Doorstromen met extra ondersteuningsbehoefte

Leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte vallen nog te vaak uit in het hbo of wo. Het vo en het ho werken weinig samen om die doorstroom te verbeteren. Kan dit soepeler? We vragen het aan een zorgcoördinator in het vo, een begeleider in het hbo, een scholiere uit 5 havo die extra ondersteuning nodig heeft en een hbo-student met autisme.

Yvonne Casteleijn, zorgcoördinator vo

Yvonne Casteleijn is zorgcoördinator op het Hendrik Pierson College in Zetten. Ze merkt in de praktijk dat er voor leerlingen met een ondersteuningsbehoefte goede contacten zijn met mbo-scholen, maar contacten met het ho zijn er niet. Een mentor en decaan van het HPC begeleidden vorig jaar een leerling met autisme naar een vervolgopleiding in het hbo. Terugkoppeling kwam er niet. Casteleijn: ‘Het kan natuurlijk zo zijn dat al onze leerlingen alleen maar successen behalen en dat we daarom geen terugkoppeling krijgen, maar als ik naar de landelijke uitvalcijfers kijk, dan geloof ik dat niet. Vorige week had ik wel telefonisch contact met de mentor van een oud-leerling in het mbo. Die wilde met ons afstemmen wat het beste plan van aanpak zou zijn voor deze leerling.’

Doorstroomformulier

Voor een toekomstige mbo-leerling vult Casteleijn een doorstroomformulier in. Op die manier heeft het mbo ook haar gegevens, voor wanneer er terugkoppeling nodig is. Het wordt zo gemakkelijk gemaakt voor begeleiders in het mbo om haar te benaderen als een oud-leerling tegen problemen aanloopt. Casteleijn: ‘Dat doorstroomformulier is er niet voor de leerling die vanaf de havo of het vwo richting het ho doorstroomt. Het is geheel aan de leerling om aan te geven of zij een ondersteuningsbehoefte hebben. Een doorstroomformulier voor alle niveaus zou enorm helpen. Je moet natuurlijk wel toestemming van de leerling krijgen om informatie met het ho te delen, dat is een keuze die bij de leerling ligt. Dat zou in de overdracht net die boost kunnen geven aan de rest van de loopbaan van de student. Het zou zonde zijn als een student in het ho tegen dezelfde muur aanloopt als waartegen hij in het vo aanliep.’

‘Eigen weg bewandelen’

In de aanloop naar het doorstromen spreekt Casteleijn met ouders en leerlingen om erachter te komen waar de behoeftes liggen. Toch is het vanuit de leerling bezien niet altijd gewenst om ze te volgen in de het eerste jaar van het ho. ‘Er zijn genoeg leerlingen die hun eigen weg willen bewandelen,’ zegt Casteleijn, ‘en dat is natuurlijk begrijpelijk. Ze zijn volwassen en krijgen hun eigen verantwoordelijkheden. En dan blijft de privacy een kwestie: welke gesprekken mogen we over ze voeren met de vervolgopleiding?’

Ook qua terminologie kan een en ander wellicht beter. Want wat is nou het verschil tussen een zorgcoördinator en ondersteuningscoördinator? En waarom heeft een leerling een ondersteuningsbehoefte in het vo, maar heeft diezelfde leerling in het ho een functiebeperking? Casteleijn: ‘Meer overeenkomsten tussen benamingen in het vo en ho zou het voor de leerling makkelijker maken om zijn draai te vinden.’

Michelle Goossens, 5 havo

Michelle Goossens heeft al sinds de basisschool een grote drive: naar de pabo gaan. ‘Als ik die drive niet had gehad, had ik nu op de mavo gezeten.’ Haar ambitie heeft een keerzijde: het harde werken heeft Michelle opgebroken. Ze kwam geestelijk in zwaar weer terecht en dan kwam de ziekte van Pfeiffer er ook nog eens bovenop. Gelukkig heeft haar school, het Hendrik Pierson College in Zetten, een goede ondersteuningsstructuur. Michelle: ‘Samen met de praktijk waar ik hulp kreeg, heb ik een gesprek met school aangevraagd. Met de zorgcoördinator en mijn mentor hebben we besproken hoe we ervoor konden zorgen dat ik het rustiger aan kon doen, want ik nam geen rust en dat brak me op. Op een gegeven moment was ik op volleybal en verjaardagen na alleen maar met school bezig... Nu mag ik aan de bel trekken als het dreigt mis te gaan en dan kijken we samen naar wat ik dan nodig heb. Alleen dat al geeft mij veel rust.’

Straks geen ondersteuning meer

Qua oriëntatie op het vervolgonderwijs heeft Michelle in 4 havo tijdens de mentorlessen veel informatie gehad, zoals over het bezoeken van open dagen. In 5 havo wordt er van haar klas verwacht dat ze zelf stappen ondernemen om zich goed te oriënteren. Extra ondersteuning heeft Michelle hierbij niet nodig, al was het maar omdat ze al lang weet wat ze wil gaan doen. Maar wat verwacht ze van de ondersteuning op het hbo? Michelle: ‘Ik weet nog niet hoe ik me voel als ik mijn diploma straks heb gehaald, maar momenteel denk ik dat ik straks geen extra begeleiding meer nodig heb. Ik denk dat de overgang van het vo naar het hbo ongeveer hetzelfde is als die van de basisschool naar het vo: alles is anders en dat zal de eerste tijd wel even wennen zijn. Ik maak me geen zorgen, ik heb veel motivatie om zelfstandig te leren. Ik denk ook dat als je aangeeft welke ondersteuning je nodig hebt, dat ze op het hbo dan ook met je meedenken.’ Daarom houdt Michelle bij haar studiekeuze geen rekening met de ondersteuningsmogelijkheden. ‘Mijn twee opties zijn pabo op de HAN in Nijmegen of in Arnhem. Omdat de HAN in Nijmegen veel groter is, heeft dat mijn voorkeur. Ik hou wel van een grote school.’

