ook hebben scholen soms baat bij een andere indeling van de leertijd'

In het OECD-rapport uit 2012 staan bij deze beleidsaanbeveling ook een aantal zinnige tips. Zo pleit men voor het effectief organiseren van een adequate ondersteuning van leerlingen en voor een eenduidige invulling van het mentoraat. Ook hebben scholen soms baat bij een andere indeling van de leertijd (duur van de schoolweek, of het schooljaar). Soms helpt het kleinere klassen in te richten; misschien helpt het soms de leerling een deel van de week thuis te laten leren, met begeleiding op afstand.

Mentoraat in het KPCN

De leerlingen van de eerste en de tweede klas krijgen zo veel mogelijk les van hun mentor. Tweemaal per week is er een lesuur ingeroosterd waarin de mentor een ‘coach-uur’ heeft. Leerlingen kunnen zelf naar dit uur komen, maar worden ook uitgenodigd om bijvoorbeeld doelen te komen stellen of te evalueren. Of om te spreken over opvallendheden in hun sociaal-emotionele ontwikkeling, of andere zaken die spelen.

Beleidsaanbeveling 3: Hanteer een aanstellingsbeleid, gericht op het aanstellen, ondersteunen en behoud van goede leraren

Leraren hebben een groot effect op de prestaties van leerlingen. Toch werken ook in scholen met veel kwetsbare leerlingen, zoals in het praktijkonderwijs, niet altijd de beste leraren. Een school zou dan ook een beleid moeten voeren dat gericht is op het verhogen van de kwaliteit, door nieuwe docenten goed in te werken en intensief te begeleiden, en meer in het algemeen: docenten voorzien van voldoende vaardigheden en kennis om met deze kwetsbare doelgroep om te gaan. De werkcondities moeten de leraar ondersteunen, zodat zijn effectiviteit toeneemt en meer leraren hun baan willen behouden. Financiële beloningen en mogelijkheden voor promotie dragen daar aan bij.

'De werkcondities moeten de leraar ondersteunen'

Ondersteuning bij het KPCN

Binnen de stichting waar de school onder valt is een ‘academie’ opgezet, waar docenten en ondersteunend personeel modules kunnen volgen. Bij het stapelen van de modules kunnen leraren uiteindelijk de Master Special Educational Needs behalen. Met nieuwe docenten wordt besproken dat het de bedoeling is dat zij een master gaan volgen wanneer zij het eerste jaar goed functioneren. De doorgroeimogelijkheden binnen het onderwijs zijn echter beperkt. Scholen maken wel gebruik van het doorgroeien naar een LA/LB/LC/ LD schaal, maar soms zijn de hogere schalen al vergeven en kan een leraar daardoor niet doorstromen. Bovendien is er een beperkt aantal functies die een leraar naast het lesgeven kan vervullen, terwijl sommigen taakverrijking en -verbreding ambiëren.

Beleidsaanbeveling 4: Zorg voor effectieve leerstrategieën in de klas

Ten aanzien van de leer- en ontwikkelingsprestaties van leerlingen binnen het praktijkonderwijs bestaan volgens het OECD vaak lage verwachtingen, terwijl is aangetoond dat een goed pedagogisch-didactisch klimaat wel degelijk een verschil maakt. Daartoe dient het beleid zich te richten op het volgen van een curriculum dat onderwijsverwachtingen op individuele maat mogelijk maakt, en dat een schoolklimaat stimuleert waarin hoge verwachtingen en succeservaringen vanzelfsprekend zijn. De diversiteit aan leerlingen, leerstrategieën en gedrag is groot in het praktijkonderwijs. Meer individueel gerichte praktijkvakken zijn een effectief onderdeel van het curriculum, naast het basisaanbod aan algemeen vormend onderwijs (de ‘avo’-vakken). Met dat individueel gerichte aanbod hoeven de leerlingen minder uren per week ‘in de banken te zitten’.

'De diversiteit aan leerlingen, leerstrategieën en gedrag is groot in het praktijkonderwijs'

Teach like a champion

Bij het KPCN wordt ook gewerkt met ideeën uit ‘Teach like a champion’ (Lemov, 2012). Daarbij wordt er onder andere vanuit gegaan dat de docent alle leerlingen aanspreekt, niet alleen de leerlingen die zelf hun vinger opsteken. Belangrijk hierbij is dat de docent de leerlingen allemaal mee laat doen, maar op een manier die passend is voor de leerling. Nóg belangrijker is dat men bij het KPCN de leerlingen eigenaar van hun leren willen laten zijn. Dit bereikt men door doelen te stellen met de leerlingen, waarbij de leerling gecoacht wordt. Zo bepaalt niet de leerkracht wat een leerling moet leren, maar stelt de leerling zelf een doel. Denk aan doelen op sociaal-emotioneel gebied, praktijkvakken, competenties die in het rapport gescoord worden (werkhouding, zelfstandigheid, werkvoorbereiding, etc.), maar ook aan vakspecifieke doelen. Deze doelen worden aan de hand van vaste vragen met de leerling geëvalueerd, de leerling bepaalt en motiveert of een doel wel of niet behaald is.

Beleidsaanbeveling 5: Geef prioriteit aan het verbinden van de schoolgemeenschap met de ouders en de omgeving

Betrokkenheid van ouders bij de schoolloopbaan van hun kind heeft een gunstige uitwerking op de leerling . De ouders van leerlingen uit het praktijkonderwijs neigen ertoe minder betrokken te zijn bij de schoolloopbaan van hun kinderen. Vandaar dat in het schoolbeleid extra aandacht nodig is voor aantrekkelijke communicatie met ouders en voor het verbinden van de inspanningen op school met het thuismilieu. Maar ook het verbinden met de schoolomgeving is belangrijk: bijvoorbeeld door vrijwilligers uit de buurt in te zetten om leerlingen te helpen met hun huiswerk of hen te begeleiden in hun vrije tijd.

Ouderbetrokkenheid bij het KPCN

Ouders worden minimaal drie keer per jaar bij de school verwacht om de IOP’s (individueel ontwikkelingsplannen) te bespreken, de leervorderingen, de sociaal-emotionele ontwikkeling en de doelen waaraan hun kind gewerkt heeft. Bij de aanmelding wordt dit al met ouders besproken en ouders zijn dan ook vrijwel allemaal aanwezig bij deze gesprekken. Maar de ervaring leert dat ouderbetrokkenheid bij het KPCN moeizaam gaat. Ouders willen wel maar kunnen niet altijd even betrokken zijn, en de school heeft moeite om ouders structureel te betrekken bij het leren van hun kind. 


Over de auteurs van deze long read:
Dorien van Westrienen is docent en mentor aan de praktijkschool het Kolom Praktijk College Noord in Amsterdam. In 2013 won zij met een onderzoekvoorstel een reis naar Canada, waar zij onderzoek deed naar inclusie in passend onderwijs. Dorien was voorheen werkzaam in het Speciaal Basisonderwijs.
Daan Wienke werkt als adviseur ‘veilige en zorgzame leeromgeving’ voor het Nederlands Jeugdinstituut.