Robots, automatisering en de gevolgen voor school en werk

Omdat degenen die nu een studie gaan kiezen pas op zijn vroegst over drie jaar (maar meestal veel later) de arbeidsmarkt opstromen, is een blik in de toekomst nodig en die heeft de neiging weleens wispelturig te zijn.

Hoe bereiden we ons voor op de toekomst?

door Leo Molenaar

Onder invloed van de economische crisis is er de laatste jaren in loopbaancoaching meer nadruk komen te liggen op de arbeidsmarktperspectieven. Daarbij wordt gekeken of er in een bepaalde sector nu of straks voldoende werk te vinden is. Voor mensen die op dit moment een baan zoeken heeft dat veel zin. Of dat voor studiekeuze ook zo is, is de vraag. Omdat degenen die nu een studie gaan kiezen pas op zijn vroegst over drie jaar (maar meestal veel later) de arbeidsmarkt opstromen, is een blik in de toekomst nodig en die heeft de neiging weleens wispelturig te zijn. De algemene verwachting is dat robots en automatisering steeds meer van ons werk over zullen gaan nemen, al verschilt men van mening over de mate waarin dat zal gebeuren.

Er zijn honderden voorbeelden te verzinnen waarin betaalde arbeid nu al wordt vervangen door digitale alternatieven: van zelfscanners bij de supermarkt tot de gerobotiseerde magazijnmedewerkers van Amazon.com. Het is een onderwerp dat de gemoederen flink bezig houdt, zoals dat in onze geschiedenis vaker is voorgekomen. We zitten inmiddels namelijk al in de derde industriële revolutie. De eerste ontstond door de introductie van stoom, de tweede door elektriciteit en de huidige door informatietechnologie. De eerste twee revoluties hadden betrekking op machines die spierkracht vervingen, terwijl in de huidige revolutie machines ook denkkracht zijn gaan leveren.

Angstgolf

Op een congres in 2014 sprak minister Asscher over de robotisering van arbeid en zijn woorden veroorzaakten een angstgolf in Nederland. Onder andere zei hij: ‘Bedrijven stappen massaal over op de nieuwe technologie en verhogen hun productiviteit sterk. De rijkdom die dit veroorzaakt komt vooral terecht bij de profiterende kapitaalbezitters. De eigenaren van de robots. En ja, ook de hoogopgeleide werknemers profiteren. Hun vaardigheden zijn namelijk nodig om de robots goed te laten functioneren. Maar modale werknemers en werknemers aan de onderkant zijn de dupe. In de concurrentie met robots zien zij hun lonen dalen en biedt geen werkgever ze nog een vast contract. Naarmate de robots beter en goedkoper worden, zakt hun loonwaarde tot onder het minimumloon.’

‘Sinds de jaren tachtig van de 21e eeuw is door automatisering al baanpolarisatie ontstaan’

Sinds de toespraak van is er een stortvloed aan publicaties over het onderwerp verschenen. Daarin komen ten aanzien van de relatie tussen technologie en werkgelegenheid steeds twee tegengestelde visies naar voren. In de ene visie zorgt innovatie voor economische groei, banengroei en een acceptabele verdeling van de welvaart. De andere visie zegt dat de ontwikkelingen door arbeidsbesparende technologie juist leiden tot minder werk. In sommige onderzoeken worden nuanceringen aangebracht, zoals Asscher dat eigenlijk ook doet. Volgens hem zorgt robotisering vooral bij de laagopgeleiden voor problemen en ontstaat er zo een tweedeling in de maatschappij. We bekijken twee recente onderzoeken wat nauwkeuriger.

Het ontstaan van nieuw werk

Het Rathenau Instituut onderzocht of ‘slimme technologie’ banen gaat vervangen. Zij constateren dat er eigenlijk niets nieuws onder de zon is: sinds de jaren tachtig van de 21e eeuw is door automatisering al baanpolarisatie ontstaan. De vraag naar middelbaar geschoold werk nam af, terwijl de vraag naar (vooral) hoog- en laaggeschoold werk steeg. Wat er tegenwoordig juist anders is, is dat ook hoog- en laagopgeleid werk niet meer ‘immuun’ is voor automatisering. Alle opleidingsniveaus kunnen er door worden getroffen. In de huidige revolutie neemt IT op alle niveaus cognitief routinewerk over, zoals administratief werk, het maken van berekeningen, boekhouden, het bewaken van processen en het beoordelen van producten.

Gerenommeerd consultancybureau McKinsey deed ook onderzoek. Volgens hen zijn heel weinig beroepen (minder dan 5%) kandidaat om volledig geautomatiseerd te worden. Daar staat tegenover dat zij voorzien dat in de toekomst in bijna elk beroep delen kunnen worden geautomatiseerd: bij elkaar ongeveer de helft van alles wat wij met elkaar betaald uitvoeren.

Dat betekent niet dat dit ons werk zal vervangen. Mensen zullen nog steeds nodig zijn om naast (of samen met) de machines te werken. Werknemers die door de automatisering buiten spel komen te staan, zullen volgens hen ander werk kunnen vinden. Ook zij wijzen op de parallellen met onze geschiedenis, waarin veel mensen de landbouw achter zich lieten en de fabrieken introkken. Ook die veranderingen resulteerden niet in grote werkloosheid, omdat er nieuw werk ontstond. Zij zien geen aanwijzingen dat het deze keer anders zal lopen.