Roy Houtkamp, begeleider bij de opleiding ICT

Roy Houtkamp is lid van Student Plus, een begeleidingsteam binnen de opleiding ICT van Fontys. Ooit opgezet om studenten met autisme, ADHD en dyslexie te helpen, nu uitgegroeid tot een orgaan dat alle studenten helpt. Houtkamp: ‘Vanuit mijn rol begeleid ik studenten en voer ik intakegesprekken met instromers. Hiervoor werkte ik voor het decanaat van Fontys, een onafhankelijk orgaan binnen de instelling. Het decanaat zet onder andere trainingen uit voor studenten met faalangst en schrijft  adviezen uit richting opleidingen, bijvoorbeeld voor studenten die extra tijd nodig hebben bij examens.’ Houtkamp vindt het jammer dat niet elke opleiding bij Fontys een Student Plus-afdeling heeft: ‘Elke opleiding moet alles zelf regelen. Maar middelen om de begeleiding zelf te regelen zijn niet overal aanwezig, of men ziet de noodzaak er niet van in. Ik maak me er hard voor om alle begeleiding binnen Fontys centraal te regelen, maar zo ver zijn we nog niet.’

Student Plus heeft geen direct contact met vo-scholen. Het decanaat regelt die contacten. Een onwenselijke drietrapsraket, noemt Houtkamp dit: ‘Ik heb vanuit mijn verleden veel contact met ons decanaat en zo kan ik dus ook met vo-scholen in contact komen. Omdat niet elke opleiding even goed in contact staat met ons decanaat, is die drietrapsraket niet bij elke opleiding optimaal. Een link met vo-scholen zou veel opleveren, omdat we dan ook beter kunnen voorlichten vanuit het hbo.’

Doorstroomdocument

Ook Houtkamp vertelt dat een doorstroomdocument zou helpen om problemen te ondervangen, al is vooral de Studiekeuzecheck (SKC) een goed middel om de leerling met extra ondersteuningsbehoefte eruit te pikken: ‘Tijdens de intake ontdekken we vrij snel welke studenten extra hulp nodig hebben, dus daarmee ondervangen we een doorstroomformulier eigenlijk al. We adviseren studenten om contact op te nemen met het decanaat of met Student Plus als wij dat nodig achten na de intake.’ Dat hij zonder doorstroomdocument geen contactgegevens van de begeleider uit het vo heeft, vindt Houtkamp niet zo erg: ‘De student is als volwassen persoon immers zelf verantwoordelijk. Het contact loopt via de student.’

Lexicon

Iedere opleiding binnen Fontys gebruikt zijn eigen termen, vertelt Houtkamp: ‘Bij sommige opleidingen van Fontys is een studieloopbaanbegeleider betrokken, bij andere is dat een semestercoach. Ze doen hetzelfde, het heet anders. Als we intern al verschillende benamingen gebruiken, lijkt een landelijk lexicon me ver weg. Dit is trouwens ook een mooi argument om alle begeleiding binnen Fontys te centraliseren. Maar eerder dan voor een landelijk lexicon pleit ik voor meer aandacht voor studievaardigheden in het doorstroomproces. Het is hier een heel andere wereld dan in het vo en mijn ervaring is dat er voor die verschillen te weinig aandacht is in het middelbaar onderwijs.’

Marck Manders, student Toegepaste Psychologie

In zijn middelbareschooltijd zat Marck Manders op het speciaal onderwijs: hij heeft autisme. In die tijd werd hij nog wel eens overprikkeld, of speelde werkdruk hem parten. Dat uitte zich op verschillende manieren: de ene keer klapte hij dicht, de andere keer kon hij juist agressief worden. Door goede begeleiding heeft hij daar nu goed mee leren omgaan. Marck: ‘Dat heeft me gevormd tot de persoon die ik nu ben.’ Samen met zijn decaan en zijn ouders heeft Marck zich voorbereid op een vervolgopleiding. Dat werd ICT aan de Fontys.

De overstap

‘Aan de ene kant zag ik er door de grotere klassen en het wegvallen van structuur en begeleiding enorm tegenop’, zegt Marck. ‘Mijn decaan adviseerde me om meteen na mijn inschrijving contact op te nemen met het decanaat van Fontys, zodat er al dingen voor me geregeld konden worden. Vanaf het moment dat ik startte werd ik meteen al goed ondersteund.’ Het decanaat op Fontys is een heel andere begrip dan dat op de middelbare school, merkt Marck op. Alleen met de grotere klassen kon het decanaat niet helpen, maar daar heeft Marck zelf mee leren omgaan. ‘En nou zit ik gewoon op het hbo!’ zegt hij met trots.

Dat zit wel snor zou je zeggen, maar ondanks een supersoepele overgang is Marck tóch van studie geswitcht. ‘Ik merkte dat mijn motivatie voor ICT verdween. Ik miste de diepgang. Aan de andere kant ontdekte ik dat ik liever mensen zou helpen, ook omdat ik met Roy Houtkamp een project heb opgezet om beter inzicht te geven in autisme. Dat heet AAP: het Autisme Awareness Project. Daarom doe ik nu Toegepaste Psychologie.’