Long read: Wat er concreet misgaat in het Passend Onderwijs

cover kleinEn aanbevelingen voor hoe het beter kan

(Dit artikel verscheen in de Bij de Les van april 2017)

In januari 2017 deden wij een oproep aan onze leden van de NVS-NVL om te reflecteren op de staat van het Passend Onderwijs. Uw input hebben wij vervolgens gekoppeld aan het onderzoek over Passend Onderwijs dat DUO uitvoerde onder 506 vo-docenten in 2016 en 293 vo-docenten in 2015. Zo ontstaat er een inhoudelijk beeld bij de cijfers. Uiteindelijk proberen we knelpunten bloot te leggen, die uiteraard moeten leiden tot aanbevelingen: hoe kan Passend Onderwijs beter?


Uit het onderzoek van DUO blijkt dat maar liefst de helft van de vo-docenten ronduit negatief of meer negatief dan positief staat tegenover Passend Onderwijs. In ons verzoek aan u hebben we daarom opgeroepen om - indien gewenst anoniem - te reflecteren op wat u goed vindt gaan in het Passend Onderwijs, waar kansen liggen, waar u tegenaan loopt en wat uw algehele bevinding is omtrent Passend Onderwijs.

Om de reacties in deze samenvatting positief te beginnen: de achterban van de NVS-NVL staat in de basis achter het concept van Passend Onderwijs. Met een uitzondering daargelaten, heerst er consensus dat iedereen zo lang mogelijk moet proberen om leerlingen in het regulier onderwijs les te geven, dat Passend Onderwijs kansen biedt voor leerlingen, het inclusief is en maatwerk biedt voor leerlingen en dat het er voor zorgt dat verschillende betrokkenen samen optrekken om belemmeringen voor leerling en ouders op te lossen. Ondanks dit positieve uitgangspunt loopt het in de uitvoering en in de praktijk echter heel anders. Hieronder staat een wellicht herkenbare opsomming van waar u en uw medebegeleiders tegenaan lopen.

‘De achterban staat in de basis achter het concept van Passend Onderwijs’

Verschuiving in de klas

Allereerst constateert de NVS-NVL-achterban een verschuiving van de doelgroep binnen de scholen. Leerlingen die voorheen naar het speciaal onderwijs gingen, gaan nu naar het reguliere onderwijs. Dat vraagt iets van docenten. De klassen zijn in aantal hetzelfde gebleven, maar door de verschuiving van de doelgroep van leerlingen betekent dit dat er in één klas meer leerlingen zitten met extra ondersteuningsbehoeften: ‘Het kan zomaar zijn dat je op een gewone klas vier leerlingen hebt met iets speciaals.’ Kan een docent voldoen aan deze ondersteuningsbehoeften? Uit de onderzoeken van DUO blijkt dat in 2016 49% van de vo-docenten het (helemaal) oneens is met de stelling dat door Passend Onderwijs de school beter kan inspelen op de individuele ondersteuningsbehoeften van leerlingen. In 2015 was dit 53%.

Verhoogde werkdruk

De toename van leerlingen ‘met iets speciaals’ in het reguliere onderwijs leidt tot meer werkdruk, zo laat u in uw reacties weten. Begeleiders en (vak)docenten in reguliere klassen hebben doorgaans geen tijd om één-op-één te zitten met hun leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. Deze reacties worden statistisch ondersteund door DUO: 91% van de ondervraagden zei in 2016 te weinig tijd te hebben om leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben goed te helpen. In 2015 was dat ‘slechts’ 47%. Onder de door DUO ondervraagde docenten geeft een alarmerend aantal van 86% aan dat de werkdruk door de invoering van Passend Onderwijs hoger is geworden. In 2015 was dit ‘slechts’ 62%.

Als er echter wél voldoende aandacht aan hulpbehoevende leerlingen wordt besteed, bestaat de valkuil dat er juist onvoldoende aandacht is voor de ‘gewone’ leerling. Een decaan en mentor uit het vmbo beschrijft de voor haar toegenomen werkdruk treffend: ‘Door de extra taken krijgen mijn leerlingen niet wat ze nodig hebben en ik krijg het gevoel dat ik tekort schiet. Als ik mijn aandacht besteed aan alle leerlingen die meer hulp behoeven, dan komen de ‘gewone’ activiteiten niet voldoende van de grond.’