‘Een derde van de benodigde vaardigheden zal worden vervangen door nieuwe’

Wat betreft de gevolgen van de automatisering maakt McKinsey een onderscheid per beroepsgroep. Zo zal een werknemer in de foodservice de robot het meest tegenkomen, omdat 48% van het werk in die sector voorspelbaar fysiek werk is en dus het makkelijkst te vervangen is. Een financieel medewerker besteedt 34% van zijn tijd aan dataverwerking en 16% aan het verzamelen van data. Het is waarschijnlijk dat daar in de toekomst software voor geschreven zal worden die dergelijke taken gaat vervangen. Een jurist daarentegen besteedt veel van zijn tijd aan het overdragen van kennis en aan klantcontacten. Daarbij is het veel minder waarschijnlijk dat robots dat over zullen nemen.

Hoe snel de ontwikkelingen gaan, is voor McKinsey de grote vraag. Het zou al plaats kunnen vinden in 2055, maar robots zouden ook in 2035 al 50% van het werk kunnen overnemen. Met evenveel waarschijnlijkheid zou het 2075 kunnen worden.

Niet-bestaande beroepen?

Een andere in dit opzicht interessante invalshoek is het bekende onderzoek van het World Economic Forum (WEF) uit 2016, waarin wordt voorspeld dat van de kinderen die nu waar ook ter wereld naar de basisschool gaan, twee derde later een beroep krijgt dat nu nog niet bestaat. Een derde van de nu voor banen benodigde vaardigheden zal worden vervangen door nieuwe.

Het WEF signaleert dat de technische ontwikkelingen razendsnel verlopen, op gebieden als kunstmatige intelligentie, robotica, nanotechnologie en 3D-printing. Ontwikkelingen op het ene terrein versterken die op het andere. Nieuwe, slimme systemen kunnen de mensheid helpen om tal van problemen op te lossen, zoals voedselschaarste, opwarming van de aarde, gezondheid en ziekte.

'Het gebruik van ICT niet goed geïntegreerd in het onderwijs’

Prof. Dr. Paul Kirschner van de Open Universiteit vindt dat onderwijsinstellingen hun leerlingen daarom moeten voorbereiden op een leven lang leren. Met zijn onlangs verschenen onderzoek probeert hij bij te dragen aan het dilemma hoe wij jongeren kunnen opleiden voor een (arbeids)toekomst waarin de beroepen waarvoor zij worden opgeleid enerzijds waarschijnlijk op korte termijn zullen verdwijnen en anderzijds nog niet bestaan en waar wij zelfs geen idee van hebben. Hij constateert dat er veel onduidelijkheid is over welke kennis, vaardigheden en attitudes er nodig zijn om met deze onzekere toekomst om te gaan. De hoop die veel mensen hebben gevestigd op de 21e-eeuwse vaardigheden is volgens hem niet terecht. Hij schrijft: ‘Een analyse daarvan laat zien dat deze vaardigheden duidelijk noch eenduidig zijn, dat zij steeds veranderen, zowel qua aantal als inhoud, en dat zij voor het grootste deel vaardigheden zijn die ook in de 20e en zelfs in het 19e eeuw noodzakelijk waren.’ Kirschner denkt dat de enige vaardigheden die echt als 21e-eeuws aangemerkt kunnen worden, de twee volgende zijn:

  • Informatiegeletterdheid: het kunnen zoeken, identificeren, evalueren (van de kwaliteit en betrouwbaarheid van bronnen) en effectief gebruiken van verkregen informatie;
  • Informatiemanagement: het kunnen vastleggen, beheren en delen van verkregen informatie.
  • In een interview met het Financieel Dagblad stelt Kirschner dat jongeren weliswaar vaak snel kunnen leren hoe ze een digitaal apparaat moeten bedienen, maar dat ze dikwijls niet kunnen beoordelen of de informatie die ze vinden ook betrouwbaar is. Docenten moeten dus nagaan waar leerlingen hun antwoorden vandaan halen en ter discussie stellen of ze hun bronnen kunnen geloven. ‘Jongeren moeten leren vragen of McDonald's wel een betrouwbare bron van informatie is als het om voeding gaat.’

    Het onderwijs heeft bij het aanleren van deze competenties een belangrijke taak, maar hij vraagt zich af of scholen daarvoor goed uitgerust zijn. Ten eerste ziet hij dat scholen te traag reageren om de veranderingen in de toekomstige arbeidsmarkt goed in het curriculum te verwerken. Ten tweede zijn scholen niet goed uitgerust op hun taak om leerlingen voor hun onzekere (arbeids)toekomst op te leiden c.q. voor te bereiden. En ten derde is het gebruik van ICT niet goed geïntegreerd in het onderwijs en is het de vraag of docenten zelf over de benodigde ICT-kennis en -vaardigheden beschikken om hun leerlingen op een toekomstbestendige wijze op te leiden.

    Conclusie

    We weten uiteraard niet hoe het zich allemaal zal ontwikkelen, want voorspellen is moeilijk, vooral als het om de toekomst gaat. Kirschner noteert in zijn rapport wel een mooie conclusie die ook van toepassing lijkt te zijn op de onderzoeken over robotisering. Hij geeft aan dat wat hem betreft vooral de term ‘toekomstbestendig leren’ van belang is: het verwerven van de vaardigheden en houdingen die nodig zijn om op een stabiele, bestendige manier te blijven leren in onze snel veranderende wereld. We kunnen kortom de golven niet verslaan, maar we kunnen onze leerlingen wel leren surfen. En daar kunnen we voorlopig mee vooruit.