‘Ik krijg het gevoel dat ik tekort schiet’

Het onderzoek van DUO bevestigt dit: 74% van de vo-docenten vind dat Passend Onderwijs ten koste gaat van de aandacht voor de ‘gewone’ leerling. Dit is ten opzichte van 2015 slechts licht veranderd. Begeleiders en docenten bevinden zich dus in het spanningsveld tussen het reguliere programma en ‘gewone’ leerlingen en de leerlingen die extra ondersteuningsbehoeften hebben.

Expertise

Voorts ondervinden onze respondenten dat docenten en begeleiders over onvoldoende expertise beschikken om de benodigde extra ondersteuning te bieden aan leerlingen. Er zijn verwachtingen van docenten over welke vaardigheden ze zouden moeten beschikken en niet elke docent beschikt daarover en kan - of wil! - deze ontwikkelen. Vakdocenten zijn vaak niet geschoold om met uiteenlopende problematiek om te gaan en ook startende docenten lijken onvoldoende toegerust om leerlingen met een speciale ondersteuningsbehoefte te begeleiden en kennis bij te brengen.

‘Vakdocenten zijn vaak niet geschoold om met uiteenlopende problematiek om te gaan’

Volgens onze respondenten resulteert dit vervolgens weer in een onevenredige verdeling van aandacht per leerling. Leggen we deze reacties naast de resultaten van DUO, dan zien we dat 45% van de docenten in 2016 het ook oneens is met de stelling dat er voldoende expertise aanwezig is om van Passend Onderwijs een succes te maken. Slechts 25% is het er mee eens.

Wal en schip

57% van de vo-docenten uit het onderzoek van DUO is van mening dat veel leerlingen door Passend Onderwijs met een individuele ondersteuningsbehoefte tussen wal en schip vallen. Het gebrek aan tijd en expertise bij docenten uit het reguliere onderwijs maakt het voor hen lastiger om les te geven en aandacht eerlijk te verdelen. Uw reacties staven dit. Er heerst vrees dat de leerling thuis komt te zitten, zonder dat er goede begeleiding voor hem of haar is, ook niet vanuit jeugdzorg. De leerplichtwet stelt dat de leerling tot zijn of haar achttiende op school moet zitten, waardoor deze in een eindeloos traject kan belanden en niet de juiste hulp krijgt. Een vangnet ontbreekt. In Bij de Les 5 en 6 van 2015 verschenen hierover de artikelen ‘Red de leerling uit de kloof tussen zorg en onderwijs’ deel 1 en deel 2.

Financiering/bezuiniging

Een plusteam van een mbo-instelling is in haar reactie helder over het Passend Onderwijs: ‘Eigenlijk is het een verkapte bezuiniging op speciaal onderwijs en de achterliggende zorg.’ Het team vraagt zich af of alle financiële middelen die met Passend Onderwijs zijn vrijgekomen wel aan Passend Onderwijs besteed worden. Uit andere reacties blijkt evenzeer hoe belangrijk de financiering van Passend Onderwijs wordt geacht voor het slagen ervan. Zo wordt er gepleit voor kleinere (brug)klassen, waarvoor geld moet worden vrijgemaakt.

‘Passend Onderwijs is een verkapte bezuiniging op speciaal onderwijs’

Ook is men ontevreden over de aanvraag van financiering voor leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte. Dit gebeurt tegenwoordig bij het samenwerkingsverband. De gelden die het samenwerkingsverband ontvangt, zijn soms op basis van aantallen leerlingen uit het verleden. Dit terwijl het aantal leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte stijgt. Van de ondervraagden uit het DUO-onderzoek van 2016 is 52% van mening dat er te weinig budget is om van Passend Onderwijs een succes te maken.

Zorgplicht

Wat door onze achterban ook wordt genoemd, is de zorgplicht die scholen hebben. De school waar de leerling is aangemeld heeft de zorgplicht. Er ligt dan geen verantwoordelijkheid meer bij de school van herkomst. Het kan voorkomen dat de school van herkomst niet goed op de hoogte is van de eisen en basisondersteuning van de vo-school en komt het vaker voor dat de school waar de leerling wordt aangemeld op haar beurt moet doorverwijzen naar een andere school. Dit omdat de school niet kan voldoen aan de ondersteuningsbehoefte van de leerling.

Wat betekent dit voor de zorgcoördinator?

Gezien de verschuiving van doelgroepen in het reguliere onderwijs, is het van belang om als zorgcoördinator kritisch te zijn in het aannamebeleid van leerlingen. Ook is het belangrijk te bekijken welke ondersteuningsbehoefte de leerling heeft en of het haalbaar is voor een docent om leerlingen met verschillende ondersteuningsbehoeften in de klas te kunnen bedienen. Daarnaast moet er bekeken worden welke ondersteuningsbehoefte de docent heeft, aangezien er sprake kan zijn van onvoldoende expertise. Om te voorkomen dat een leerling tussen wal en schip valt, is samenwerking met verschillende externen essentieel. Een passend jeugdhulpverleningsaanbod is van belang om de leerling de hulp en ondersteuning te geven die hij nodig heeft. Het op tijd signaleren en doorverwijzen moet er voor zorgen dat een leerling niet lang op hulp hoeft te wachten.

Eenduidig

De achterban van de NVS-NVL is eenduidig: het idee achter Passend Onderwijs is goed, maar er moet veel veranderen om er een succes van te maken. ‘Er zijn kansen, maar die vragen om investering in tijd en geld. Bijvoorbeeld in kleinere klassen, in de verlichting van de werkdruk, in extra begeleiding door AB’ers of klassenassistenten. Deskundigheidsbevordering, scholing dus, kan ook helpen’, aldus een van de respondenten.

Andere aanbevelingen die gedaan worden zijn het opzetten van een structuurklas, een vangnet voor leerlingen, en kleinere klassen, waardoor de docent beter de aandacht kan verdelen tussen de ‘gewone’ leerling en de leerling met extra ondersteuningsbehoeften. Om de instroom en doorstroom van de leerlingen te bevorderen, is het noodzakelijk dat scholen meer en beter samenwerken met elkaar en met jeugdzorg. Ondanks de zorgplicht, kan de school van herkomst meekijken met ouders en overleggen met een school waar een leerling wordt aangemeld om te bekijken of de school passend is voor de leerling.

Wat gebeurt er in de toekomst?

Op 12 december van het vorig jaar stelde staatssecretaris Sander Dekker dat er ruim 111 miljoen euro die voor het Passend Onderwijs bedoeld is, niet is uitgegeven. Hierover schreef Dekker in een brief aan de Tweede Kamer het volgende: ‘We zien dat veel samenwerkingsverbanden netjes met hun geld omgaan. In heel veel gevallen krijgen kinderen de ondersteuning die ze nodig hebben én is er een gezonde reserve om tegenvallers  op te vangen. Maar er zijn ook uitschieters waar meer dan 25% van het budget op de plank ligt. Dat is niet uit te leggen. Met die miljoenen hadden we veel kinderen kunnen helpen. En hadden leraren het een stuk minder zwaar kunnen hebben in de klas.’

Of het vingerwijzen van Dekker en extra bestedingen door samenwerkingsverbanden resulteren in een beter Passend Onderwijs, moet blijken.

Begin februari is tijdens een convenant van de vier grote steden besloten dat beter samengewerkt moet worden door scholen, jeugdzorg en ouders, met als resultaat dat er in 2020 in die steden geen leerlingen meer tussen wal en schip vallen. Daarnaast gaan de grote steden met de scholen overleggen over het geld dat ze uittrekken voor jeugdzorg.

Tot slot

De NVS-NVL wil graag bijdragen door een professionaliseringsaanbod te ontwikkelen en onze invloed in te zetten om druk uit te oefenen op de overheid. Op welke andere manieren kan de NVS-NVL bijdragen? Wilt u daarin namens ons een rol spelen? Reageren op dit artikel? Mail ons via communicatie@nvs-nvl.nl o.v.v. artikel Passend Onderwijs.

door Simone Rütten